Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1053

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
16/04183
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:267
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling (door aangeefster A o.m. met een slipper tegen het lichaam te slaan), begaan tegen “zijn echtgenoot” a.b.i. art. 304.1 Sr? De opvatting dat sprake is van een in Irak volgens islamitisch recht gesloten huwelijk en dat een dergelijk huwelijk niet meebrengt dat het slachtoffer van de mishandeling kan worden aangemerkt als “echtgenoot” a.b.i. art. 304.1 Sr is onjuist. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij de uitleg van dat begrip zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht zoals neergelegd in het BW. Mede in het licht daarvan moet worden aangenomen dat ook sprake kan zijn van zo een “echtgenoot” i.g.v. een buiten Nederland aldaar rechtsgeldig gesloten huwelijk, tenzij blijkt dat dit huwelijk ex art. 10:31 jo. 10:32 BW niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. In zoverre faalt het middel. De door het Hof gebezigde b.m. houden niets in waaruit kan volgen dat sprake is van enig in Nederland dan wel in het buitenland gesloten huwelijk dan wel van een geregistreerd partnerschap a.b.i. art. 90octies Sr tussen verdachte en A. De bewezenverklaring - i.h.b. het onderdeel “zijn echtgenoot A” - is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet op hetgeen door verdachte ttz. naar voren is gebracht aangaande zijn huwelijk met A t.t.v. de mishandeling heeft verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BZ5960). Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. belang bij cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2018

Strafkamer

nr. S 16/04183

SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 augustus 2016, nummer 21/004879-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring, gebezigde bewijsmiddelen en kwalificatie

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 7 mei 2015 te Almere, zijn echtgenoot [betrokkene 1] heeft mishandeld, door deze [betrokkene 1] tegen het lichaam te slaan en tegen het lichaam te duwen en met een slipper tegen het lichaam te slaan."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het door [verbalisant 1], agent van politie Eenheid Midden-Nederland op 7 mei 2014 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], proces-verbaal nummer PL0900-2015140710-1 (blz. 23 tot en met blz. 31 van het proces-verbaal nr. 2015140710), inhoudende:

"Plaats delict: [a-straat 1] Almere (...) Vandaag, 7 mei 2015 is het tussen mij en [verdachte] weer tot een uitbarsting gekomen (...) Ineens voelde ik een harde klap in mijn hals ter hoogte van mijn oor, aan de rechterzijde van mijn gezicht (...) Ik voelde door de klap hevige pijn op de plek waar hij mij had geraakt (...) Ik zag dat hij zijn rechterhand uitstak en richting mijn gezicht bracht. Ik voelde hierop een harde knal op mijn linkeroor. Hierdoor voelde ik mijn linkeroor branden van de pijn. Ik zag toen dat [verdachte] zijn slipper uit deed (...) Ik was bang dat hij met de slipper wilde slaan dus hield ik mijn handen voor mijn hoofd. Ik voelde toen een harde stekende pijn op mijn handen (...)

Noot: Verbalisant ziet op beide handen aan de bovenzijde een ronde rode vlek zitten.

(...) Hij gaf mij een hele harde duw tegen mijn borsten aan. Hierdoor doen mijn borsten nu pijn. Hij duwde mij met beide handen zo hard waardoor ik mijn evenwicht verloor en hard op het bed terecht kwam. Omdat [verdachte] mij met zoveel kracht heeft geduwd, ben ik door de latten bodem van het bed heen gezakt."

2. Het door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland op 7 mei 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaal nummer PL0900-2015140710-6 (blz. 20 tot en met blz. 21 van het proces-verbaal nr. 2015140710), inhoudende:

"Ik hoorde dat de huisarts aan de kinderen vroeg wat er was gebeurd. Ik hoorde dat de oudste zoon van [betrokkene 1] hierop verklaarde: "Papa heeft mama geslagen. Met een slipper, heel hard.""

2.3.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot".

3 Wettelijk kader

3.1.

De navolgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Art. 304, aanhef en onder 1°, Sr:

"De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1° ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin."

- Art. 90octies Sr:

"Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner."

- Art. 10:31, eerste en vierde lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):

"1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.

4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit."

- Art. 10:32 BW, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

"Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde."

- Art. 10:32 BW, zoals dat luidt na de inwerkingtreding op 5 december 2015 van de Wet van 7 oktober 2015 (Wet tegengaan huwelijksdwang), Stb. 2015, 354:

"Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:

a. reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard;

b. aan de andere echtgenoot in rechte lijn verwant was of de broer of zuster van die echtgenoot was, hetzij door bloedverwantschap, hetzij door adoptie, tenzij deze familierechtelijke betrekking later is verbroken vanwege het ontbreken van biologische verwantschap of herroeping van de adoptie;

c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;

d. geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt en uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt; of

e. niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt."

3.2.

De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima), waarmee art. 304, aanhef en onder 1°, Sr is aangevuld met de term 'levensgezel', houdt onder meer in:

"Artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt welke strafverzwarende omstandigheden bij mishandeling kunnen leiden tot verhoging van de maximumgevangenisstraf met een derde. Een van de strafverzwarende omstandigheden die wordt genoemd is dat de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot; onder echtgenoot wordt mede begrepen de geregistreerde partner (artikel 90octies van het Wetboek van Strafrecht). In deze nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 304 Sr aan te vullen met het begrip «levensgezel». (...) De gronden die thans de strafverhoging bij mishandeling van de echtgenoot (enz.) rechtvaardigen – verschuldigde piëteit en mogelijk machtsmisbruik – zijn naar het oordeel van de regering ook aanwezig bij mishandeling tussen personen die met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, maar die niet zijn gehuwd of niet als partners zijn geregistreerd. De voorgestelde uitbreiding van artikel 304 Sr sluit aan bij een maatschappelijke ontwikkeling en onderstreept ook voor andere samenlevingsvormen dan het huwelijk en het geregistreerde partnerschap dat mishandeling tussen personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden extra strafwaardig is.

Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor – o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens –, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner."

(Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5).

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte "zijn echtgenoot [betrokkene 1]" heeft mishandeld.

4.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2016 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte - zakelijk weergegeven:

De ruzie die avond met mijn vrouw ging over mijn broer. (...) Ik ben een goede vader geweest en ook een goede echtgenoot. Mijn vrouw en ik zijn 13,5 jaar getrouwd. (...) Momenteel gaat het goed tussen mij en mijn vrouw. We zijn niet gescheiden.

(...)

Op vragen van de advocaat-generaal, antwoordt de raadsvrouw - zakelijk weergegeven:

Er is een scheidingsprocedure gaande. Er ligt een beschikking tot echtscheiding, maar er is nog een beroepstermijn. Er komt echter een moment dat de beschikking wordt ingeschreven.

(...)

De raadsvrouw voert het ter verdediging – zakelijk weergegeven:

Het wettige bewijs is er, maar hoe zit het met de overtuiging? (...) Ook speelt een rol dat een scheiding in Nederland niet alleen juridische consequenties heeft maar ook andere, culturele gevolgen. De slotsom kan zijn dat u het feit bewezen acht. Cliënt zegt echter dat het verhaal van zijn vrouw niet klopt."

4.3.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 300 in verbinding met art. 304, aanhef en onder 1°, Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term 'echtgenoot' geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr in verbinding met art. 90octies Sr.

4.4.1.

Het middel berust op de opvatting dat sprake is van een in Irak volgens islamitisch recht gesloten huwelijk en dat een dergelijk huwelijk niet meebrengt dat het slachtoffer van de mishandeling kan worden aangemerkt als 'echtgenoot' als bedoeld in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr.

4.4.2.

Die opvatting is onjuist. Uit de onder 3.2 weergegeven wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij de uitleg van het begrip 'echtgenoot', zoals bedoeld in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr, zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht zoals dat is neergelegd in het Burgerlijk Wetboek. Mede in het licht daarvan moet worden aangenomen dat ook sprake kan zijn van zo een 'echtgenoot' in geval van een buiten Nederland aldaar rechtsgeldig gesloten huwelijk, tenzij blijkt dat dit huwelijk ingevolge art. 10:31 BW in verbinding met art. 10:32 BW niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. In zoverre faalt het middel.

4.5.

Het middel klaagt voorts dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte "zijn echtgenoot" heeft mishandeld niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.

4.6.1.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat sprake is van enig in Nederland dan wel in het buitenland gesloten huwelijk dan wel van een geregistreerd partnerschap als bedoeld in art. 90octies Sr, tussen de verdachte en [betrokkene 1]. De bewezenverklaring - in het bijzonder het onderdeel "zijn echtgenoot [betrokkene 1]" - is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover op zichzelf terecht.

4.6.2.

In gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, kan het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering (vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383, rov. 2.4).

4.6.3.

In de onderhavige zaak gaat het om een dergelijke klacht, gelet op hetgeen door de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven, aangaande zijn huwelijk met [betrokkene 1] ten tijde van de bewezenverklaarde mishandeling. Het beroep moet daarom worden verworpen.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.