Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
16/04263
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:3113, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; art. 29 en 33, letter f, CDW en art. 181bis UCDW; douanewaarde; verkoop onder de leveringsvoorwaarde Delivered Duty Paid; valse oorsprong; ook indien de verkoper wist dat de opgegeven oorsprong vals was, komen nagevorderde antidumpingrechten - vanwege de voorwaarde Delivered Duty Paid - in mindering op de overeengekomen transactieprijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-06-2018
FutD 2018-1753
DouaneUpdate 2018-0261
NLF 2018/1601 met annotatie van Raoul Ramautarsing
NTFR 2018/1681 met annotatie van mr. G. van Dam
BNB 2018/157 met annotatie van G.J. van Slooten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2018

nr. 16/04263

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 juli 2016, nr. 15/00170, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/3259) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In 2011 heeft [A] B.V. (hierna: [A] BV) op haar naam en voor haar rekening aangiften laten doen voor het in het vrije verkeer brengen van bevestigingsmiddelen, zoals bouten, moeren en schroeven, van roestvrij staal (hierna: de bevestigingsmiddelen). Als land van oorsprong van de bevestigingsmiddelen is in elke aangifte Indonesië opgegeven. Ten bewijze van de preferentiële oorsprong Indonesië heeft [A] BV bij de invoeraangiften certificaten van oorsprong Form A overgelegd.

De bevestigingsmiddelen zijn door de douane vrijgegeven voor het vrije verkeer met toepassing van het gevraagde preferentiële tarief van douanerechten.

2.1.2.

[A] BV had de bevestigingsmiddelen gekocht van [E] (hierna: [E]), gevestigd in Indonesië. Daarbij was overeengekomen dat de levering van de goederen geschiedt onder de voorwaarde ‘delivered duty paid’ (hierna: de leveringsvoorwaarde DDP). De overeengekomen transactieprijs en de leveringsvoorwaarde DDP zijn in de hiervoor in 2.1.1 bedoelde invoeraangiften vermeld.

2.1.3.

Het antifraudebureau van de Europese Commissie heeft nadien onderzoek gedaan naar het land van oorsprong van de bevestigingsmiddelen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is, en dat de hiervoor in 2.1.1 bedoelde certificaten zijn afgegeven op basis van door [E], optredend in de hoedanigheid van de exporteur van de bevestigingsmiddelen, aan de Indonesische autoriteiten verstrekte onjuiste informatie. Bij de invoer van de bevestigingsmiddelen is daarom ten onrechte aanspraak gemaakt op het hiervoor in 2.1.1 bedoelde preferentiële tarief van douanerechten en was wettelijk 3,7 percent aan douanerechten, berekend over de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen, verschuldigd.

Omdat uit het onderzoek is gebleken dat de niet-preferentiële oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is en voor dergelijke goederen een antidumpingmaatregel geldt, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende antidumpingrechten is verschuldigd naar een tarief van 85 percent, berekend over de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen.

2.1.4.

Aan belanghebbende, rechtsopvolger van [A] BV, zijn op 28 oktober 2013 de onderhavige uitnodigingen tot betaling van douanerechten uitgereikt. Nadien, op 2 juli 2014, zijn aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten uitgereikt.

2.1.5.

Vanwege de leveringsvoorwaarde DDP heeft de Inspecteur met toepassing van artikel 29, in samenhang gelezen met artikel 33, aanhef en letter f, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) bij het berekenen van de te innen bedragen aan douanerechten als douanewaarde gehanteerd de in de invoeraangiften vermelde transactieprijs, met aftrek van de na te vorderen douanerechten. De Inspecteur heeft op die transactieprijs echter niet het na te vorderen bedrag aan antidumpingrechten in aftrek gebracht. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het antidumpingrechten betreft die [E] doelbewust heeft willen ontduiken door het opgeven van een onjuiste oorsprong van de goederen en dat indien wordt aanvaard dat deze rechten overeenkomstig de leveringsvoorwaarde DDP voor rekening van [E] zijn, de prijs van de bevestigingsmiddelen – vanwege het tarief van 85 percent - zou dalen tot een irreële douanewaarde.

2.1.6.

Belanghebbende heeft zich verzet tegen de hoogte van de nagevorderde bedragen aan douanerechten onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 juli 2010, Gaston Schul B.V., C-354/09, ECLI:EU:C:2010:439, BNB 2011/15 (hierna: het arrest Gaston Schul). Zij stelt zich op het standpunt dat ook de na te vorderen antidumpingrechten vanwege de leveringsvoorwaarde DDP voor rekening van [E] zijn en daarom in de transactieprijs zijn begrepen.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW achterwege moet blijven indien de exporteur te kwader trouw is. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat uit het arrest Gaston Schul volgt dat artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW ook van toepassing is indien de exporteur te kwader trouw is. Deze stelling vindt geen steun in de bewoordingen van dit arrest, aangezien het arrest een geval betrof waarin de koper en de verkoper bij het sluiten van de koopovereenkomst in de veronderstelling verkeerden dat ter zake van de invoer van de goederen geen douanerechten waren verschuldigd, aldus het Hof.

2.3.

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof.

2.4.1.

Op grond van artikel 33, aanhef, van het CDW maken bepaalde, in het vervolg van die bepaling genoemde, elementen van de prijs geen deel uit van de douanewaarde, op voorwaarde dat zij zijn onderscheiden van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs. Volgens artikel 33, letter f, van het CDW behoren tot deze elementen rechten bij invoer en andere belastingen die in de Unie ingevolge de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan.

2.4.2.

Het Hof heeft kennelijk, in cassatie niet bestreden, tot uitgangspunt genomen dat [E] en [A] BV zijn overeengekomen dat de bevestigingsmiddelen onder de leveringsvoorwaarde DDP zijn verkocht en geleverd, en dat dit inhoudt dat de rechten bij invoer, waaronder douanerechten en antidumpingrechten, die ter zake van de invoer van goederen worden verschuldigd, voor rekening van de verkoper zijn.

Het Hof van Justitie heeft in het arrest Gaston Schul geoordeeld dat indien bij een verkoop voor uitvoer naar de Unie contractpartijen de leveringsvoorwaarde DDP hebben afgesproken, de in artikel 33 van het CDW gestelde voorwaarde dat invoerrechten “onderscheiden” zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, is vervuld, indien die leveringsvoorwaarde op de douaneaangifte is vermeld maar die contractpartijen wegens een vergissing inzake de oorsprong van de goederen geen bedrag aan invoerrechten hebben vermeld. In een zodanig geval moeten de in te vorderen rechten in mindering worden gebracht op de door de koper werkelijk betaalde of te betalen koopprijs.

2.4.3.

Uit de punten 35 en 39 van het arrest Gaston Schul moet - buiten redelijke twijfel - worden afgeleid dat dit niet anders wordt indien alleen de verkoper en niet ook de koper ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst de ware oorsprong van de goederen en ook het juiste bedrag van de te betalen rechten bij invoer kende. Ook dan – zo overweegt het Hof van Justitie – heeft de verkoper met het hanteren van de leveringsvoorwaarde DDP zich jegens de koper ertoe verbonden de gevolgen van een eventuele vergissing inzake de feiten of het recht te dragen, zonder van de koper een hogere prijs of een andere compenserende betaling te kunnen vorderen. Het oordeel van het Hof dat artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW niet van toepassing kan zijn indien de exporteur te kwader trouw is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve.

2.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Hierbij heeft het hierna volgende te gelden.

2.5.2.

Voor het Hof heeft de Inspecteur aangevoerd dat de antidumpingrechten niet in mindering moeten worden gebracht op de overeengekomen prijs. Hij heeft daartoe gesteld dat vanwege het hoge tarief aan antidumpingrechten (85 percent) de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen anders irreëel zou zijn. De Inspecteur heeft evenwel niet op de voet van artikel 181bis, lid 1, van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek het standpunt ingenomen en aan belanghebbende meegedeeld dat hij de toepassing van de in artikel 29 van het CDW voorgeschreven methode verwerpt op de grond dat hij niet ervan is overtuigd dat de aangegeven waarde van de bevestigingsmiddelen overeenkomt met de in artikel 29 van het CDW omschreven totale betaalde of te betalen prijs. De omstandigheid dat de Inspecteur dit laatste niet heeft gedaan, brengt mee dat de waarde van de bevestigingsmiddelen moet worden bepaald op basis van de in artikel 29 van het CDW omschreven transactiewaardemethode.

Uit de hiervoor in 2.4.2 weergegeven, in cassatie onbestreden vaststelling van het Hof volgt dat nagevorderde antidumpingrechten voor rekening van de verkoper zijn. Daarom moeten bij de berekening van de douanewaarde, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, op de overeengekomen prijs niet alleen douanerechten maar ook antidumpingrechten in mindering worden gebracht.

2.5.3.

Uit de stukken van het geding blijkt dat de bedragen aan na te vorderen antidumpingrechten nog niet onherroepelijk vaststaan, zodat niet bij dit arrest kan worden bepaald of, en zo ja in hoeverre de onderhavige uitnodigingen tot betaling aan douanerechten moeten worden verminderd. De Hoge Raad wijst daarom na vernietiging van de uitspraak op bezwaar de zaak terug naar de Inspecteur voor de vaststelling van deze eventuele vermindering.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 497 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 328,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 249 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2018.