Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2017
Datum publicatie
19-05-2017
Zaaknummer
16/02648
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:25, Gevolgd
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBNHO:2016:2600, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika, artikelen 16 en 19.

Stamrecht verkregen wegens ontslag uit een in de VS uitgeoefende dienstbetrekking, is geen lijfrente in de zin van art. 19, lid 5, van het Verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1216 met annotatie van Andy Cools
FED 2017/115 met annotatie van mr. dr. J. Vleggeert
Belastingadvies 2017/14-15.5
BNB 2017/180 met annotatie van A.L. Mertens
V-N 2017/26.11 met annotatie van Redactie
FutD 2017-1205 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2017/27 met annotatie van Mr. S. Spauwen
NTFR 2017/1386 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 mei 2017

nr. 16/02648

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 6 april 2016, nr. HAA 15/3918, betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonbelasting over het tijdvak oktober 2014. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 18 januari 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:25).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is opgericht in 2012. Enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende is [A] (hierna: [A]). [A], geboren in 1957, is van 1981 tot en met 6 januari 2012 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij het [H]-concern, vanaf 2001 tot 1 december 2011 in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) waar hij toen woonde. Vanaf 1 december 2011 woont [A] in Nederland waar hij vanaf die datum tot 6 januari 2012 in dienstbetrekking was bij een Nederlandse dochteronderneming van [H] (hierna: de werkgever).

2.1.2.

[A] is in 2012 ontslagen. De werkgever heeft hem een ontslagvergoeding toegekend van € 805.420. Dit bedrag is tegen toekenning van een recht op periodieke uitkeringen (stamrecht) in 2012 ondergebracht in belanghebbende, die daartoe was opgericht. Daarbij is gebruik gemaakt van de toen geldende stamrechtvrijstelling en is inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) achterwege gebleven.

2.1.3.

[A] heeft het stamrecht in oktober 2014 afgekocht. Belanghebbende heeft op de afkoopsom een bedrag van € 340.116 aan loonheffing ingehouden en op aangifte afgedragen, waarvan € 338.840 loonbelasting. De Inspecteur heeft na bezwaar geen teruggaaf verleend van de afgedragen loonbelasting.

2.2.1.

Voor de Rechtbank was in geschil of het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Belastingverdrag Nederland-VS van 18 december 1992 (hierna: het Verdrag) meebrengt dat in Nederland geen belasting over de afkoopsom is verschuldigd zodat ten onrechte loonbelasting is ingehouden en afgedragen.

2.2.2.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de ontslagvergoeding bij de inbreng in belanghebbende onbelast is gebleven met toepassing van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014, hierna: Wet LB). De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat bij de afkoop sprake was van een louter nationale situatie waarop het Verdrag niet van toepassing is. Dat de uitkering haar oorsprong vindt in een ontslagvergoeding, welke vergoeding op zich binnen het bereik valt van artikel 16 van het Verdrag, maakt dat niet anders, aldus de Rechtbank. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.

2.3.1.

Het eerste middel houdt in dat het oordeel van de Rechtbank dat het Verdrag toepassing mist, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dienaangaande is het volgende van belang. Indien aan een inwoner van Nederland die zowel in Nederland als in een andere verdragsstaat werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht, een ontslagvergoeding wordt toegekend, moet eerst worden beoordeeld of en zo ja in hoeverre die vergoeding verband houdt met hetzij in Nederland, hetzij in de andere verdragsstaat verrichte diensten (vgl. HR 11 juni 2004, nr. 38112, ECLI:NL:HR:2004:AF7816, BNB 2004/345). In dit geval is de vergoeding toegekend in de vorm van een stamrecht als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet LB dat mede verband houdt met vroeger in de andere verdragsstaat verrichte diensten. In dat geval moet de vraag of Nederland bevoegd is de inkomsten uit dat stamrecht in de heffing te betrekken, beoordeeld worden aan de hand van het desbetreffende belastingverdrag. In dit verband moet onder stamrecht ook worden verstaan de afkoopsom van een stamrecht (vgl. HR 3 mei 2000, nr. 34361, ECLI:NL:HR:2000:AA5676, BNB 2000/296 en HR 20 december 2000, nr. 35242, ECLI:NL:HR:2000:AA9089, BNB 2001/124). De Rechtbank heeft, oordelend dat sprake is van een louter nationale situatie, miskend dat van belang is dat de afkoopsom van het stamrecht zijn oorsprong vindt in een ontslagvergoeding die binnen het bereik valt van het Verdrag. Het middel wordt dus terecht voorgesteld. Uit het hierna overwogene volgt echter dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

2.3.2.

Het tweede middel bepleit dat de belastingheffing over de afkoopsom is toegewezen aan de VS omdat die afkoopsom moet worden gerekend tot de inkomsten uit niet zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 16, lid 1, van het Verdrag.

Het gaat in dit geval om een ontslagvergoeding die is toegekend aan een inwoner van Nederland door een in Nederland gevestigde werkgever, welke (mede) betrekking heeft op de periode waarin deze werknemer in de VS werkzaam was. Door welke staat een dergelijke ontslaguitkering kan worden belast, heeft de Hoge Raad uiteengezet in zijn arresten van 11 juni 2004 (nr. 37714, ECLI:NL:HR:2004:AF7812, BNB 2004/344 en nr. 38112, ECLI:NL:HR:2004:AF7816, BNB 2004/345). Uit deze arresten volgt voor het onderhavige geval dat indien en voor zover de ontslagvergoeding niet ten laste is gekomen van een werkgever die inwoner is van de VS of van een vaste inrichting of vast middelpunt van die werkgever in de VS, de band van die vergoeding met het arbeidsverleden in de VS onvoldoende is om te kunnen oordelen dat de ontslagvergoeding een beloning vormt voor de uitoefening van de dienstbetrekking in de VS.

2.3.3.

De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de door de werkgever in Nederland toegekende ontslagvergoeding niet is doorbelast aan de (ex-)werkgever in de VS. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dan dat de belastingheffing over de afkoopsom is toegewezen aan Nederland, zodat terecht loonbelasting is ingehouden en afgedragen. Het beroep in cassatie moet ongegrond worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2017.