Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:894

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03962
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1641, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/03962

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2016, nummer 22/004859-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

SCHRIFTUUR, HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE zaaknummer S 16/03962

Middel 1

De bestreden beslissing

1. Het hof heeft het bewijs — middellijk en onmiddellijk — doen steunen op verklaringen van één getuige en als steunbewijs gebruikt een verklaring van verzoeker en — kort samengevat — medische gegevens.

Voor de bestreden beslissing relevante onderdelen van het dossier

1.1.

De bewezenverklaring luidt dat verzoeker:

‘op 23 juni 2014 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen gouden armband en gouden ring en een laptop en een telefoon, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het stompen en/of slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of in/tegen de buik en/of tegen de mg, althans tegen het lichaam van [betrokkene 1] , terwijl dit geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, te weten een gescheurde alvleesklier en verwondingen aan haar lever.’

1.2.

De bewezenverklaring is gestoeld op de volgende bewijsmiddelen:

‘1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014127143-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 70 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 23 juni 2014 omstreeks 20:17 uur kregen wij, verbalisanten, een melding vanuit de politiemeldkamer van Eenheid Den Haag om te gaan naar de [a-straat 1] alwaar een vrouw zou worden mishandeld.

Ter plaatse in de woning zagen wij dat de vrouw flink was toegetakeld. Wij zagen dat de vrouw een flink aantal bulten op haar gezicht had. Wij zagen dat zij een flinke bult op haar linker- en rechter voorhoofd, een dikke kaak, een opgezwollen jukbeen en dikke en opgezwollen oogkassen had. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat de vrouw, [betrokkene 1] , erg verward en in de war was. Wij vroegen [betrokkene 1] wie haar geslagen had. Wij hoorden [betrokkene 1] zeggen dat ene [verdachte] , wonende aan het [b-plein] , haar geslagen had. Hierna verklaarde [betrokkene 1] dat ook de broer van [verdachte] in de woning was. Wij hoorden [betrokkene 1] ook zeggen dat er sieraden van haar gestolen zouden zijn.

Wij zagen dat er in de woon- en slaapkamer diverse bloedsporen op de vloer, op het bed en in de hal aanwezig waren. Wij zagen dat er een ketting op de grond naast het bed lag. Wij zagen dat de kasten in de woonkamer/slaapkamer open stonden en dat de kleding en diverse spullen op de grond lagen. Ik, verbalisant, zag dat het linkeroor van [betrokkene 1] , waarin een oorbel zat, bebloed was.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014127143-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27 e.v. ):

als de op 24 juni 2014 om 00.08 uur in het ziekenhuis Medisch Centrum Haaglanden te Den Haag afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik wil aangifte doen van mishandeling en diefstal. Deze feiten zijn gepleegd op 23 juni 2014 op het adres [a-straat 1] . Ik ben mishandeld door [verdachte] en zijn broer. Ik weet niet hoe hij heet. [verdachte] had vanavond bij mij voetbal gekeken en hij had een fles vodka bij zich. Zijn broer begon mij opeens te schoppen tegen mijn hoofd. Zomaar, uit het niets. Ze hebben mijn laptop, merk Sony Vaio, mijn telefoon en mijn sieraden gepikt.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 25 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014127143-15. Dit proces-verbaal houdt, onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 37 e.v. ):

als de op 25 juni 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

[verdachte] heeft het allemaal gedaan. Ze kwamen voetballen kijken. De tweede man begon met tegen mijn hoofd slaan. Ik zat thuis in een éénpersoonsstoel en ik kreeg een slag op mijn achterhoofd. Ik werd wakker en zag bloed op de vloer. Ik ben bewusteloos geweest, werd wakker en ben naar de buurman gerend. Ik kreeg een klap op mijn achterhoofd en toen meerdere. Ik heb voor het laatst telefonisch contact met hem (het hof begrijpt: de verdachte) gehad vlak voordat hij kwam. Hij zei dat hij eraan zou komen. Ik had eerder contact gehad met [verdachte] . Hij zei dat hij zijn broer zou meenemen. Hij heeft mijn computer meegenomen alle sieraden waren van mijn moeder. Zes armbanden en vier ringen, die hebben ze van mijn vingers gehaald.

4. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 26 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag onderzoek Gracht/15B1214040 nr. 2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 46 e.v. ) :

als de op 26 juni 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Heeft [verdachte] eerder geweld tegen jou gebruikt? Nee, dit is de eerste keer. Toen [verdachte] langs kwam zei hij dat het zijn broer was, maar dat weet ik niet zeker. Hij heeft dit bewust gedaan. Ik werd wakker in een plas bloed, half onder het bed, ik ben buiten bewustzijn geweest. Ik heb aangebeld bij de buurman, de melder. [verdachte] wilde gaan dansen voor mij en toen gaf die ander een klap tegen mijn hoofd, ik denk dat het een afleiding was. Die avond wilde [verdachte] speciaal langskomen omdat zijn broer mij een paar meier wilde geven uit respect. Nu denk ik dat het een val was. Het flesje dat bij mij op tafel stond heeft [verdachte] , meegenomen. [verdachte] en zijn broer hebben uit, het flesje gedronken.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 juli 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014127143-46. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 229 e.v.):

als de op 23 juli 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

U vraagt mij te vertellen wat er op 23 juni 2014 gebeurd is nadat ik bij [betrokkene 1] in het ziekenhuis Westeinde in Den Haag ben geweest.

Toen de politie weg was, ben ik de hele nacht (het hof begrijpt: de nacht van 23 op 24 juni 2014) bij [betrokkene 1] geweest. Ik heb gevraagd wat er gebeurd was die avond. Ik heb toen het volgende verhaal gehoord van [betrokkene 1] over wat die avond gebeurd is. [verdachte] zou die avond langs komen om voetbal te kijken bij [betrokkene 1] thuis. Dit hadden zij afgesproken samen. Toen [verdachte] aankwam bij [betrokkene 1] thuis had hij nog een man bij zich. [verdachte] vertelde dat dit zijn broer was die ook voetbal kwam kijken. [verdachte] en zijn broer hadden alcohol meegenomen. De broer van [verdachte] pakte [betrokkene 1] vast en gooide haar op de grond. Vervolgens begon de broer tegen haar hoofd te schoppen. Ze heeft niet verteld hoe vaak maar hij zou zijn blijven schoppen. [betrokkene 1] vertelde mij dat de broer van [verdachte] haar daarna vasthield waarop [verdachte] haar is gaan schoppen en slaan op het hoofd. Vervolgens is ze flauwgevallen. Toen ze weer bijkwam zag ze dat ze vast werd gehouden door de broer van [verdachte] en dat zij door [verdachte] in haar buik geschopt werd. [verdachte] zou meerdere malen hard geschopt hebben. Hierop is zij weer flauwgevallen. Toen ze daarna weer wakker werd waren [verdachte] en zijn broer weg en is ze naar de buurman gegaan om hulp te zoeken.

6. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 5 oktober 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500- 2014127143-63. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 330 e.v.):

als de op 5 oktober 2015 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb [betrokkene 1] op 23 juni 2014 gebeld en zei dat het was gelukt en dat ik nog een fles ging halen. Ik zei dat ik met een goede broeder was en zei tegen [betrokkene 1] dat hij uit respect voor mij dat wilde regelen. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd dat ik een paar meiers kwam brengen. Die dag speelde Nederland (het hof begrijpt: het Nederlands voetbalteam) en ik was alvast de overwinning aan het vieren.

Ik was op maandagavond 23 juni 2014 samen met een persoon (hof: de verdachte noemt [betrokkene 3] , doch het hof heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat die persoon [betrokkene 3] was) onderweg naar het huis van [betrokkene 1] . We waren bijna bij [betrokkene 1] haar flat en ik belde haar om te zeggen dat ik er over 5 minuten zou zijn. Ze zei dat ik moest bellen als ik er was zodat zij de deur open kon doen. Dat heb ik gedaan. We stonden beneden en [betrokkene 1] deed de deur open. We zijn naar boven gegaan en voetbal stond aan op tv. Er was verder niemand, alleen [betrokkene 1] , ik en die persoon.

Ik heb alleen de fles wodka die ik had gehaald meegenomen naar de woning van [betrokkene 1] . Dat is dezelfde fles als de fles die bij haar is aangetroffen. Die persoon heeft onderweg 1 of 2 slokjes uit de fles genomen en daar in de woning ook nog.

7. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 1] , d.d. 24 juni 2014. Het geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 243):

A. Uitwendig waargenomen letsel: aangezichtsletsel, contusio thorax en abdomen.

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 23/06/14

E. Overige van belang zijnde informatie: pancreasruptuur.

F. Geschatte duur van de genezing: maanden.

8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d., 24 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014127143-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -

(blz. 77):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten, zagen dat de verpleger in het computersysteem van het ziekenhuis de medische informatie van de aangeefster [betrokkene 1] opzocht. Wij hoorden hem vertellen dat:

- zij aangezichtsletsel had in de vorm van zwellingen,

- zij verwondingen had in haar lip en wenkbrauw,

- zij haar kaak uit de kom had,

- zij lever- en alvleesklierverwondingen had,

- zij een thorax contusie had.

9. Een geschrift, zijnde medische informatie betreffende [betrokkene 1] , d.d. 10 oktober 2014, opgemaakt en ondertekend door drs. A. Manten, medisch adviseur. Het geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Bij een geweldsincident op 23 juni 2014 heeft [betrokkene 1] letsel opgelopen van het aangezicht en de borstkas. Het betrof wonden en kneuzingen waarvoor zij in het gelaat is gehecht met in totaal 18 hechtingen in lip en wenkbrauw. Tevens heeft zij een zogenaamde laceratatie van de alvleesklier opgelopen, hetgeen erop neerkomt dat de alvleesklier doormidden is gescheurd. Dit is middels een buikoperatie gehecht voor zover dat mogelijk is en daarbij zijn enkele drains achtergelaten om lekkend alvleeskliersap op te vangen en af te voeren, zodat het niet in de vrije buikholte terecht kan komen. De alvleesklier is diep verborgen en hoog achterin de bovenbuik gepositioneerd en daardoor goed beschermd tegen uitwendig inwerkend stomp geweld. Bij [betrokkene 1] was sprake van een verscheuring van de alvleesklier en op grond van het bovenstaande mag worden gesteld dat er zeer fors inwerkend geweld moet zijn geweest om dat te bewerkstelligen.’

1.3.

Het hof in zijn bewijsoverwegingen het volgende vooropgesteld:

‘Het hof beoordeelt een en ander als volgt. In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte met een andere man in de woning van aangeefster aanwezig was op het moment dat, de geweldshandelingen tegen aangeefster begonnen. Ter discussie staat slechts de vraag of de verdachte aan deze geweldshandelingen heeft deelgenomen.’

Klachten over de bestreden beslissing

2. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd, op grond van de volgende omstandigheden.

Inleiding op de klachtonderdelen

2.1.

Uw Raad neemt bij de vraag, of sprake is van strijd met de zogeheten unus testis-regel, het volgende kader als uitgangspunt:

‘Volgens het tweede lid van art. 342 Sv — dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.’(1)

2.2.

In verband hiermee dient te worden vooropgesteld dat de tweede bewijsgrond niet per se steun hoeft te geven aan de als ‘hoofdbewijs’ gebruikte verklaring van de getuige en ook zelfstandig betrekking mag hebben op een (enig) onderdeel van de bewezenverklaring. Uw Raad eist enerzijds in het algemeen niet dat ‘het springende punt’ (het door de verdachte betwiste onderdeel van de desbetreffende verklaring) altijd steun vindt in ander bewijsmateriaal.2 Echter, indien anderzijds de tweede bewijsgrond zelfstandig betrekking heeft op enig onderdeel van de bewezenverklaring, betekent dat niet dat zonder meer sprake is van de vereiste ‘voldoende steun’. De vraag, wanneer de tweede bewijsgrond van ‘voldoende steun’ kan worden aangemerkt, is immers afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

2.3.

Corstens en Borgers constateren dat de door Uw Raad geduide functie van de bewijsminimumregel aansluit bij de wetsgeschiedenis, waarin de bewijsminimumregel wordt beschouwd als een waarborg tegen de veroordeling van onschuldigen. Zij beantwoorden de vraag, hoe de bewijsminimumregel concreet deze waarborgfunctie kan vervullen, als volgt:

‘Op de keper beschouwd zegt de tekst van de wet alleen wat de rechter niet mag doen, namelijk het aannemen van de bewezenverklaring op basis van uitsluitend de verklaring van één getuige. Daarmee is niet gezegd dat zodra er een tweede bewijsgrond — van welke strekking dan ook — beschikbaar is, er geen vuiltje aan de lucht meer zou zijn. In de kern strekt de bewijsminimumregel ertoe dat de vereiste tweede bewijsgrond fungeert als controlemiddel. In de kern behelst de bewijsminimumregel de opdracht aan de rechter om de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de belastende verklaring van de getuige vast te stellen. Wanneer men kennisneemt van de rechtspraak van de Hoge Raad, rijst de vraag of daarin wel voldoende recht wordt gedaan aan deze controlefunctie van de bewijsminimumregel. (..) Wanneer de vereiste tweede bewijsgrond wordt beschouwd als controlemiddel, kunnen er twee wijzen van controleren van elkaar worden onderscheiden. Allereerst kan men de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring onderzoeken door de bron — de getuige — zelf aan nader onderzoek te onderwerpen. Voorts kan men de controle uitvoeren door te kijken of er een tweede, onafhankelijke kenbron voorhanden is die enigerlei informatie verschaft over het ten laste gelegde feit, en vervolgens te onderzoeken in hoeverre er sprake is van overeenstemming tussen de uit de beide bronnen afkomstige informatie.’(3)

2.4.

Volgens deze schrijvers volstaat niet een uiteenzetting van de specifieke redenen, waarom de verklaring geloofwaardig wordt bevonden, omdat men dan uiteindelijk toch van doen heeft met één informatiebron. Dat duidt er aldus hen op, dat als controlemiddel alleen in aanmerking komt het naast elkaar leggen van de informatie uit de verklaring van de getuige en de feiten en omstandigheden zoals die worden aangedragen door een tweede, onafhankelijke kenbron. Niettemin achten zij het op voorhand niet uitgesloten dat Uw Raad anders zou oordelen in een zaak waarin de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring uitvoerig is onderzocht, bijvoorbeeld met behulp van deskundigen.(4)

2.5.

Volgens A-G Aben gaat het er bij de bewijsminimumregel in de kern om in welke mate aan de hand van het bijkomende bewijsmateriaal kan worden gediscrimineerd tussen het belastende scenario waarop de tenlastelegging berust, en het daar door de verdediging tegenover gestelde ontlastende scenario.(5)

2.6.

Rozemond betoogt dat de tweede bewijsgrond weliswaar niet indicaties hoeft te bevatten dat een misdrijf heeft plaatsgevonden, doch wel dat deze de ‘concrete context’ van het misdrijf bevestigt:

‘Voldoende is de bevestiging van de “concrete context” van het misdrijf. Die context kan bestaan uit de aanwezigheid van de verdachte op een bepaalde plaats op het moment dat het misdrijf volgens de getuigenverklaring zou hebben plaatsgevonden (,.).’(6)

2.7.

Ook daarmee zij niet gezegd dat de op deze wijze bevestigde context — de verdachte was aanwezig op het moment dat en de plaats waarop het misdrijf volgens de getuigenverklaring plaatsvond - in alle gevallen zonder meer voldoende is om te worden aangemerkt als van ‘voldoende steun’ in de zin van de rechtspraak van Uw Raad. Anders gezegd: kwantitatieve ondersteuning leidt niet automatisch tot kwalitatieve ondersteuning. (7) Wel kan tegen deze achtergrond in het algemeen worden gesteld dat het onvoldoende is dat de tweede bewijsgrond in de kem een replica is van de als ‘hoofdbewijs’ gebruikte getuigenverklaring.(8)

2.8.

Volgens Uw Raad mag tussen de twee bewijsgronden niet ‘een te verwijderd verband’ bestaan. Volgens A-G Hofstee dient die eis als volgt te worden begrepen:

‘(D)e enige getuigenverklaring mag niet “op zichzelf staan”; er moet een tweede bewijsgrond zijn die onafhankelijk van de verklaring van de unus betekenis heeft maar als surplus die verklaring op een of meer onderdelen ondersteunt op een relevante manier, dus meer inhoudelijk, meer specifiek, meer nauwkeurig, meer redengevend en, ja zeker, meer betrokken op de betrokkenheid van de verdachte.’(9)

2.9.

In cassatie wordt slechts nagegaan of er een tweede bewijsgrond is die naast de getuigenverklaring kan worden gekwalificeerd als ‘van voldoende steun’. In verband hiermee is, aldus A-G Spronken, de bewijsmotivering, waarin de rechter duidelijk maakt waarom bepaald materiaal als steunbewijs wordt aangemerkt, van belang en in sommige gevallen zelfs onmisbaar.(10)

2.10.

Daarmee zij overigens niet gezegd dat het voorschrift van artikel 342 lid 2 Sv een motiveringsverplichting behelst. De toepassing van deze bewijsminimumregel veronderstelt ook niet activiteit van de verdediging; deze ziet rechtstreeks op de bewijsvoering door de rechter.(11)

Eerste klachtonderdeel

2.11.

Ter beoordeling van de vraag, of in verzoekers zaak is voldaan aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv, dient te worden vooropgesteld dat het hof bij de beoordeling van de bewijsvraag als uitgangspunt heeft genomen dat in deze zaak niet ter discussie staat dat verzoeker met een andere man in de woning van aangeefster aanwezig was op het moment dat de geweldshandelingen tegen aangeefster begonnen. Ter discussie staat slechts, aldus het hof, of verzoeker aan deze geweldshandelingen heeft deelgenomen.

2.12.

De concrete omstandigheden van dit geval worden derhalve in de visie van het hof door deze vraag bepaald.

2.13.

In verzoekers zaak zijn, naast de verklaringen van aangeefster en de op haar verklaringen gebaseerde de auditu-verklaringen, als andere bewijsgronden gebezigd een verklaring van verzoeker en — kort samengevat — medische gegevens. Verzoekers verklaring en de medische gegevens zijn weliswaar onafhankelijke kenbronnen die enige informatie verschaffen over het ten laste gelegde feit, maar zeggen niets over de kern van de relevantie van de verklaringen van aangeefster. Deze bewijsgronden ondersteunen immers slechts onderdelen van de bewijsvraag die volgens het hof niet ter discussie staan (namelijk dat verzoeker met een andere man in de woning van aangeefster aanwezig was en dat geweldshandelingen tegen aangeefster hebben plaatsgevonden).

2.14.

Deze bewijsgronden stellen derhalve niet de bruikbaarheid van de belastende verklaringen van aangeefster vast. Daardoor bieden zij niet op relevante wijze ondersteuning aan de context van de zaak. Zij zijn, anders gezegd, binnen de context van de gebeurtenissen niet voldoende zelfstandig onderscheidend om als objectief gegeven een rol van betekenis te spelen in het licht van de eis van artikel 342 lid 2 Sv.

2.15.

Ook in zijn bewijsoverwegingen heeft het hof niet uitgelegd waarom op grond van de door hem gebruikte bijkomende bewijsmiddelen — de door hem gebruikte verklaring van verzoeker en de medische gegevens — (voldoende) onderscheid bestaat tussen het belastende scenario waarop de tenlastelegging berust en de ontkenning van verzoeker.

2.16.

Om deze redenen is artikel 342 lid 2 Sv geschonden. De bewezenverklaring is als gevolg daarvan niet toereikend gemotiveerd.

Slotsom

3. Als gevolg van deze schending(en) van het recht en/of dit verzuim/deze verzuimen van vormvoorschriften dient cassatie te volgen.

Middel 2

De bestreden beslissing

l. Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 1] gebruikt voor het bewijs, daarmee voorbijgaand aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat deze van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten.

Voor de bestreden beslissing relevante onderdelen van het dossier

1.1.

De bewezenverklaring en de gebruikte bewijsmiddelen luiden zoals weergegeven in paragraaf 1.1 en 1.2 van middel 1.

1.2.

Verzoekers raadsman mr. M.M. Kuyp heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen omdat de verklaringen van aangeefster wegens ongeloofwaardigheid niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daartoe heeft hij op 6 januari 2016 het volgende betoogd:

‘47. De verdediging verzoekt u cliënt vrij te spreken, bij gebreke van het wettig en overtuigend bewijs.

48. De kern van het verweer luidt dat geen bewijs bestaat dat cliënt zelfstandig enige geweldshandeling en/of wegnemingshandeling heeft verricht en dat evenmin sprake is van medeplegen.

49. De enige bewijsgrond waaruit de betrokkenheid van cliënt volgt is de verklaring van aangeefster. Aangeefster heeft verschillende verklaringen afgelegd. De verdediging zal betogen, dat deze verklaringen op de essentiële onderdelen, waar het gaat over de betrokkenheid van cliënt bij het gebeurde, onvoldoende betrouwbaar zijn, zodat deze niet tot het bewijs kunnen dienen.

50. Het dossier ontbeert bovendien de nodige ondersteuning voor de verklaringen van aangeefster, zodat onvoldoende bewijs bestaat tegen cliënt.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

51. De verdediging trekt geenszins in twijfel, dat aangeefster slachtoffer is van een verschrikkelijk strafbaar feit. De verdediging ontkomt er evenwel niet aan de verklaringen van aangeefster kritisch te bekijken, zo kritisch als nodig. Juist nu vast is komen te staan dat aangeefster tijdelijk buiten bewustzijn is geweest als direct gevolg van een harde klap tegen haar hoofd.

52. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven het volgende over de toestand waarin zij aangeefster aantreffen:

(..) Ter plaatse in de woning zagen wij, verbalisanten, dat de vrouw flink was toegetakeld. ( ) Wij verbalisanten zagen dat de vrouw een flink aantal bulten op haar gezicht had.. Wij, verbalisanten, zagen dat zij een flinke bult had op haar linker- en rechter voorhoofd, dikke kaak, opgezwollen jukbeen en dikke en opgezwollen oogkassen. Wij verbalisanten zagen en hoorden dat de vrouw (..) erg verward was. Wij, verbalisanten, hoorden dat zij erg moeilijk uit haar woorden kon komen. (..) Wij hoorden dat het slachtoffer erg veel moeite had, om verder ons te woord te staan. Ondertussen werd zij met spoed naar het Westeinde Ziekenhuis vervoerd, gezien het opgelopen hoofdletsel.

53. Wanneer aangeefster op 25 juni 2015 (bedoeld zal zijn: 2014, WHJ) wordt gehoord, merken verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op dat aangeefster nog verward was en dat zij als eerste om haar fiets vroeg.

54. De medische verklaring houdt onder meer in, dat sprake is van aangezichtsletsel.

55. Uit de verschillende verklaringen van aangeefster volgt dat zij buiten bewustzijn is geweest en bovendien lijkt het sleepspoor van bloed erop, dat aangeefster - om wat voor reden ook - bovendien zou zijn versleept over de vloer, terwijl zij daarover zelf niets verklaart, anders dan dat zij in de stoel zat en wakker werd naast/onder het bed.

56. Overigens spreken de foto’s van het slachtoffer boekdelen, over de ernstige toestand waarin het slachtoffer verkeerde.

57. Dat het geheugen averij op kan lopen bij enig hoofdtrauma, mag wel als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld. Ter illustratie beschrijf ik wat te lezen staat op de website van het AMC: (…)

58. Aangeefster verklaart onder meer over het toegepaste geweld: Proces-verbaal van bevindingen

Dat ene [verdachte] (..) haar geslagen had. (..) Hierna verklaarde [betrokkene 1] dat ook de broer in de woning was. Daarna hoorde wij, verbalisanten dat het een vriend van [verdachte] zou zijn.

Getuige [betrokkene 2] , de auditu (pas op 23 juli 201 4 gehoord:

(..) [verdachte] vertelde dat dit zijn broer was die ook voetbal kwam kijken. Ze zijn gaan zitten en namen wat te drinken. (..) Een kwartier nadat de wedstrijd begon, rond 18:15 uur, pakte de broer van [verdachte] haar vast en gooide haar op de grond. Vervolgens begon die broer tegen haar hoofd te schoppen. Ze heeft niet verteld hoe vaak maar hij zou zijn blijven schoppen. Ze vertelde mij dat de broer van [verdachte] haar daarna vast hield waarop [verdachte] haar is gaan schoppen en slaan tegen het hoofd. Vervolgens is ze flauwgevallen. Toen ze weer bij kwam zag ze dat ze vast werd gehouden door de broer van [verdachte] en door [verdachte] in haar buik geschopt werd. [verdachte] zou meermalen hard geschopt hebben. Hierop is zij weer flauwgevallen. (..) zij zegt zich nu niks meer te kunnen herinneren. Dit zou zijn door de traumatische ervaring of door het letsel wal zij heeft opgelopen.

(..) Zijn broer begon mij opeens te schoppen tegen mijn hoofd . Zomaar uit het niets.

(..) [verdachte] heeft het allemaal gedaan. (..) De 2de begon met tegen mijn hoofd slaan. (..) ik kreeg een klap op mijn achterhoofd en toen meerdere. Net zei je dat [verdachte] alles heeft gedaan, maar nu zeg je dat die tweede sloeg. Klopt met [verdachte] is het altijd ellende

(..) [verdachte] wilde gaan dansen voor mij en toen gaf die ander een klap tegen mijn hoofd, ik denk dat het een afleiding was.

(..) Die broer stond bij de vensterbank, [verdachte] ging dansen. Ik moest ook gaan zitten, daarna kreeg ik een klap en weet ik het niet meer. Ik denk dat ze vijf minuten bezig zijn geweest.(..)

(..) De broer ging bij de vensterbank staan en verschoof de bank naar voren [verdachte] ging eerst op de bank zitten, daarna zei hij ga jij maar zitten dan ga ik voor je dansen. Wat dacht je? Toen hij zou gaan dansen dacht ik Kom maar op. Waar kreeg je de eerste klap? Tegen mijn hoofd, waar weet ik niet, ik werd wakker half onder het bed. (..) Hoe weet ie dat [verdachte] jou geslagen heeft? 100% zeker, lk heb [verdachte] en die gast binnengelaten, Die andere begon met slaan, Ik heb niet gezien dat [verdachte] geslagen heeft.

(..) Hoe die andere mij hardhandig van achteren bij mijn haren beetpakte en vasthield, hoe [verdachte] mij in mijn buik stompte en schopte. (..) Ik kan mij nog herinneren dat zij samen geweld tegen mij gebruikt hebben. Dat weet ik 100% zeker. Die eerste klap kwam van die ander, want hij stond achter mij bij de vensterbank. [verdachte] stond toen voor mij van ik ga een beetje dansen.

59. Op grond van vorenstaande onderdelen moet worden vastgesteld, dat aangeefster wisselend verklaart over het op haar toegepaste geweld. Eerst verklaart ze dat cliënt zou hebben geslagen, vervolgens dat de ander zou hebben geslagen en geschopt. Tegen getuige [betrokkene 2] zou aangeefster hebben gezegd dat beide heren geweld zouden hebben toegepast Bij de politie verklaart ze echter weer dat ze niet gezien heeft dat [verdachte] zou hebben geslagen.

60. Opmerkelijk is verder dat aangeefster in haar eerste twee verklaringen bij de politie niets zegt over dansen van cliënt. Dat zij later zegt dat cliënt aanstalten zou hebben gemaakt te dansen en vervolgens dat hij ook daadwerkelijk zou hebben gedanst. Tegen getuige [betrokkene 2] zou ze over dit dansen weer niets gezegd hebben, maar dicht zij cliënt wel een grote rol toe waar het gaat om de gepleegde geweldshandeling.

Foslo

61. Dat aangeefster zich wel het een en ander herinnert, maar dat details zich niet goed in haar geheugen hebben genesteld, volgt naar mening van de verdediging ook uit de herkenning van [betrokkene 3] .

62. Aangeefster kan geen duidelijk signalement van [betrokkene 3] geven, wanneer haar gevraagd wordt naar zijn signalement. Hij zou een turkenbaard hebben. Een ringbaardje, geen volle baard, Ongeveer 26 jaar. Hij had kort haar. Een beetje [verdachte] type, zelfde lengte. Aangeefster verklaart niets over de kleding die hij gedragen zou hebben.

63. Opmerkelijk is dat wanneer aangeefster meewerkt aan de meervoudige foto-confrontatie, dat zij de personen op de foto’s 1, 7 en 8 het meest vond lijken. De foto van [betrokkene 3] stond op plek 1. Hieraan verbindt de verdediging de conclusie dat aangeefster blijkbaar op een oppervlakkige herinnering bewaart aan de 23ste juni 2015 (bedoeld zal zijn: 2014, WHJ), maar dat specifieke details ontbreken.

Objectieve vaststelling discrepanties -> onbruikbaar voor het bewijs

64. De enkele vaststelling dat aangeefster in al haar verklaringen op essentiële onderdelen wisselend heeft verklaard in combinatie met het feit dat aannemelijk is dat het geheugen van aangeefster rond de gepleegde mishandeling verstoringen heeft gekend, maakt reeds dat de verklaringen van aangeefster niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs.

65. Nu getuige [betrokkene 2] een zuivere de-auditu verklaring heeft afgelegd, waarvan de bron eveneens aangeefster is, is ook haar verklaring onbruikbaar voor het bewijs,

66. Datzelfde geldt voor het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Tweede grond voor objectieve twijfel betrouwbaarheid

67. Ook bevinden zich in de verschillende verklaringen van aangeefster op verschillende plekken conclusies. Niet meer valt vast te stellen, of deze conclusie ook op enig moment een verklaring omtrent een waarneming hebben beïnvloed. Zo staat onder meer te lezen:

- [verdachte] wilde gaan dansen voor mij en toen gaf die ander een klap tegen mijn hoofd, ik denk dat het een afleiding was.

(..) Nu ik terugdenk vermoed ik dat [verdachte] de aanstichter is van alles. Hij heeft een plannetje in elkaar gezet. Die andere kende ik helemaal niet eens. Ik kan mij nog herinneren dat zij samen geweld tegen mij gebruikt hebben. Dat weet ik 100% zeker. (..) Ik ben bang dat [verdachte] gaat proberen hier onderuit te komen. Hij heeft tijd zat gehad om na te denken daarbinnen.

68. Ook later (in de slachtofferverklaring) stelt aangeefster dat de verklaring van [betrokkene 2] enkel zou kloppen. Ook dit is een conclusie achteraf. Juist omdat aangeefster op geen enkel moment heeft aangegeven, dat zij bewust ergens enige onwaarheid heeft verteld, kan niet worden vastgesteld welk onderdeel van haar verklaringen de waarheid het dichtst benadert.

69. Ook omdat conclusie en waarnemingen aantoonbaar door elkaar lopen, kunnen de verklaringen van aangeefster niet voor het bewijs worden gebruikt.

70. Naast de objectieve vaststelling dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om bruikbaar te zijn voor het bewijs, is ook een tweetal subjectieve gronden aan te wijzen, die de betrouwbaarheid van de verklaringen aantasten.

71. Op de eerste plaats is wat aangeefster overkomen is verschrikkelijk en draagt zij daarvan nog altijd de gevolgen met zich. Het is invoelbaar dat - nu het cliënt is geweest die de dader in haar huis gebracht heeft - aangeefster wil dat er in ieder geval iemand wordt gestraft voor wat haar is overkomen. Er bestaat een bij aangeefster een wil tot criminalisatie.

72. Op de tweede plaats heeft aangeefster - gelet op de ingediende vordering - een materieel belang dat er iemand wordt veroordeeld.

73. Ook voornoemde twee reden, maken dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen. De verdediging verzoekt u dan ook de verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Vrijspraak

74. De verdediging verzoekt u dan ook cliënt vrij te spreken van het primaire en het subsidiaire bij gebreke van het wettig en overtuigend bewijs.’

1.3.

Mr. Kuyp heeft zijn betoog op 25 mei 2016 als volgt verder aangevuld en onderbouwd:

‘3. De verdediging herhaalt alle eerder gevoerde verweren (zowel op schrift bij pleidooi als mondeling na het verhoor op 25 januari 2016) en verzoekt u deze als hier ingelast te beschouwen.

4. Uw Hof heeft na pleidooi onmiddellijk bepaald dat het noodzakelijk was dat aangeefster zou worden gehoord. Aangeefster is gehoord ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2016.

5. Uw Hof heeft naar aanleiding van de getuigenverklaring van aangeefster ter terechtzitting het noodzakelijk geacht dat aanvullend onderzoek zou worden verricht naar:

De vraag aan de deskundige zal zijn of hij in het algemeen iets kan zeggen over de vraag of een door de aangeefster /getuige genoemde flashback een betrouwbare herinnering of deelherinnering kan. zijn, en vervolgens hoe dat in het onderhavige geval moet worden beoordeeld. De nauwkeurige onderzoeksopdracht zal door de raadsheer-commissaris moeten worden geformuleerd; waarbij de advocaat-generaal en de verdediging tot 10 februari 2016 de gelegenheid krijgen om daarvoor suggesties te doen.

6. De deskundige die het onderzoek diende uit te voeren is door het Openbaar Ministerie voorgesteld en door de AG is gemotiveerd aangegeven waarom juist professor Schmand deskundig is.

7. Uw Hof heeft op 9 februari 2016 zelf vragen voor de deskundige geformuleerd. Ik loop de verschillende deelwagen af en vul deze aan met de antwoorden van de deskundige gevolgd door de conclusies van de verdediging.

a. Kan op het hoofd toegepast heftig geweld, met als gevolg dat het slachtoffer enige tijd buiten bewustzijn is geweest, in het algemeen leiden tot schade aan de hersenen en /of hel geheugen? Kan daarover in het onderhavige geval iets gezegd worden?

8. Het antwoord van prof Schmand ten aanzien van het eerste onderdeel:

Ja, dergelijk geweld kan in het algemeen leiden tot hersenschade e geheugenstoornissen. Wanneer het letsel betrekkelijk licht is, is de schade van voorbijgaande aard (te vergelijken met een kleine bloeduitstorting nadat men zich heeft gestoten), en verdwijnen de cognitieve stoornissen van zelf na enige tijd (uren of dagen). Bij ernstiger letsel zij de hersenschade en de cognitieve stoornissen vaak blijvend. De factoren die hierbij vooral van belang zijn, zijn de duur van het bewustzijnsverlies en de duur van de toestand van verwardheid nadat men weer bij kennis is gekomen (de zogenoemde post-traumatische amnesie: PTA). Tijdens PTA is sprake van anterograde amnesie, d.w.z. de patiënt kan dan niet goed nieuwe informatie in het geheugen opslaan. Bij traumatisch hersenletsel is ook vaak sprake van retrograde amnesie, d.w.z. verlies van herinnering aan gebeurtenissen die aan het letsel voorafgingen. Dit kan een tijdsbestek zijn van enkele seconden (bij betrekkelijk licht hersenletsel) tot vele jaren (bij ernstig hersenletsel).

9. In het onderhavige geval relateert Schmand, dat er aanwijzingen zijn voor PTA, zo sprak aangeefster verward op de SH en zijn er enkele aanwijzingen te vinden in het politiedossier die wijzen op een PTA, aangeefster had moeite de agenten te woord te staan en ook verklaart aangeefster geen herinnering meer te hebben aan het bezoek van [betrokkene 2] : hetgeen waarschijnlijk te wijten is aan PTA (anterograde amnesie). Ook de vraag van aangeefster van twee dagen na het trauma, waar haar fiets zou zijn gebleven, duidt op de aanwezigheid van een PTA.

Kortom, er was sprake van PTA gedurende tenminste enkele uren maar waarschijnlijk niet langer dan twee dagen. De korte duur van het bewustzijnsverlies en de waarschijnlijk korte duur van de PTA impliceren dat het onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer blijvende hersenschade en /of permanente stoornissen van het geheugen heeft opgelopen. Dit wordt bevestigd door de CT-scans van de hersenen die beide normaal waren. Zie ook mijn antwoord op vraag e.

10. De conclusie is dus dat sprake is geweest van een PTA, met mogelijk bijbehorende anterograde amnesie. Ook kan sprake zijn van retrograde amnesie.

b. Is het mogelijk dat kort na een gewelddadig gebeuren als het onderhavige een positieve herinnering (als door aangeefster geschetst tegenover de politie en tegenover de getuige [betrokkene 2] ) bestaat, die 1 à 2 dagen later verdwijnt? Zo ja: kan de omstandigheid dat na die positieve herinnering een operatie onder narcose een (geruime tijd) een behandeling niet medicatie waaronder morfine hebben plaatsgevonden, daar een rol in spelen? Valt daarover in de onderhavige zaak iets te zeggen?

11. Prof Schmand stelt dat een herinnering aan en traumatisch voorval in het algemeen niet verdwijnt en zeker niet in enkele dagen. In de onderhavige zaak speelt echter wat anders: de waag is namelijk niet zozeer of het de herinnering kan verdwijnen, maar meer, of wat aangeefster kort na het trauma zou hebben gezegd juist is. Daarover stelt de professor:

Met ‘positieve herinnering’ wordt bedoeld: de verklaring van het slachtoffer dat ze door beide mannen is mishandeld. Dit heeft ze gezegd tegen haar vriendin en tegen de politie, toen deze haar ’s avonds laat in het ziekenhuis bezochten. Zoals boven uiteengezet, had ze toen waarschijnlijk PTA, dus is het de vraag of deze eerste verklaring helemaal correct is.

12. De verdediging meent in deze laatste zin een understatement te herkennen. Understatement of niet, duidelijk is dat niet kan worden vastgesteld dat wat aangeefster kort na het trauma zou hebben gezegd wél betrouwbaar is.

c. Kan het verschijnsel waarover aangeefster verklaart aangeduid worden als een flashback en zo ja wat is de betekenis daarvan precies? Indien het niet gezien moet worden als een flashback, hoe kan het verschijnsel dan geduid worden?

13. Over dit onderdeel bestaat volgens de deskundige geen misverstand:

Nee, het kan geen flashback zijn geweest in de zin van een op reële waarneming gebaseerde herinnering. Deze flashbacks’ hadden immers betrekking op gebeurtenissen (de mishandeling) die plaats hebben gehad terwijl ze bewusteloos was. Het verschijnsel kan geduid worden als een reconstructie op basis van informatie die ze niet zelf heeft waargenomen, maar die ze heeft gehoord van andere, of die ze heeft afgeleid uit andere informatie. Zo is het bijvoorbeeld aannemelijk, gezien de letsels aan haar milt en alvleesklier, dat ze hard in de buik geschopt is. Dit zag ze in en van de ‘flashbacks’’ gebeuren. Dit kan weliswaar een werkelijke visuele ervaring voor haar zijn geweest, maar deze ervaring kan zoals hierboven gesteld - niet gebaseerd zijn op een werkelijke waarneming.

14. De “flashbacks”, althans de door aangeefster ter zitting en bij de politie afgelegde verklaringen daarover kunnen dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. De verdediging verzoekt u die onderdelen uit te sluiten van het bewijs.

d. Kan na een (traumatische) ervaring als door aangeefster beleefd een verdwenen herinnering daaraan weer boven komen en kan iets gezegd worden over de betrouwbaarheid/waarheidsgetrouwheid van zo’n herinnering, in het algemeen en in het onderhavige geval?

Er is veel onderzoek gedaan naar herinneringen aan traumatische ervaringen die verdrongen zouden zijn en na jaren weer hervonden worden. Het is inmiddels duidelijk dat er geen evidentie is voor dergelijke

verdringingsmechanismen. Integendeel, traumatische gebeurtenissen worden maar al tegoed onthouden. Dus ‘‘hervonden herinneringen” aan traumatische gebeurtenissen hebben een twijfelachtige betrouwbaarheid en/of een gering waarheidsgehalte.

15. Ook dit onderdeel is duidelijk: aangeefster kan vandaag de dag niet meer beoordelen, welke herinnering wel en welke niet op waarheid berust. De mededeling dat wat ze aan [betrokkene 2] zou hebben verteld, dat dat de waarheid zou zijn, evenmin.

e. Geven uw bevindingen aanleiding tot nadere opmerkingen die u tegen de achtergrond van deze zaak van belang acht?

16. Ten slotte merkt de deskundige op dat het waarschijnlijk is, dat aangeefster aan het eerste moment dat er geweld is gebruikt waarschijnlijk geen reële herinnering heeft, gelet op de tijdelijke amnesie en dat wat zij hier later over heeft verklaard waarschijnlijk is gebaseerd op conclusies die zij heeft getrokken. Ook stelt de deskundige vast dat er (gelukkig) geen sprake lijkt te zijn van blijvend letsel.

Conclusies ten aanzien van het bewijs

Verklaringen aangeefster uitsluiten van bewijs.

17. De conclusie die de verdediging dan ook opnieuw trekt, is dat geen van de verklaringen van aangeefster kunnen worden gebruikt voor het bewijs, nu aangeefster gedurende de overval bewusteloos is geweest en doordien geen waarnemingen heeft kunnen doen, haar herinnering op het moment van de eerste klap - volgens de deskundige - haast niet waar kan zijn geweest, maar waarschijnlijk is gebaseerd op een conclusie die aangeefster achteraf en uit latere waarnemingen heeft getrokken omtrent haar eigen letsel en/of uit wat anderen haar hebben verteld. De flashbacks die aangeefster heeft gehad hebben voor het bewijs geen enkele waarde, nu deze niet op een feitelijke waarneming kunnen zijn gebaseerd.

Verklaring [betrokkene 2] uitsluiten van bewijs

18. Evenmin is de verklaring van [betrokkene 2] te gebruiken voor het bewijs. De kenbron voor de verklaring van [betrokkene 2] , is hetgeen aangeefster haar zou hebben verteld. Vastgesteld is dat aangeefster op het moment dat zij gepraat zou hebben met [betrokkene 2] leed aan PTA, hetgeen maakt dat wat zij toen gezegd heeft, niet als waarheidsgetrouw kan worden aangemerkt.

19. (..)

Bevindingen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] partieel uitsluiten van het bewijs

20. Voor de bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geldt hetzelfde als voor [betrokkene 2] . Primair is de verdediging van mening dat hetgeen aangeefster zou hebben gezegd of gedaan en door de verbalisanten is genoteerd, niet voor het bewijs kan worden gebruikt, nu geen uitspraak valt te doen over het waarheidsgehalte van de uitlatingen van aangeefster, nu zijn verkeerde in toestand van PTA.

21. (..)

Vrijspraak

22. De verdediging verzoekt u cliënt vrij te spreken. Naar oordeel van de verdediging is er geen enkel bewijs, dat hij enige bijdrage, laat staan de vereiste materiele of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het hem verweten.

1.4. ’

s Hofs bewijsoverwegingen houden — voor zover van belang — het volgende in:

‘Voor zover van belang heeft aangeefster als volgt meegedeeld/verklaard.

Ter plaatse gekomen verbalisanten hebben aangeefster, vlak voordat zij naar het ziekenhuis werd gebracht, gesproken en hoorden haar zeggen dat ene [verdachte] (verbalisant: “klinkt als”) haar geslagen had. Ook de broer of de vriend van [verdachte] zou in de woning zijn. Er zouden sieraden gestolen zijn.

Verbalisanten hebben aangeefster kort na het gebeurde (avond 23 juni 2014) in het ziekenhuis te Den Haag gesproken (00.08 uur ‘s nachts). Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft aangeefster onder meer gezegd: Ik wil aangifte doen van

mishandeling en diefstal. Ik ben mishandeld door [verdachte] en zijn broer. Ik weet niet hoe hij heet. [verdachte] had vanavond bij mij voetbal gekeken en had een fles vodka bij zich. Zijn broer begon mij opeens te schoppen tegen mijn hoofd. Zomaar, uit het niets. Ze hebben mijn laptop, Sony Vaio gepikt. Ook mijn telefoon en mijn sieraden. Het hof begrijpt dat aangeefster met “ [verdachte] ” de verdachte [verdachte] bedoelt.

Op 25 juni 2014 heeft aangeefster onder meer verklaard, nadat zij de verdachte van een voorgehouden foto had herkend: [verdachte] heeft het allemaal gedaan. Ze kwamen voetballen kijken. De 2e begon met tegen mijn hoofd slaan. Ik zat thuis in een éénpersoonsstoel en kreeg een slag op mijn achterhoofd. Ik heb niets gezegd. Ik werd wakker en zag bloed op de vloer. Ik ben bewusteloos geweest, werd wakker en ben naar de buurman gerend. Ik kreeg een klap op mijn achterhoofd en toen meerdere. De jongen die bij hem was ken ik niet en heb ik niet eerder gezien. Ik heb voor het laatst telefonisch contact met hem (het hof begrijpt: de verdachte) gehad vlak voordat hij kwam. Hij zei dat hij eraan zou komen. Ik hoorde aan zijn stem dat hij het was. Hij zei dat hij zijn broer zou meenemen. Hij heeft mijn computer meegenomen. Alle sieraden waren van mijn moeder. Armbanden en ringen, die hebben ze van mijn vingers afgehaald.

Op 26 juni 2014 heeft aangeefster op de vraag Heeft [verdachte] eerder geweld tegen jou gebruikt? geantwoord: Nee, dit is de eerste keer. Toen [verdachte] langskwam zei hij dat het zijn broer was, maar dat weet ik niet zeker. Hij heeft dit bewust gedaan. Ik werd wakker in een plas bloed, half onder het bed, ik ben buiten bewustzijn geweest. Ik heb aangebeld bij de buurman, de melder. [verdachte] wilde gaan dansen voor mij en toen gaf die ander een klap tegen mijn hoofd, ik denk dat het een afleiding was. Die avond wilde [verdachte] speciaal langskomen omdat zijn broer mij een paar meier wilde geven uit respect. Nu denk ik dat het een val was. Het flesje dat bij mij op tafel stond heeft [verdachte] meegenomen. [verdachte] en zijn broer hebben uit het flesje gedronken.

Op 8 oktober 2015 heeft aangeefster verklaard dat zij af en toe flarden van herinneringen heeft (“flashbacks”) waarin zij ziet dat zowel de verdachte als de tweede persoon haar mishandelen.

Tenslotte heeft aangeefster ter terechtzitting van het hof van 25 januari 2016 een uitgebreide verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op de bewuste avond.

De getuige [betrokkene 2] heeft op 23 juli 2014 verklaard dat zij de betreffende nacht (het hof begrijpt: de nacht van 23 op 24 juni 2014), nadat de politie bij haar geweest is, gedurende de gehele nacht bij aangeefster in het ziekenhuis is geweest. Desgevraagd heeft aangeefster aan de getuige [betrokkene 2] het volgende verhaal verteld: [verdachte] zou die avond langs komen om voetbal te kijken bij [betrokkene 1] thuis. Dit hadden zij afgesproken samen. Toen [verdachte] aan kwam bij [betrokkene 1] thuis had hij nog een man bij zich. [verdachte] vertelde dat dit zijn broer was die ook voetbal kwam kijken. Ze zijn gaan zitten en namen wat te drinken. [verdachte] en zijn broer hadden alcohol meegenomen. Een kwartier nadat de wedstrijd begon, rond 18.15 uur, pakte de broer van [verdachte] haar vast en gooide haar op de grond. Vervolgens begon die broer tegen haar hoofd te schoppen. Ze heeft niet verteld hoe vaak maar hij zou zijn blijven schoppen. Ze vertelde mij dat de broer van [verdachte] haar daarna vasthield waarop [verdachte] haar is gaan schoppen en slaan op het hoofd. Vervolgens is ze flauwgevallen. Toen ze weer bijkwam zag ze dat ze vast werd gehouden door de broer van [verdachte] en door [verdachte] in haar buik geschopt werd. [verdachte] zou meerdere malen hard geschopt hebben. Hierop is zij weer flauwgevallen. Toen ze daarna weer wakker werd waren [verdachte] en zijn broer weg en is ze naar de buurman gegaan om hulp te zoeken. De vraag is in hoeverre geloof kan worden gehecht aan de mededelingen die aangeefster aan de politie en aan [betrokkene 2] heeft gedaan, en aan haar eigen verklaringen.

Met het oog hierop is aan de deskundige B. Schmand, klinisch neuropsycholoog, een aantal vragen voorgelegd, waarover hij in een schrijven van 21 april 2016 heeft gerapporteerd.

Anders dan de advocaat-generaal is de verdediging van mening dat, gelet op de bevindingen van de deskundige Schmand, de mededelingen en verklaringen van aangeefster en daarmee ook die van [betrokkene 2] niet tot bewijs kunnen dienen.

Het hof deelt dit standpunt van de verdediging niet.

Het hof stelt voorop dat naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van het rapport van deskundige Schmand geen bewijsbetekenis kan worden toegekend aan de door aangeefster in haar op 8 oktober 2015 en nadien afgelegde verklaringen aangeduide flashbacks met herinneringen aan door de verdachte gepleegde geweldshandelingen.

Voor de beoordeling of de verdachte zelf actief heeft deelgenomen aan de geweldshandelingen acht het hof, voor zover het de van aangeefster afkomstige informatie betreft, slechts van belang hetgeen aangeefster kort na het bewuste voorval heeft gezegd/verklaard, dus slechts hetgeen zij ‘s avonds tegen de verbalisanten ter plaatse en ‘s nachts tegen de verbalisanten in het ziekenhuis heeft gezegd, hetgeen zij die nacht tegen [betrokkene 2] heeft gezegd, en hetgeen zij in de twee dagen ema (25 en 26 juni 2014) heeft verklaard. Het hof merkt op dat door de verdediging niet is betwist dat aangeefster de door [betrokkene 2] gestelde mededelingen aan [betrokkene 2] heeft gedaan. Wel wordt de juistheid van deze mededelingen door de verdediging betwist.

De deskundige heeft op grond van de hem ter beschikking gestelde schriftelijke informatie geconcludeerd dat er mogelijk of waarschijnlijk bij aangeefster sprake is geweest van een PTA: een post-traumatische amnesie. Hierbij, aldus de deskundige, is sprake van anterograde amnesie, dat wil zeggen de situatie dat de patiënt niet goed nieuwe informatie in het geheugen kan opslaan. Bij traumatisch hersenletsel is ook vaak sprake van retrograde amnesie, dat wil zeggen verlies van herinneringen aan gebeurtenissen die aan het letsel voorafgingen.

Het hof begrijpt dat in beide van de zojuist genoemde gevallen er sprake is van een geheugen-manco: gebeurtenissen worden niet in het geheugen opgeslagen (anterograde amnesie) of de herinnering aan in het geheugen opgeslagen gebeurtenissen verdwijnt (retrograde amnesie). Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet, en dat kan ook niet uit het rapport van de deskundige worden afgeleid, dat geen enkele nieuwe gebeurtenis in het geheugen kan worden opgeslagen, noch dat alle herinneringen aan een of meer gebeurtenissen verdwijnen. Indien er, ondanks de mogelijke aanwezigheid van een PTA, sprake is van positieve herinneringen, eventueel beperkt in aantal en omvang, betekent dat dus nog niet dat deze herinneringen onwaar of onbetrouwbaar zijn. Dat wordt door de deskundige wel gesteld (“Met ‘positieve herinnering’ wordt bedoeld: de verklaring van het slachtoffer dat ze door beide mannen is mishandeld. Dit heeft ze gezegd tegen haar vriendin en tegen de politie, toen deze haar ‘s avonds laat in het ziekenhuis bezocht. Zoals boven uiteengezet, had ze toen waarschijnlijk PTA, dus het is de vraag of deze eerste verklaring helemaal correct is.”), maar die conclusie vindt naar het oordeel van het hof geen onderbouwing in het rapport. Naar het oordeel van het hof kunnen er bij een PTA dus wel stoornissen in het geheugen optreden (niet opslaan of verlies van opgeslagen herinneringen), maar betekent dat niet dat ten aanzien van datgene dat wel aan herinneringen wordt opgeslagen of opgeslagen blijft, vanwege de PTA moet worden getwijfeld aan het waarheidsgehalte ervan.

Voor de onderhavige zaak geldt dat de door aangeefster aan de politie en aan [betrokkene 2] gedane mededelingen/verklaringen allerlei elementen bevatten die elders bevestiging vinden en niet ter discussie staan: het is de verdachte geweest die bij haar geweest is met een andere haar onbekende man, de telefonische aankondiging van de verdachte dat hij zou komen met een broer/goede broeder om haar een paar meier te geven, dat zij een fles wodka meebrachten, dat er voetbal op de televisie was en dat er goederen (computer en sieraden) zijn meegenomen. Ook deze elementen heeft zij in de bewuste nacht naar voren gebracht en staan niet ter discussie. Waarom dan wel getwijfeld moet worden aan de voor de verdachte belastende elementen, is het hof niet duidelijk en wordt ook in het rapport niet duidelijk gemaakt. Daarbij komt dat het slachtoffer weliswaar buiten kennis is geweest, maar niet is vastgesteld dat deze situatie onafgebroken heeft geduurd en niet onderbroken is geweest door momenten waarop wel van enig bewustzijn sprake was.

De stelling van de deskundige dat in het algemeen herinneringen aan een traumatisch voorval niet, en zeker niet in enkele dagen, verdwijnen en dat een operatie onder algehele narcose en behandeling met opiaten niet een traumatische herinnering kunnen doen verdwijnen en dus niet kunnen verklaren waarom aangeefster tegenstrijdige mededelingen/verklaringen heeft afgelegd, overtuigt het hof niet. Of die algemeenheid in het onderhavige geval opgaat, is niet vastgesteld en kan ook niet worden vastgesteld. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof niet gesproken kan worden van tegenstrijdige mededelingen/verklaringen van aangeefster. Aangeefster heeft in het ziekenhuis tegen de politie en tegen [betrokkene 2] gesproken over ook door de verdachte gepleegde geweldshandelingen. Bij de verhoren van de dagen erna (25 en 26 juni 2014) is hier niet expliciet op teruggekomen, op een vraag in het laatste verhoor na (zie hiervoor). Aangeefster heeft toen over dit aspect niet meer verklaard. Dit kan, zoals overwogen, naar het oordeel van het hof niet worden geduid als een tegenstrijdigheid.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat er geen reden is om de mededelingen/verklaringen van aangeefster dat ook de verdachte geweldshandelingen heeft verricht, als onbetrouwbaar of onwaar terzijde te stellen. Een en ander kan dus voor het bewijs worden gebruikt.

Klachten over de bestreden beslissing

2. Het voorbijgaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is ontoereikend gemotiveerd en/of het gebruik als bewijsmiddel van de verklaringen van de aangeefster is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, op grond van de volgende omstandigheden.

Eerste klachtonderdeel

2.1.

Het hof is uitgegaan van een onbegrijpelijke uitleg van het (door de verdediging aangevoerde) deskundigenoordeel van prof. Schmand, althans is het ten onrechte voorbijgaan aan het standpunt, dat aangeefsters verklaringen wegens onbetrouwbaarheid door het bestaan van post-traumatische amnesie (PTA) moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering.

2.2.

Niet miskend heeft het hof dat bij retrograde amnesie sprake is van verlies van herinneringen aan gebeurtenissen die aan het letsel voorafgingen en dat bij anterograde amnesie gebeurtenissen niet in het geheugen worden opgeslagen, alsook dat deze vormen van amnesie er niet toe leiden dat geen enkele nieuwe gebeurtenis in het geheugen kan worden opgeslagen c.q. alle herinneringen aan een of meer gebeurtenissen verdwijnen. Echter onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat er geen reden is de voor het bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar of onwaar terzijde te stellen.

2.3.

Het hof heeft uitsluitend verklaringen van aangeefster voor het bewijs gebruikt die zij — aldus het hof — heeft afgelegd in een toestand waarin ‘mogelijk of waarschijnlijk’ bij haar sprake was van PTA.

2.4.

Het hof heeft in verband met het bestaan van PTA drie standpunten ingenomen:

a. het deskundigenoordeel, dat herinneringen die wel opgeslagen zijn bij aanwezigheid van PTA, onwaar of onbetrouwbaar zijn, is door de deskundige niet onderbouwd.

b. bij PTA kunnen wel stoornissen in het geheugen optreden in de vorm van het niet opslaan van of verlies van opgeslagen herinneringen, maar aan het waarheidsgehalte van herinneringen die wel zijn opgeslagen, moet niet worden getwijfeld vanwege het bestaan van PTA.

c. In het geval van aangeefster is er geen reden haar voor

het bewijs gebruikte verklaringen als onbetrouwbaar of onwaar terzijde te stellen, nu de door aangeefster aan de politie en aan [betrokkene 2] gedane

mededelingen/verklaringen allerlei elementen bevatten die elders bevestiging vinden en niet ter discussie staan.

2.5.

Bij de beoordeling van deze oordelen moet worden vooropgesteld dat volgens de deskundige de term (positieve) herinnering niet inhoudt dat hetgeen volgens die herinnering heeft plaatsgevonden daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.6. ’

s Hofs hierboven onder a. weergegeven oordeel is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, in het licht van het navolgende. Het oordeel van de deskundige, dat bij anterograde amnesie de patiënt niet goed nieuwe informatie in het geheugen kan opslaan, slaat op zichzelf reeds niet enkel op het onvermogen tot opslag, maar ook op de juistheid van de opslag c.q. van wat er is opgeslagen. Zo dat niet reeds op zichzelf uit deze stelling kan worden afgeleid, volgt dat uit het oordeel dat de deskundige heeft over de verklaring van aangeefster dat zij door zowel verzoeker als de andere man is mishandeld. Daarover stelt de deskundige immers (mijn curs. WHJ): ‘Zoals boven uiteengezet, had ze toen waarschijnlijk PTA, dus het is de vraag of deze eerste verklaring helemaal correct is.’ Daaruit blijkt uitdrukkelijk dat volgens de deskundige het bestaan van PTA de juistheid aantast van hetgeen is opgeslagen. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat het volgens de deskundige waarschijnlijk is dat aangeefster aan het eerste moment dat er geweld is gebruikt waarschijnlijk geen reële herinnering heeft en dat wat zij hier later over heeft verklaard waarschijnlijk is gebaseerd op conclusies die zij heeft getrokken.

2.7. ’

s Hofs oordeel als hierboven weergegeven onder b. is in het licht van hetgeen in de vorige paragraaf over zijn oordeel onder a. is gesteld eveneens onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft voorts in het licht van de overige — door de verdediging aangevoerde — oordelen van de deskundige niet kunnen concluderen dat een bij het bestaan van PTA wel opgeslagen herinnering betrouwbaar is.

2.8. ’

s Hofs oordeel als hierboven weergegeven onder c. is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, in het licht van het door de verdediging aangevoerde oordeel van de deskundige dat het waarschijnlijk is dat aangeefster aan het eerste moment dat er geweld is gebruikt waarschijnlijk geen reële herinnering heeft, gelet op de tijdelijke amnesie en dat wat zij hier later over heeft verklaard waarschijnlijk is gebaseerd op conclusies die zij heeft getrokken. Het hof heeft ter onderbouwing van het waarheidsgehalte van de verklaring van aangeefster over het geweld door verzoeker elementen genoemd die — aldus het hof — elders bevestiging vinden en niet ter discussie staan, welke echter door aangeefster zijn waargenomen voorafgaand aan het moment waarop het eerste geweld plaatsvond. Eén in dit verband door het hof genoemd element lijdt uitzondering, namelijk dat er goederen (computer en sieraden) zijn meegenomen. Echter het oordeel, dat ook dit element elders bevestiging vindt, is onbegrijpelijk: het hof heeft dit slechts kunnen afleiden uit aangeefsters verklaringen (rechtstreeks dan wel van horen zeggen). Daarmee bevat ’s hofs oordeel zelfs een nadere grond voor de juistheid van het deskundigenoordeel, te weten voor zover dit inhoudt dat aangeefster achteraf conclusies heeft getrokken.

2.9.

Gelet op al deze omstandigheden, op zichzelf beziend maar ook in onderling verband beschouwd, is ’s hofs arrest niet toereikend gemotiveerd.

Tweede klachtonderdeel

2.10.

Het hof heeft geoordeeld dat niet sprake is van tegenstrijdige verklaringen/mededelingen door de aangeefster.

2.11.

Het hof heeft bij dit oordeel betrokken zowel de door aangeefster zelf afgelegde verklaringen als de de auditu- verklaringen met als bron aangeefster.

2.12.

Aangeefsters ‘rechtstreeks’ afgelegde verklaringen luiden consequent dat uitsluitend ‘de andere man’ geweldshandelingen heeft gepleegd. Dit betrof, zo verklaart aangeefster, het tegen haar hoofd slaan en schoppen. Tegen de politie heeft aangeefster verklaard dat verzoeker haar geslagen heeft. Dit slaan is door haar niet nader gespecificeerd. Tegen [betrokkene 2] vertelt zij echter, behalve dat zij door de andere man tegen het hoofd werd geslagen, dat zij, terwijl zij werd vastgehouden door de andere man, door verzoeker tegen haar hoofd en hard in de buik is geschopt. Het betreft hier, kortom, een geheel ander scenario.

2.13. ’

s Hofs oordeel, dat het niet terugkomen op door verzoeker gepleegd geweld in aangeefsters ‘rechtstreekse’ verklaringen haar verklaringen niet tegenstrijdig maken, is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen op de eerste plaats het voornoemde geheel andere scenario en op de tweede plaats dat volgens het hof aangeefster over geweld, door verzoeker gepleegd, in het laatste verhoor een vraag is gesteld en zij toen ook toen niet over dit aspect heeft verklaard.

2.14.

Op de derde plaats dient hierbij in aanmerking te worden genomen dat het hof oordeelt niet overtuigd te zijn door de stelling van de deskundige dat in het algemeen herinneringen aan een traumatisch voorval niet, en zeker niet in enkele dagen, verdwijnen en dat een operatie onder algehele narcose en behandeling met opiaten niet een traumatische herinnering kunnen doen verdwijnen en dus niet kunnen verklaren waarom aangeefster tegenstrijdige mededelingen/verklaringen heeft afgelegd. Het hof heeft met deze wat ingewikkeld geformuleerde overweging kennelijk bedoeld te zeggen dat bij aangeefster sommige herinneringen aan het voorval zijn verdwenen, waarmee wordt verklaard dat zij niet is terugkomen op het eerder beweerde, door verzoeker gepleegde geweld. Dit oordeel heeft het hof echter niet nader onderbouwd, aangezien het daarbij slechts heeft opgemerkt: ‘Of die algemeenheid in het onderhavige geval opgaat, is niet vastgesteld en kan ook niet worden vastgesteld.’ Aldus oordelend heeft het hof het tegendeel, namelijk dat bij aangeefster herinneringen aan het traumatisch voorval niet waren verdwenen en dat derhalve het niet terugkomen door aangeefster op door verzoeker gepleegd geweld niet kan worden verklaard, ten onrechte in het midden gelaten.

2.15.

Gelet op deze omstandigheden is het arrest niet toereikend gemotiveerd.

Slotsom

3. Als gevolg van deze schending(en) van het recht en/of dit verzuim/deze verzuimen van vormvoorschriften dient cassatie te volgen.

Middel 3

De bestreden beslissing

1. Het hof heeft geoordeeld dat de lezing van verzoeker omtrent het gebeurde in de woning van aangeefster geen enkele bevestiging in het dossier vindt.

Voor de bestreden beslissing relevante onderdelen van het dossier

1.1.

De bewezenverklaring en de gebruikte bewijsmiddelen luiden zoals weergegeven in paragraaf 1.1 en 1.2 van middel 1.

1.2.

Het proces-verbaal van de zitting van 18 november 2015 houdt in — voor zover hier van belang - :

‘De voorzitter deelt mede dat uit het dossier niets blijkt van pijn of letsel. In het dossier bevindt zich alleen een brief van het LUMC, geen foto’s. Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte pas bij het laatste verhoor aangaf veel pijn te hebben.’

1.3. ’

s Hofs bewijsoverwegingen luiden, voor zover hier van belang:

‘De verdachte heeft gedurende de gehele fase van de eerste aanleg gezwegen en pas in de fase van het hoger beroep een verklaring afgelegd. Dat betekent niet dat die verklaring om die reden onwaar is, maar wel dat die verklaring behoedzaam moet worden beoordeeld. De verdachte heeft immers de mogelijkheid gehad om met de kennis van het gehele dossier zijn verklaring in overeenstemming te brengen met de bevindingen uit het dossier. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte moet niet alleen gekeken worden naar de inhoud van de verklaring zelf, maar moet ook gekeken worden of die verklaring elders in het dossier steun vindt.

Het verhaal van de verdachte komt er op neer dat hij samen met [betrokkene 3] , die hij op 23 juni 2014 ‘s middags op straat had ontmoet, naar aangeefster is gegaan om haar, op haar verzoek, wat cocaïne te brengen, voor welke cocaïne [betrokkene 3] zou zorgen. In de woning heeft [betrokkene 3] geheel onverwacht aangeefster tegen de grond geslagen (de verdachte hoorde een knal en zag daarna aangeefster op de grond liggen), en daarna de verdachte een harde klap op zijn kaak gegeven. Vervolgens heeft [betrokkene 3] de verdachte met een mes bedreigd, waarna de verdachte de woning is uitgevlucht. Thuis gekomen heeft de verdachte meteen zijn kleding uitgedaan en in de was gedaan, omdat die naar zijn zeggen naar de alcohol stonk.

Dat de verdachte de betreffende middag [betrokkene 3] heeft ontmoet en dat zij beiden uit een fles drank die de verdachte bij zich had hebben gedronken, wordt door [betrokkene 3] bevestigd (raadsheer- commissaris d.d. 16 november 2015). [betrokkene 3] heeft echter bestreden dat hij met de verdachte over aangeefster heeft gesproken en dat hij op de bewuste dag met de verdachte in de woning van aangeefster is geweest. Na hun ontmoeting op de bewuste middag is ieder zijn eigen weg gegaan. [betrokkene 3] heeft gesteld zich in de bewuste periode niet bezig te hebben gehouden met verdovende middelen, ook niet voor anderen.

Dat de achtergrond van het bezoek aan aangeefster de levering van verdovende middelen (cocaïne) was, wordt door aangeefster uitdrukkelijk ontkend. Zij heeft verklaard gedurende haar hele leven nog nooit dmgs te hebben gebruikt. Ook [betrokkene 3] heeft ontkend dat daarover gesproken is in het contact dat hij ‘s middags op 23 juni 2014 met de verdachte had.

Dat [betrokkene 3] de persoon is die met de verdachte bij aangeefster in de woning is geweest, vindt buiten de verklaring van de verdachte geen enkele bevestiging in het dossier. [betrokkene 3] ontkent het en aangeefster heeft [betrokkene 3] kort na het voorval niet herkend bij een fotoconfrontatie. De vingerafdruk van [betrokkene 3] op de in de woning van aangeefster aangetroffen fles is niet van betekenis, nu de verdachte heeft verklaard dat zowel hij als [betrokkene 3] ‘s middags uit deze fles heeft gedronken, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [betrokkene 3] dat zij bij hun ontmoeting ‘s middags beiden uit een fles drank hebben gedronken.

De verdachte heeft ter bevestiging van zijn verhaal gewezen op het kaakletsel waaraan hij veel later geopereerd is. Dat er een (kaak)operatie heeft plaatsgevonden, staat niet ter discussie. De vraag is echter, of het betreffende letsel afkomstig is van een klap tijdens de ontmoeting met aangeefster op de bewuste dag. In het bevestigende geval geeft dat steun aan de lezing van de verdachte.

De verdachte heeft verklaard (pagina 31 van het politieverhoor van 5 oktober 2015) dat hij meteen nadat hij na zijn arrestatie in de PI Zoetermeer was gekomen, aldaar bij de medische dienst geweest is, waarna hij naar het ziekenhuis is doorgestuurd voor controle en foto’s. Over dat bezoek aan de medische dienst en daarna aan het ziekenhuis heeft de verdediging geen enkele informatie overgelegd, waar dat, als het klopt, toch eenvoudig geweest zou moeten zijn. Slechts overgelegd is pagina 6/10 van de medische gegevens van de PI Zoetermeer. Deze beslaat de periode van 30 januari 2015 tot 8 juni 2015. Hierin is niets terug te vinden van een consult en een verwijzing kort na de aanhouding van de verdachte op 7 juli 2014. Ook zijn overgelegd brieven d.d. 7 september 2015 en 23 oktober 2015 van de kaakchirurgen (LUMC) Van Merkesteyn en Houppermans, waarin bevindingen omtrent het kaakletsel van de verdachte zijn beschreven. Vernield wordt dat het letsel afkomstig is van een klap die een jaar daarvoor op de linker kaak gegeven zou zijn. Het hof begrijpt dat dit laatste een mededeling van de verdachte is geweest, en niet een objectieve bevinding van de betreffende artsen.

Een en ander betekent dat de lezing van de verdachte dat zijn kaakletsel afkomstig is van een klap bij gelegenheid van zijn bezoek aan aangeefster op 23 juni 2014 niet ondersteund wordt door objectieve gegevens, zodat het ook mogelijk is dat dat letsel op een ander moment of bij een andere gelegenheid (in de periode voor de aanhouding van de verdachte of gedurende zijn detentie) is opgelopen. Het controleerbaar maken van de lezing van de verdachte omtrent het letsel ligt naar het oordeel van het hof zo voor de hand, dat betekenis moet worden toegekend aan het nalaten ervan in deze zin dat het een aanwijzing is voor de onjuistheid van de lezing van de verdachte omtrent het opgelopen letsel. In dit verband wijst het hof tevens op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2015 (dossierpagina 368) waarin gerelateerd wordt dat de verdachte in de tijd dat hij in het politiebureau verbleef en de keren dat hij uit de penitentiaire inrichting werd gelicht niet heeft aangegeven dat hij pijn of letsel aan zijn kaak had, dat geen aangezichtsletsel is waargenomen, noch een verkleuring of verdikking van het aangezicht, en dat de verdachte niet gevraagd heeft om een politiearts. Dit alles staat in schril contrast met de verklaring van de verdachte dat hij in zijn leven nog nooit zo’n harde klap had gehad en ongeveer een halve minuut knock-out is gegaan en dat in de PI is gebleken dat hij een gebroken kaakholte had (politieverklaring d.d. 5 oktober 2015 pagina’s 12 en 28).

Tenslotte wijst het hof op een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2015 (dossierpagina 276) waarin wordt gerelateerd dat de verdachte op 5 oktober 2015 op een vraag van een medewerker van de afdeling arrestantenzorg wat er met zijn gezicht aan de hand was (pleisters en koeling met een icepack), heeft geantwoord dat hij aan een kankergezwel was geopereerd. Ook dit roept vraagtekens op. Verder is er naar het oordeel van het hof nog een andere bedenking bij de waardering van de verklaring van de verdachte. Volgens de verdachte waren hij en aangeefster goed bevriend met elkaar. Naar zijn zeggen is er gedurende enige tijd zelfs sprake geweest van een relatie. Als de lezing van de verdachte moet worden gevolgd, dan betekent dat dat de verdachte heeft meegekregen dat zijn vriendin door de met hem meegekomen [betrokkene 3] tegen de grond is geslagen, en dat hij daarna is weggevlucht met achterlating van zijn vriendin bij een op dat moment zeer gewelddadig persoon (deze had niet alleen aangeefster maar ook de verdachte hard geslagen en met een mes bedreigd). Vervolgens heeft hij nagelaten hulpdiensten te waarschuwen, hetgeen hij eenvoudig, desnoods anoniem, had kunnen doen zonder naar de woning van aangeefster terug te keren. Ook daarna heeft hij zich niet om zijn vriendin bekommerd. Hij heeft er niet voor gezorgd dat hij met haar in contact kwam om te vragen hoe het met haar ging of om uit te leggen wat hij had gezien en ondervonden in haar woning op 23 juni 2014. Hij heeft pas (telefonisch) contact gehad met aangeefster op 6 november 2014, na de veroordeling in eerste aanleg op 31 oktober 2014.

Het hof acht deze opstelling van de verdachte onbegrijpelijk en in elk geval niet in redelijkheid te verklaren door een beweerdelijke bedreiging van hemzelf en/of zijn vriendin door [betrokkene 3] op 23 juni 2014. Die bedreigingen had hij meteen de kop kunnen indrukken door direct de politie in te schakelen en openheid van zaken te geven.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat de lezing van de verdachte omtrent het gebeurde in de woning van aangeefster geen enkele bevestiging in het dossier vindt en er alle reden is om aan die lezing geen geloof te hechten.

Conclusie

Het hof concludeert, onder verwijzing naar de mededelingen en verklaringen van aangeefster en de getuige [betrokkene 2] , dat de verdachte op de bewuste avond van 23 juni 2014 met een andere man (van wie niet vastgesteld kan worden dat het [betrokkene 3] was) bij aangeefster is geweest en dat aangeefster door deze beide personen ernstig mishandeld is en dat er goederen van aangeefster zijn weggenomen. Door beide personen is geweld tegen aangeefster gepleegd, hetgeen niet anders kan worden uitgelegd dan een nauwe en bewuste samenwerking, dus als medeplegen, zowel ten aanzien van het geweld als ten aanzien van de wegneming. Aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dient geen geloof te worden gehecht.’

1.4.

Verzoekers raadsman mr. M.M. Kuyp heeft onder meer betoogd:

‘61. Dat aangeefster zich wel het een en ander herinnert, maar dat details zich niet goed in haar geheugen hebben genesteld, volgt naar mening van de verdediging ook uit de herkenning van [betrokkene 3] .

62. Aangeefster kan geen duidelijk signalement van [betrokkene 3] geven, wanneer haar gevraagd wordt naar zijn signalement. Hij zou een turkenbaard hebben. Een ringbaardje, geen volle baard, Ongeveer 26 jaar. Hij had kort haar. Een beetje [verdachte] type, zelfde lengte. Aangeefster verklaart niets over de kleding die hij gedragen zou hebben.

63. Opmerkelijk is dat wanneer aangeefster meewerkt aan de meervoudige foto-confrontatie, dat zij de personen op de foto’s 1, 7 en 8 het meest vond lijken. De foto van [betrokkene 3] stond op plek 1. Hieraan verbindt de verdediging de conclusie dat aangeefster blijkbaar op een oppervlakkige herinnering bewaart aan de 23ste juni 2015 (bedoeld zal zijn: 2014, WHJ), maar dat specifieke details ontbreken.’

(..)

‘95. Cliënt verklaart een klap op zijn kaak te hebben gehad. Uit de medische verklaring van dhr. Houppermans en prof. dr. Merkesteyn volgt dat het geconstateerde letsel past bij de opgegeven verklaring van cliënt.

96. Dat Van Dalen op 7 juli 2014 geen letsel heeft waargenomen verwondert niet. Uitwendig was niet veel te zien. Cliënt heeft in de loop van 2015 last gekregen van zijn kaak, omdat, deze steeds regelmatiger uit de kom schoot en hij last kreeg tijdens het eten. De eerste notitie die bij de medische dienst in Zoetermeer bekend is over de klachten dateert van 24 april 2015 (zie bijlage: medische gegevens PI Zoetermeer, P 6/10).

97. Op 30 juni 2015 is cliënt gezien door een medisch specialist (bijlage: LUMC).’

Klachten over de bestreden beslissing

2. Dit oordeel is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, gelet op de volgende omstandigheden.

Eerste klachtonderdeel

2.1.

Verzoekers raadsman heeft aangevoerd — door het hof niet weersproken — dat aangeefster bij een zogeheten foslo de foto van [betrokkene 3] , samen met twee andere foto’s, het meest vond lijken op ‘de andere man.’

2.2.

Voorts bevond zich - aldus het hof - een vingerafdruk van [betrokkene 3] op de in de woning van aangeefster aangetroffen wodkafles. Daarover heeft het hof weliswaar geoordeeld dat die ook buiten de woning op de fles kan zijn terechtgekomen, doch in samenhang met de vagelijke herkenning door aangeefster van [betrokkene 3] als de andere man is reeds in dit licht onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat verzoekers lezing omtrent het gebeurde in de woning van aangeefster geen enkele bevestiging vindt in het dossier.

2.3.

Die onbegrijpelijkheid blijkt ook in het licht van het aangevoerde omtrent het kaakletsel van verzoeker. Weliswaar heeft het hof uit de brieven van de kaakchirurgen kunnen afleiden dat daarin een mededeling van verzoeker is vermeld, maar daarmee staat nog niet vast dat deze niet een objectieve bevinding van de betreffende artsen bevat. Immers oordeelden de chirurgen het kennelijk mogelijk dat het letsel afkomstig is van een klap die een jaar daarvoor op de linkerkaak gegeven zou zijn.

2.4.

Gelet op deze omstandigheden is het arrest niet toereikend gemotiveerd.

Tweede klachtonderdeel

2.5.

Het hof heeft bij zijn oordeel over de lezing van verzoeker betekenis toegekend aan het nalaten van het controleerbaar maken van de lezing van verzoeker omtrent diens kaakletsel. Dat controleerbaar maken ligt, aldus het hof, zo voor de hand, dat het nalaten ervan een aanwijzing is voor de onjuistheid van verzoekers lezing omtrent het opgelopen letsel.

2.6.

Het hof heeft niet op enig moment, in het bijzonder ook niet ter terechtzitting van 18 november 2015, waarop de voorzitter meedeelde dat uit het dossier niets blijkt van pijn of letsel en zich daarin alleen bevindt een brief van het LUMC en geen foto’s, aan verzoeker of diens raadsman gevraagd de lezing omtrent het kaakletsel (meer) controleerbaar te maken.

2.7.

Voor het hof is m het midden gebleven of überhaupt de mogelijkheid bestond tot het (meer) controleerbaar maken van de oorzaak van het door verzoeker opgelopen kaakletsel.

2.8.

Mede in het licht van het feit dat na de bespreking van het kaakletsel van verzoeker nog vijf zittingen hebben plaatsgevonden, maakt dat ’s hofs oordeel te dezen onbegrijpelijk.

2.9.

Althans is daarom het arrest niet toereikend gemotiveerd.

Slotsom

3. Als gevolg van deze schending(en) van het recht en/of dit verzuim/deze verzuimen van vormvoorschriften dient cassatie te volgen.

1. Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452. Vgl. ook HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704 en HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746.

2 Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458 en HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, zie hierover de noot A-G Knigge voor HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4834.

3 G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014, XVI.12.

4 G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, idem.

5 Conclusie voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:BQ8600.

6 N. Rozemond, noot onder HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329. Ook volgens A-G Hofstee kan, indien de andere bewijsgrond niet het kernverwijt bevestigt, dit binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven een rol van betekenis te spelen. Vgl. conclusie A-G Hofstee voor HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158.

7 Vgl. voor dit onderscheid de noot van A-G Vellinga voor HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4275.

8 Vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247 en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483.

9 Zie HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094; conclusie A-G Hofstee voor HR 12 november 2013, ECL1:NL:HR:2013:1158.

10 Vgl. conclusie A-G Spronken voor HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483.

11 Vgl. conclusie A-G Bleichrodt voor HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1094, zie ook de conclusie van A-G Knigge voor HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890 alsook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493.