Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:885

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
15/05681
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:337, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:8977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Vordering b.p. verhoogd na requisitoir e.a. Art. 51g.1 en 51g.3 Sv, art. 311.1 Sv. 2. Toegewezen bedrag vordering b.p. hoger dan bedrag in bewezenverklaring.

Ad 1. Uit art. 51g Sv volgt niet dat de tijdig in e.a. gevoegde b.p. de opgevoerde schadeposten gedurende de behandeling ttz. in e.a. niet meer mag wijzigen nadat de OvJ in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren. Wel brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat, in zo’n geval de procespartijen - als de aard en de omvang van die wijziging daartoe aanleiding geven - de mogelijkheid wordt geboden zich daaromtrent te beraden en een standpunt te bepalen.

Ad 2. De opvatting dat de verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij zich door het bewezenverklaarde misdrijf wederrechtelijk heeft toegeëigend, is in haar algemeenheid onjuist. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de b.p. geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Het Hof heeft o.m. geoordeeld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering, in verband waarmee het heeft overwogen dat verdachte een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de bankrekening van de b.p. naar de bankrekening van zijn eigen bedrijf. Oordeel Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51g
Wetboek van Strafvordering 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2017/33
RvdW 2017/602
NJ 2017/222
NBSTRAF 2017/226
SR-Updates.nl 2017-0229
PS-Updates.nl 2017-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 mei 2017

Strafkamer

nr. S 15/05681

ABO/SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 november 2015, nummer 21/000679-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Bewezenverklaring en beslissing op de vordering van de benadeelde partij VVE [A]

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 28 juli 2011 tot en met 5 juli 2012 te Culemborg en/of te Tilburg, telkens opzettelijk, in totaal € 22.700,-- dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Vereniging Van Eigenaren "[A]" en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van financieel bestuurder/beheerder/eigenaar van het bedrijf [B], telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 te Culemborg en/of te Tilburg, telkens opzettelijk, in totaal € 68.848,- dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Vereniging Van Eigenaren [a-straat] en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van financieel bestuurder/beheerder/eigenaar van het bedrijf [B], telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.

Het Hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij VVE [A] als volgt overwogen en beslist:

"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.700,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 22.700,- toegewezen dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit het bedrag is dat ten laste is gelegd en dat een hoger bedrag dan bewezen is verklaard niet toegewezen kan worden.

De verdediging heeft aangegeven dat zij dit standpunt deelt. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de oorspronkelijke vordering € 22.700,- bedroeg. Het onderzoek ter terechtzitting is nadat er gerekwireerd was en verweer was gevoerd, geschorst en aangehouden voor onbepaalde tijd. Bij voortzetting van het onderzoek op een latere datum heeft de benadeelde partij haar vordering vervolgens verhoogd. Volgens de verdediging is dit formeel niet mogelijk nu de benadeelde partij slechts ter zitting een vordering kan indienen, tot het moment waarop de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om zijn requisitoir te voeren.

Het hof overweegt over het eerste (door de advocaat-generaal en de verdediging aangevoerde) punt het volgende. De benadeelde partij kan vergoeding vorderen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit zoals dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring is omschreven. Dat in onderhavige zaak ten laste is gelegd en bewezen is verklaard dat verdachte een bedrag van € 22.700,- heeft verduisterd, sluit niet uit dat de benadeelde partij, als gevolg van dat strafbare feit, in werkelijkheid voor een hoger bedrag is benadeeld. In dit geval heeft de benadeelde partij haar vordering onderbouwd met rekeningafschriften, waaruit blijkt dat verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de rekening van de benadeelde partij naar de rekening van zijn eigen bedrijf. De verdachte heeft daarnaast, in eerste aanleg en in hoger beroep, de hoogte van dit bedrag niet betwist. Het hof is dan ook van oordeel, dat de benadeelde partij, als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, tot een bedrag van € 29.700,- schade heeft geleden.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat de benadeelde partij de vordering niet kon verhogen op de aangehouden zitting in eerste aanleg, overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 51g lid 3 van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich ter terechtzitting voegen, uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid wordt gesteld zijn requisitoir te beginnen. Dit houdt ook in dat degene die zich reeds vóór de terechtzitting heeft gevoegd, zich tevens nog kan voegen tijdens de terechtzitting, bijvoorbeeld om aan de eerdere voeging klevende gebreken te herstellen. In het onderhavige geval heeft de benadeelde partij, voordat de eerste zitting plaatsvond, een schriftelijke vordering ingediend. Deze vordering is op de eerste zitting toegelicht, waarna er door de officier van justitie requisitoir is gehouden en door de verdediging verweer is gevoerd. Daarna is de behandeling van de zaak aangehouden met het oog op gewenste verduidelijkingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Op de tweede zitting heeft de benadeelde partij VVE [A] de vordering gewijzigd, waarna er nogmaals is gerekwireerd en verweer is gevoerd.

De vraag of de benadeelde partij in deze situatie de vordering heeft kunnen wijzigen, beantwoordt het hof onder deze omstandigheden bevestigend. De officier van justitie en de verdediging zijn immers, nadat de gewijzigde vordering door de benadeelde partij was ingediend, opnieuw tot rekwireren en het voeren van verweer in de gelegenheid gesteld en konden zodoende reageren op de gewijzigde vordering. Naar het oordeel van het hof past deze uitleg ook bij het oordeel van de Hoge Raad dat het aangehaalde artikel dient ter verruiming van de voegingsmogelijkheden van slachtoffers en dat hier geen beperkende uitleg bij past (ECLI:NL:HR:2004:A01486, r.o. 5.7).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

(...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij VVE [A] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 29.700,- (negenentwintigduizend zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij VVE [A] in eerste aanleg haar vordering heeft kunnen wijzigen.

3.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 november 2014 houdt, voor zover hier van belang, in:

"De officier van justitie voert het woord voor zijn requisitoir en merkt hierbij op, zakelijk weergegeven:

(...)

De officier van justitie legt vervolgens zijn vordering aan de politierechter over.

De raadsman voert het woord ter verdediging, en voert daartoe aan:

(...)

De officier van justitie deelt mee:

(...)

De raadsman dupliceert en merkt nog op, zakelijk weergegeven:

(...)

De politierechter deelt mee:

lk ben van oordeel dat de zaak dient te worden aangehouden om de beide vorderingen van de benadeelde partijen helder te krijgen. Dit is wel belastend voor het strafproces, maar niet dermate dat er sprake is van een onevenredige belasting. Er is voor verdachte groot belang bij de strafzaak, maar dit geldt ook voor beide benadeelde partijen.

Ik houd de zaak voor bepaalde tijd aan, tot de terechtzitting van 9 februari 2015 te 11.30 uur. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dienen ruim voor genoemde zittingsdatum de vorderingen van de benadeelde partijen schriftelijk toe te lichten, met name omtrent de door de verdediging aangehaalde kruisposten en met betrekking tot het honorarium.

De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld om alsnog een reclasseringsrapport omtrent verdachte te laten opmaken."

3.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 9 februari 2015 houdt, voor zover hier van belang, in:

"De politierechter deelt mee dat de zaak inhoudelijk is behandeld op de zitting van 17 november 2014 en toen is aangehouden om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen hun vorderingen schriftelijk toe te lichten en de officier van justitie een reclasseringsrapport omtrent verdachte te laten opmaken.

(...)

De benadeelde partij [betrokkene 1], vertegenwoordiger van VVE [A], voert het woord:

Ik heb niets toe te voegen aan de ingediende stukken. De vordering is verhoogd tot een bedrag van € 29.700,-.

(...)

De officier van justitie voert het woord:

Ik wil het requisitoir dat ik ter zitting van 17 november 2014 hield aanpassen op basis van het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgemaakt.

(...)

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen verzoek ik u deze toe te wijzen.

De officier van justitie legt vervolgens de vordering aan de politierechter over.

De raadsman voert het woord ter verdediging en voert daartoe aan:

(...)

Met betrekking tot de vordering van VVE [A] overweeg ik het volgende.

Ik lees in de stukken dat er drie verenigingen van eigenaren zijn die alle drie vertegenwoordigd worden door [betrokkene 1]. Ik kan uit de vordering niet halen welke van de drie rechtspersonen de vordering heeft ingediend en welke specifieke schade door welke rechtspersoon is geleden. Ik ben van mening dat dit wel in rechte zou moeten worden vastgesteld. Op grond hiervan verzoek ik u de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering."

3.3.1.

Art. 51g, eerste en derde lid, Sv luidt als volgt:

"1. Bij de mededeling op grond van artikel 51a, derde lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier of een elektronische voorziening, als bedoeld in artikel 51a, vijfde lid.

3. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan."

3.3.2.

Art. 311, eerste lid, Sv luidt als volgt:

"Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt."

3.4.

Anders dan het middel betoogt, volgt uit art. 51g Sv niet dat degene die zich tijdig als benadeelde partij in eerste aanleg heeft gevoegd, de opgevoerde schadeposten gedurende de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg niet meer mag wijzigen nadat de Officier van Justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren. Wel brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat, indien de opgevoerde schadeposten worden gewijzigd nadat de Officier van Justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren, de procespartijen - als de aard en de omvang van die wijziging daartoe aanleiding geven - de mogelijkheid wordt geboden zich daaromtrent te beraden en een standpunt te bepalen.

3.5.

Het oordeel van het Hof dat "de benadeelde partij in deze situatie de vordering heeft kunnen wijzigen", nu "[d]e officier van justitie en de verdediging immers, nadat de gewijzigde vordering door de benadeelde partij was ingediend, opnieuw tot rekwireren en het voeren van verweer in de gelegenheid [zijn] gesteld en zodoende [konden] reageren op de gewijzigde vordering", geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.6.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij VVE [A] ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft toegewezen voor zover deze het in de bewezenverklaring genoemde bedrag van € 22.700,- te boven gaat.

4.2.

Het middel berust op de opvatting dat de verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij zich door het bewezenverklaarde misdrijf wederrechtelijk heeft toegeëigend. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256). Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering, in verband waarmee het heeft overwogen dat de verdachte een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de bankrekening van de benadeelde partij naar de bankrekening van zijn eigen bedrijf.

4.3.

Het middel faalt.

5 Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2017.