Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:878

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/04832
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1741, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/04832 J

DFL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 april 2015, nummer 20/003770-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.F.A.M. Collart, advocaat te Helmond, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017.

Met betrekking tot bedoeld arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wordt namens rekwirant het volgende middel van cassatie voorgesteld:

MIDDEL:

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich brengt.

In het bijzonder zijn de artikelen 302 Sr en 358, 359 en 415 Sv geschonden, omdat het Gerechtshof ten onrechte de primair tenlastegelegde zware mishandeling bewezenverklaard heeft door het verweer dat de opzet daartoe bij hem heeft ontbroken te verwerpen althans dit heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans de bewezenverklaring hiervan onvoldoende is gemotiveerd.

TOELICHTING:

Dit middel ziet op de bewezenverklaring van het eerste primair tenlastegelegde feit.

Blijkens "de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” in het arrest van 29 april 2015 van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, heeft het Hof (na een daartoe strekkend verweer zijdens rekwirant) geoordeeld, anders dan de verdediging, dat door de handelwijze van rekwirant een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hij zich hier ook van bewust moet zijn geweest. Zo stelt het Hof namelijk dat hij deze kans bewust aanvaard heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan. Dat het slachtoffer zich omgedraaid heeft is niet een omstandigheid die daarbij niet te voorzien was. Ook daarmee had rekwirant rekening kunnen houden en moeten houden. Om die reden komt het Hof tot het oordeel dat rekwirant met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.

Het Hof gaat bij het vorenstaande uit van de volgende vaststaande feiten:

Allereerst dat rekwirant uit het niets een hoge trap heeft gegeven in de richting van de schouder van het slachtoffer.

Dat deze trap wordt omschreven door getuigen als een voetbaltrap en een flinke karatetrap. Dat het slachtoffer stilstond op het moment dat rekwirant zijn trap inzette, maar dat het slachtoffer zich omdraaide tijdens de actie van rekwirant.

Dat het resultaat was dat hij het gezicht van het slachtoffer heeft geraakt waardoor hij een dubbelzijdige breuk van de onderkaak heeft opgelopen.

Op grond van deze vaststaande feiten waarbij het Hof derhalve uitgaat van het feit dat rekwirant een trap geeft in de richting van de schouder van het op dat moment stilstaande slachtoffer, is er volgens rekwirant onterecht door het Hof vanuit gegaan dat hij onder die omstandigheid bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hem in plaats van op zijn schouder op zijn kaak zou raken. Dat zijn voet de kaak van het slachtoffer raakte, was niet wat rekwirant voor ogen had, nu het immers de bedoeling was om de schouder te raken in welke richting zijn voet ook daadwerkelijk bewoog. De enige reden dat hij desondanks niet zijn schouder raakte maar zijn kaak, is gelegen in het feit dat het slachtoffer tijdens de trap zich omdraaide.

Waaruit volgt dat dit omdraaien door het slachtoffer op dat specifieke moment nu voor rekwirant te voorzien was, zoals het Hof stelt, is niet gebleken. Nogmaals het slachtoffer stond stil op het moment dat rekwirant een trap maakte richting zijn schouder. Dat iemand zich op enig moment weer gaat bewegen is evident, maar waarom dat juist op het moment van de trap nog te verwachten was, blijkt uit geen enkel bewijsmiddel. De enkele motivering van het Hof dat het voorzienbaar was, omdat hij er rekening mee had kunnen en moeten houden dat het slachtoffer zich zou gaan omdraaien, is dan ook ontoereikend om als bewijs voor het voorwaardelijk opzet te kunnen dienen. Dit zou anders zijn geweest als het slachtoffer juist niet stilstond, omdat rekwirant dan wel zich bloot zou hebben gesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer op een andere plek dan de schouder zou raken, zoals in zijn gezicht. Hetzelfde zou gelden in geval rekwirant of iemand anders het slachtoffer zou hebben aangeroepen dan wel zou hebben aangesproken dan wel er iets werd geroepen of hoorbaar voor het slachtoffer werd gezegd direct voorafgaande aan de trap, in welk geval het omdraaien door het slachtoffer in de richting van het geluid dan wel voorzienbaar had kunnen zijn geweest als reactie daarop. Maar ook hiervan is niets gebleken kijkend naar de bewijsmiddelen. Bovendien is relevant om op te merken dat slachtoffer en rekwirant toen vrienden waren en er derhalve ook geen sprake was van ruzie tussen beiden waardoor er vanuit die omstandigheid evenmin een beweging te verwachten van het slachtoffer richting rekwirant wat het raken van het slachtoffer in zijn gezicht in plaats van zijn schouder voorzienbaar had gemaakt.

Nu er derhalve uit geen enkel bewijsmiddel blijkt waarom rekwirant juist op het moment van de trap rekening moest houden met het omdraaien door het slachtoffer heeft het Hof derhalve onterecht het verweer hiertegen verworpen, althans heeft het Gerechtshof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans daarbij een onjuiste maatstaf aangelegd, althans is de motivering ervan ondeugdelijk en/of onbegrijpelijk.