Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:875

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/04792
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:5627, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/04792

DFL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2015, nummer 20/000273-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017.

SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE

MIDDEL I

1. Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name is geschonden artikel 6 lid 1 EVRM, doordat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

2. Toelichting

2.1

Onder overschrijding van de redelijke termijn dient mede begrepen te worden de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Op grond van het bepaalde in HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, is de inzendingstermijn in dit geval acht maanden.

2.2

Verzoeker heeft op 29 januari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn eerst op 23 september 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot strafvermindering moet leiden.

MIDDEL II

1. Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 359 lid 3 j° 415 Sv, doordat het Hof zijn oordeel, dat "uit het feitelijk handelen" van verzoeker blijkt dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, niet, dan wel onvoldoende, heeft gemotiveerd.

2. Toelichting

2.1

Ten laste van verzoeker heeft het Hof bewezenverklaard dat hij

"(...) op 2 maart 2012 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] (politieambtenaar) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een door hem, verdachte bestuurde personenauto (Audi A4 [AA-00-BB]) met een aanzienlijke snelheid (deels rijdende op het trottoir) op [verbalisant 1] is afgereden, die zich op dat moment (te voet) op het trottoir bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

2.2

Door het hof zijn de volgende bewijsmiddelen gebruikt (blz. 3-8. van het arrest):

"1. Een ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 3 maart 2012, (...) in houdende als aangifte van [verbalisant 1]:

(...)

Kort hierna stond ik op het voetpad (...). Plotseling hoorde ik dat collega's hard mijn naam schreeuwden. (...) Op dat moment keek ik om, en zag dat er vanuit de richting van Heesch een personenauto op mij af kwam gereden, over het voetpad. Ik schat dat de snelheid waarmee hij mij naderde ongeveer 40 of 50 kilometer per uur bedroeg. Op dat moment was deze auto ongeveer 25 meter van mij verwijderd. (...)

Toen ik zag dat hij daadwerkelijk in mijn richting kwam, sprong ik weg. Op dat moment was de afstand tussen mij en de auto nog ongeveer tien meter. Ik zag dat de auto mij passeerde. Tussen mij en de auto was op dat moment een afstand van maximaal 40 centimeter. Als ik niet was weggesprongen, was ik door deze auto geraakt. (...)

2. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2012, (...) opgemaakt door [verbalisant 2], inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

(...)

Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat de Audi A4 met hogere snelheid over het trottoir reed. (...) Ik (...) zag dat de auto geen vaart minderde.

Ik (...) zag dat verbalisant [verbalisant 1] nog op het trottoir stond. Ik (...) zag dat verbalisant [verbalisant 1] niet zag dat de auto zich met hogere snelheid op het trottoir in de richting van verbalisant [verbalisant 1] begaf. Ik (...) heb verbalisant [verbalisant 1] geroepen omdat verbalisant [verbalisant 1] zeker zou zijn aangereden door de Audi A4 als ik hem niet zou hebben gewaarschuwd.

Ik (...) zag dat verbalisant [verbalisant 1] nog net op zij kon springen. Ik (...) zag dat de Audi A4 op ongeveer 10 meter verwijderd was van verbalisant [verbalisant 1]. Ik (...) zag dat de afstand tussen verbalisant [verbalisant 1] en de auto, op het moment van passeren, niet meer betrof dan ongeveer 40 centimeter nadat verbalisant [verbalisant 1] een zijdelingse verplaatsing had gemaakt van ongeveer 1 meter. (...)

3. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2012, (...) opgemaakt door [verbalisant 3] (...), inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op de Hescheweg zag ik (...) dat collega [verbalisant 1], op het trottoir, gescheiden door een groenstrook van de rijbaan, aan de overkant van de weg stond (...).

Op een gegeven moment hoorde ik (...) een auto met piepende banden en met hoge snelheid wegrijden. (...) Ik zag dat deze auto met hoge snelheid richting mijn collega [verbalisant 1] (...) reed (...).

Ik zag dat de donkerkleurige Audi met kenteken [AA-00-BB], geen beweging maakte waar uit op te maken kon zijn dat collega [verbalisant 1] ontweken zou worden. (...) Ik weet zeker dat collega [verbalisant 1] aangereden zou zijn indien hij niet opzij was gesprongen.

4. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 2 maart 2012 (...), opgemaakt door [verbalisant 4] (...) inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

(...)

Ik zag dat mijn collega [verbalisant 1] een springende beweging maakte om de personenauto te ontwijken. (...) Ik weet zeker dat als mijn collega niet was weggesprongen, hij zeker geraakt zou zijn door de personenauto.

5. Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 4 maart 2012, (...) inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:

(...)

[verdachte] moest zijn auto keren omdat hij niet rechtdoor weg kon want verderop was de weg geblokkeerd door politieagenten. [verdachte] reed dus over de groenstrook en trottoir weg in de richting van de Joannes Zwijsenstraat Dat was de enige manier om snel weg te komen. Ik zag toen [verdachte] net gedraaid was en met zijn voorzijde in die richting reed van de Joannes Zwijsenstraat, een politieagent met een gele jas voor de auto. Dat was op een afstand van circa 10 meter. Het was donker maar ik denk wel dat [verdachte] die agent ook gezien heeft. Wij reden rechts voorbij die agent, dus hij stond aan mijn zijde, de rechterzijde van de auto. Nadat [verdachte] die agent was gepasseerd is hij weer de rijbaan opgereden.

6. Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 maart 2012, (...) inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

Ik kon niet wegrijden in de richting waarin mijn auto stond omdat daar allemaal mensen stonden op de kruising met de Mondriaanlaan. Ik moest dus de andere kant op. Ik reed weg en gooide mijn auto om. Ik reed stevig weg, ik was bang voor mijn auto en voor mijn eigen. Ze trekken je zo de auto uit. Ik reed weg en mijn rechter voorportier werd opengetrokken. Ik hoorde mijn naam roepen. Ik had net een paar meter gereden. Ik remde af en zag dat een jongen in mijn auto sprong. Ik hoorde aan zijn stem dat het een dat het een collega van mij was. (...) Het was [getuige] (...). Ik ben direct doorgereden en heb via de groenstrook en over het trottoir mijn auto gedraaid. Dat was ook de enige mogelijkheid. Toen ik dat deed zag ik wel allemaal mensen rond mijn auto.

Toen ik rond gedraaid was zag ik ongeveer 30 tot 40 meter voor mijn auto een politieagent. (...) Ik zag op ongeveer 20 meter dat die politieagent voor mijn auto kwam. Ik reed toen over de stoep en het gras. (...) Die politieagent sprong aan de kant. Als die politie was blijven staan dan had ik moeten stoppen maar ik kon er nu langs. (...)" (onderstrepingen MV).

2.3

Onder "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" heeft het Hof (blz. 9- 10 van het arrest) het volgende overwogen:

"Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast:

(...)

- [ dat] de verdachte tijdens het rijden aangever [verbalisant 1] op het trottoir heeft zien staan;

- [ dat] verdachte met onverminderde snelheid, aldus zonder te remmen, op [verbalisant 1] is afgereden;

- [ dat] verdachte niet heeft getoeterd, noch anderszins [verbalisant 1] heeft gealarmeerd dat hij, verdachte, met een auto op [verbalisant 1] af kwam rijden;

- waardoor [verbalisant 1], die was gealarmeerd door zijn collega's en - die toen hij zag dat verdachte op hem af kwam rijden [zich] op ongeveer tien meter afstand van de auto van de verdachte bevond - opzij moest springen om een aanrijding te voorkomen.

Het hof overweegt nog dat op het moment dat [verbalisant 1] wegsprong, de auto ongeveer 10 meter van hem vandaan was, blijkens de verklaring van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [getuige]. Als verdachte toen reed met een snelheid van 30 km/h (dat is de laagste snelheid die in de verklaringen wordt genoemd), dan volgt uit een berekening dat verdachte met een snelheid van 8 meter per seconde reed en dat hij de afstand van 10 meter in iets meer dan een seconde zou afleggen.

De kans dat verdachte met zijn auto [verbalisant 1] zou raken was aanmerkelijk en de kans dat door een aanrijding tussen deze auto, die met die snelheid reed, en deze voetganger zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan ook. De verdachte heeft die kans willens en wetens aanvaard, zoals blijkt uit zijn feitelijk handelen. Hij heeft in voorwaardelijke zin opzet (...) gehad op het toebrangen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1]".

2.4

Op 8 januari 2014, ter zitting in eerste aanleg, heeft verzoeker het volgende verklaard (PV blz. 2-3):

"Nadat ik in mijn auto stapte, keerde ik mijn auto en reed ik weg over de stoep. Dit deed ik om mijn auto en mijzelf te beschermen. (...)

Ik ben op de weg met mijn auto gekeerd maar haalde de draai niet, toen kwam ik over de strook/het trottoir en stond die agent daar. Op dat moment zag ik niet dat het een agent betrof, het ging allemaal zo snel. Er liepen veel personen rond in hesjes. Ik zag die agent pas op het allerlaatste moment en moest voor hem uitwijken. (...)

Tijdens het maken van de draai kwam ik op het trottoir terecht. Je kunt daar twee kanten op rijden. Ik reed die kant op omdat zich aan de andere kant supporters bevonden en het mij niet verstandig leek om in de richting van de mensn die daar stonden te rijden. Toen ik mijn auto keerde en wegreed, was er op het trottoir niemand te zien. Tijdens het keren/rijden heb ik de lichten van mijn auto aangezet. Toen ik keerde, sprong [getuige] in mijn auto. Toen ik wegreed, zag ik niemand staan, pas op het laatste moment zag ik dat er iemand voor mijn auto kwam. (...)

De voorzitter vraagt aan mij of ik iemand opzij heb zien springen voor mijn auto. Ik durf dat echt niet meer te zeggen. Er kwam iemand aan en ik ben toen uitgeweken met mijn auto. Ik weet niet meer hoe hard ik reed. Destijds, op het politiebureau, heb ik ook maar gegokt hoe hard ik reed. Hoe kun je met hoge snelheid wegrijden als je draait en hoe had [getuige] dan het portier kunnen opentrekken. Ik heb niet gemerkt dat een agent met een stok op mijn auto heeft geslagen. Ik ben met mijn auto naar rechts uitgeweken omdat ik iemand zag lopen. Ik week uit voor de zekerheid. Je rijdt niet op iemand af. (...)

Ik passeerde de agent via de bestuurderskant, ik kon gewoon langs hem heen. Ik reed over het trottoir om uit de problemen te geraken niet om problemen te veroorzaken. (...)

De jongste rechter vraagt aan mij wat de afstand betrof tussen mijn auto en de agent. Ik weet dat niet meer. Het ligt eraan hoe die agent heeft gesprongen. Ik kon er in ieder geval langs met mijn auto en ik ben daarenboven ook nog eens uitgeweken met mijn auto, er moet dus een flink gat tussen hebben gezeten. Als die agent was blijven staan, had er zeker een meter tussen gezeten" (onderstrepingen MV).

2.5

Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat verzoeker, die kennelijk wilde ontkomen aan een oproerige menigte voetbalsupporters die zijn auto (en wellicht hemzelf) dreigde te maltraiteren, zijn auto gekeerd heeft, waarbij hij op het trottoir en de daaraan grenzende groenstrook (gras) terecht is gekomen. Na deze draai reed verzoeker door, deels de groenstrook volgend (en dus niet geheel op het trottoir rijdend).

2.6

Getuige [getuige] heeft verklaard dat "(...) toen [verdachte] net gedraaid was" (en dus nog niet bijzonder hard kan hebben gereden) een agent zich op ongeveer tien meter voor de auto bevond. Verzoeker schat deze afstand in op twintig meter. Uit de verklaring van aangever [verbalisant 1] (evenals uit de processen-verbaal van zijn collega's) blijkt dat aangever zich op het trottoir (dus niet op de groenstrook) bevond.

2.7

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verzoeker verklaard dat hij "voor de zekerheid" uitgeweken is. Verbalisant [verbalisant 3] (bewijsmiddel 3) heeft weliswaar verklaard dat de auto van verzoeker "(...) geen beweging maakte waar uit op te maken kon zijn dat collega [verbalisant 1] ontweken zou worden", maar [verbalisant 3] bevond zich aan de overkant van de straat, en had dus slechts zijdelings zicht op de auto van verzoeker. Door deze zijdelingse blik was het voor [verbalisant 3] moeilijk(er) om een eveneens zijdelingse verplaatsing (uitwijken) van de auto waar te nemen.

2.8

Hoe dit ook zij: uit de op 3 maart 2012 door verzoeker afgelegde verklaring volgt dat hij de agent zag wegspringen (bewijsmiddel 6). Het was dus niet zo dat verzoeker alleen maar "aannam" of incalculeerde dat de agent zou wegspringen en het wel goed zou aflopen. Verzoeker reageerde op het waargenomen handelen van aangever [verbalisant 1]. Dat wordt bevestigd door de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 6) "Als die politie was blijven staan dan had ik moeten stoppen maar ik kon er nu langs".

2.9

Uit de door het Hof in aanmerking genomen gedragingen van verzoeker (het doorrijden, al dan niet met onverminderde snelheid) kan derhalve niet zonder meer worden afgeleid dat verzoeker willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

2.10

Dat verzoeker buitengewoon lomp en gevaarlijk verkeersgedrag heeft vertoond behoeft geen betoog, maar voorwaardelijk opzet is niet hetzelfde als het opzettelijk nemen van onverantwoorde risico's. Gevaarlijk verkeersgedrag levert alleen in zeer uitzonderlijke gevallen roekeloosheid op. Hetzelfde geldt dan in nog sterkere mate ten aanzien van voorwaardelijk opzet.(1)

2.11

Gelet op het voorgaande had het Hof zijn oordeel, dat "uit het feitelijk handelen" van verzoeker blijkt dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, nader dienen te motiveren. Nu dat is nagelaten, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

2.12

Het arrest kan niet in stand blijven.

1 Zie ECU:NL:PHR:2014:2548, de Conclusie AG mr. Knigge voor HR 27 januari 2015, ECU:NL:HR:2015:132.