Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:838

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
16/04460
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:326, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontzegging rijbevoegdheid (OBM) bij onbekend gebleven bestuurder. Art. 181 WVW 1994. Art. 62 jo. 92 RVV 1990. De bijkomende straf van OBM kan ook aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig worden opgelegd, indien deze wordt veroordeeld t.z.v. overtreding van art. 62 RVV 1990, terwijl het feit is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC9414). Middel berust kennelijk op opvatting dat OBM t.z.v. zo’n overtreding niet zonder nadere motivering m.b.t. de verwijtbaarheid van de eigenaar of houder van een motorvoertuig aan deze kan worden opgelegd. Aldus stelt het een eis die het recht niet kent.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 177
Wegenverkeerswet 1994 178
Wegenverkeerswet 1994 181
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 62
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 92
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2017/39
VR 2017/114
NJB 2017/1132
RvdW 2017/573
NJ 2017/210
NBSTRAF 2017/206
SR-Updates.nl 2017-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 mei 2017

Strafkamer

nr. S 16/04460

EC/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 september 2015, nummer 20/003576-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen heeft ontzegd zonder de bijzondere redenen met betrekking tot de verwijtbaarheid van de eigenaar of houder op te geven die tot de oplegging van die bijkomende straf hebben geleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-AA] , op 19 november 2013 te Valkenburg op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, A79, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 181 kilometer per uur, terwijl verdachte toen eigenaar, als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was."

2.2.2.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "overtreding van het bepaalde in art. 62 juncto bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" (hierna: RVV 1990) en de verdachte in verband daarmee onder meer voor de duur van twee maanden de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een geldboete van EUR 860,- subsidiair 17 dagen hechtenis passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor de duur van 2 maanden aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen."

2.2.3.

De relevante wettelijke bepalingen luiden als volgt:

- art. 177 WVW 1994:

"1. Overtreding van:

(...)

d. het bepaalde krachtens deze wet, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie."

- art. 178, tweede lid, WVW 1994:

"De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen."

- art. 181 WVW 1994:

"1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.

2. Het eerste lid geldt bij een strafbeschikking niet, indien de eigenaar of houder:

a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt,

b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Het eerste lid geldt bij berechting niet, indien de eigenaar of houder:

a. binnen twee weken na daartoe door een der in artikel 159 bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel bij het instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de naam en het volledige adres van de bestuurder heeft bekend gemaakt;

b. uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend maakt;

c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging, bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;

d. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

4. Op straffe van nietigheid wijst de dagvaarding op het derde lid, onderdelen b en c. De strafbeschikking wijst de verdachte op de mogelijkheid bij het instellen van verzet gegevens te verstrekken die tot toepassing van het derde lid, onderdeel a of d, kunnen leiden."

- art. 62 RVV 1990:

"Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden."

Verkeersborden zijn, evenals verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek verkeerstekens. Bijlage 1 bij het RVV heeft betrekking op verkeersborden. Bord A1 is het bord dat de maximumsnelheid aangeeft.

- art. 92 RVV 1990:

"1. Overtreding van de artikelen (...), 62, (...) is een strafbaar feit.

2. Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd."

2.3.1.

De bewezenverklaarde overtreding van art. 62 RVV 1990 is ingevolge art. 92 RVV 1990 een strafbaar feit ten aanzien waarvan aan de bestuurder van een motorvoertuig de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen kan worden ontzegd. Op grond van art. 181 WVW 1994 kan die bijkomende straf aan de eigenaar of houder van dat motorvoertuig worden opgelegd, indien deze wordt veroordeeld ter zake van een dergelijke overtreding, terwijl het feit is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder (vgl. HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9414, NJ 2008/252).

2.3.2.

Het middel berust kennelijk op de opvatting dat een ontzegging van de rijbevoegdheid ter zake van zo een overtreding niet zonder nadere motivering met betrekking tot de verwijtbaarheid van de eigenaar of houder van een motorvoertuig aan deze kan worden opgelegd. Aldus stelt het een eis die het recht niet kent.

2.3.3.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 860,-, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2017.