Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:807

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02694
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:10663, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02694

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 mei 2016, nummer 21/001336-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

Geeft eerbiedig te kennen :

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954, te dezer zake domicilie kiezende te 1075 HH Amsterdam aan de De Lairessestraat 121, ten kantore van zijn advocaat Mr. P.H.L.M. Souren, die verklaart door verzoeker tot cassatie bepaaldelijk te zijn gemachtigd tot indiening en ondertekening van deze cassatieschriftuur.

Verzoeker van cassatie, van het hem betreffende arrest van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 18 mei 2016, parketnummer 21/001336-15, wenst het navolgende middel van cassatie voor te dragen:

MIDDEL II

Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359, lid 2 en 415 Sv. geschonden, doordat het gerechtshof tot een bewezenverklaring van het aan verzoeker subsidiair ten laste gelegde feit is gekomen, terwijl deze bewezenverklaring niet kan volgen uit de bewijsmiddelen en bewijsoverweging. Met name het opzet kan niet uit de bewijsmiddelen en bewijsoverweging volgen.

Tevens bevat het arrest van het hof ten onrechte niet de redenen die ertoe hebben geleid dat de beslissing van het gerechtshof afwijkt van een uitdrukkelijk door de verdediging onderbouwd standpunt, inhoudende dat het opzet niet bewezen kan worden.

Toelichting :

1. Het gerechtshof is gekomen tot de navolgende bewezenverklaring en heeft de navolgende bewijsoverweging en bewijsmiddelen gebruikt :

[…]

2. Het enkele feit dat een belastingaangifte “onjuist of onvolledig” is gedaan, levert op zichzelf nog geen strafbare overtreding van art. 69, tweede lid, AWR op. Een dergelijke aangifte moet ingevolge deze bepaling immers “opzettelijk” zijn gedaan. Onder dit bestanddeel is het voorwaardelijk opzet begrepen. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard, aldus 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 (HIV- 1 arrest) m.nt. Buruma. Voor toepassing van art. 69, tweede lid, AWR kunnen naast de aangifte zelf ook administratie of andere schriftelijke stukken relevant zijn.

De vraag is op welk gevolg de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan gericht moeten zijn in het kader van het voorwaardelijk opzet. Om meer dan het willens en wetens (of welbewust) aanvaarden van een aanmerkelijke kans dat de belastingaangifte onjuist of onvolledig is gedaan, gaat het hier niet.. Blijkens het bepaalde in art. 69, tweede lid, AWR dient het (voorwaardelijk) opzet te zijn gericht op de materiële gedraging van het onjuist of onvolledig doen van de bij de belastingwet voorziene aangifte. Wat als gevolg daarvan zou kunnen dienen, is verwoord in de zinsnede “indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, maar dit zogenoemde strekkingvereiste is geobjectiveerd en dus onttrokken aan de reikwijdte of het toepassingsbereik van het (voorwaardelijk) opzet.

Dat het strekkingsvereiste ten opzichte van het (voorwaardelijk) opzet is geobjectiveerd, heeft met name bewijstechnische betekenis: de feitenrechter hoeft zich geen oordeel te vormen over het bewijs omtrent de relatie tussen het (voorwaardelijk) opzet en het strekkingsvereiste, en dus evenmin over de selectie en de waardering van de bewijsmiddelen aangaande het opzet.

Voor de bewijsrechtelijke beantwoording van de vraag of de gestelde gedraging ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven is beslissend of de verweten gedraging - zoals het niet (tijdig) doen van de vereiste aangifte - “naar haar aard in het algemeen geschikt is om een te lage belastingheffing teweeg te brengen”, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493 (rov. 3.6).

Het voorgaande neemt niet weg dat Uw Raad aan het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet in de zin van art. 69, tweede lid, AWR wel degelijk motiveringseisen stelt. Zo overweegt Uw Raad in het arrest van 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5 810 het volgende :

“Het staat aan de rechter die over de feiten oordeelt vrij daarbij betekenis toe te kennen aan een zich later voordoende omstandigheid, in dit geval het aan de fiscus overleggen van een accountantsrapport waaruit blijkt dat "door verdachte over 1998 nog een bedrag van fl. 38.024,- aan omzetbelasting diende te worden voldaan". Immers, het enkele feit dat een aangifte - naar later door de verdachte wordt erkend - onjuist of onvolledig is, brengt nog niet mee dat de verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad. Het in het middel bedoelde strekkingsvereiste maakt dit niet anders. Voor het overige berust het oordeel van het Hof op de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal.”

Zie de conclusie van Advocaat - Generaal Hofstee vóór Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:20145:2838.

In de onderhavige zaak is ook sprake van zich later voordoende omstandigheden waaraan het hof betekenis had behoren toe te kennen bij zijn oordeel dat verzoeker opzettelijk heeft gehandeld, namelijk het aan de fiscus overleggen van de jaarstukken over de in de tenlastelegging genoemde jaren en het feit dat verzoeker tijdens een gesprek op 13 mei 2011 aan de fiscus uitleg heeft gegeven over de administratie en de jaarstukken.

Door deze omstandigheden niet in zijn oordeel te betrekken heeft het gerechtshof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het opzet in relatie tot artikel 69 AWR. Zonder nadere motivering - welke ontbreekt - is het oordeel van het hof evenmin begrijpelijk.

6. Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht over het opzet, (punten 3, 4, 5 en 10 van de pleitnotitie in hoger beroep) kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet zonder meer blijken uit de bewijsvoering. Dit verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Vgl. Hoge Raad, 2 februari 2016; ECLI:NL:HR:2016:174.

Belang verzoeker bij cassatie en een nieuwe behandeling in hoger beroep

1. Voor zover dat niet al evident is, wenst verzoeker op te merken dat hij belang heeft bij cassatie en een nieuwe behandeling in hoger beroep, omdat het gerechtshof ten onrechte is gekomen tot een bewezenverklaring.