Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:806

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02544
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:10191, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02544

AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2015, nummer 21/006146-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

Cassatieschriftuur Inzake:

[verdachte],

verdachte,

Inleiding

Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem d.d. 9 juni 2015, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.

In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

Middelen van cassatie

Als gronden van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:

MIDDEL I

Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 14 IVBPR, 6 EVRM, alsmede 315, 415, 588a Sv, en wel om het navolgende:

Ten onrechte heeft het hof verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en/of de behandeling van het hoger beroep niet aangehouden teneinde er zorg voor te dragen dat verdachte van de zitting op de hoogte wordt gesteld via het door hem opgegeven e-mailadres of telefoonnummer van zijn vriendin nu verdachte in eerste aanleg (bij verstek) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld; verdachte per e-mail heeft bericht dat hij doende is een inschrijfadres te verkrijgen waar hij zich kan laten inschrijven; verdachte op het moment van het versturen van de brief nog steeds dakloos was en zich ook niet bij zijn vriendin heeft kunnen inschrijven; verdachte verzocht heeft per e- mail op de hoogte te worden gehouden van de voortgang dan wel evenwel via telefoonnummer van zijn vriendin, zodat het onderzoek in hoger beroep en het tot naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig zijn.

Toelichting

1.1

In eerste aanleg is verdachte (bij verstek) in het vonnis van de politierechter Zutphen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

1.2

Tegen het vonnis heeft verdachte op 23 oktober 2014 door de griffier hoger beroep in laten stellen. In de akte is vermeld dat een medewerkster van de strafgriffie daartoe gemachtigd is blijkens de aan de akte gehechte brief. In de betreffende brief/e-mailbericht, (verzonden vanaf het e-mailadres [emailadres]@gmail.com) heeft verdachte onder meer aangegeven:

"() Ik (), zou willen vragen of de rechter dit zouden herzien, ik heb sinds een halfjaar een hele lieve vrouw ontmoet waardoor ik de dingen in het leven anders ben gaan inzien.

Wij zijn samen bezig om een inschrijfadres te verkrijgen waar ik me dan kan inschrijven en ons leven samen op kunnen pakken, ik ben nu nog steeds dakloos kan ook niet bij mijn vriendin inschrijven.

Wij zijn ook al bij instanties geweest om te vragen wat we hier verder mee kunnen en wil graag weer een normaal leven leiden en als ik nu dan 8 weken moet gaan zitten weet ik niet of dat nu zo goed is voor haar en mij, ik weet dat het niet goed is wat er gebeurd is en moet daar ook de consequenties van nemen.

Ik weet dat ik een paar dagen te laat ben met in bezwaar te gaan maar ze wist niet hoe ik dit moest doen omdat ik dan de brief wel naar de rechter kan sturen maar hij niet naar mij want ik heb geen adres, nu mag ik gebruik maken van mijn vriendin haar e-mail en telefoonnummer.

()

Als u nog vragen heeft kan en mag u altijd bellen en mailen naar mijn vriendin, ik zal de gegevens van haar in deze brief vermelden.

Zou u mij daar mail de uitspraak kunnen sturen of eventueel mijn vriendin bellen.

Nogmaals ik hoop dat u het nog wil herzien in deze zaak.

De gegevens van mijn vriendin zijn (volgt: gegevens van de vriendin -RJB-)()"

1.3

In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 juni 2015 is onder meer vermeld:

"De verdachte:

()

Zonder bekende woon - of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt deze aan het hof over. Zij voert onder meer aan - zakelijk weergeven -:

Het gaat om een strafmaatappel. De verdachte heeft op 23 oktober 2014 een brief verstuurd, waarin hij zegt dat hij weer een normaal leven wil leiden. ()

()

Het hof verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen. 0"

1.4

In het arrest heeft het hof de verdachte vervolgens veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

1.5

Art. 14 lid 3 sub d IVBR vermeldt dat een verdachte het recht heeft in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het EHRM leidt dit recht af uit doel en strekking van het EVRM (EHRM 12 februari 1985, NJ 1986, 685 -Colozza-). Dit recht moet worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging. De wetgever heeft die belangen afgewogen bij de inrichting van de betekeningseisen die aan de dagvaarding worden gesteld en de regeling van verstek. In het concrete geval zal steeds moeten worden bezien of het recht van de verdachte in zijn tegenwoordigheid te worden berecht niet tekort is gedaan (aldus letterlijk GJ.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer, 8e druk, pag. 656). Indien de dagvaarding van een verdachte rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn (vgl. HR 12 maart 2002, UN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.33 en 3.34). Het aanwezigheidsrecht is evenwel van zo'n groot belang, dat uitspraken van hoven ook wel zijn vernietigd indien na sluiting van het onderzoek in hoger beroep is gebleken dat de betreffende verdachte niet ter zitting aanwezig is kunnen zijn omdat hij door detentie of een opname in een ziekenhuis of psychiatrische kliniek verhinderd is geweest ter zitting aanwezig te zijn, waarmee de hoven niet bekend waren of bekend konden zijn (HR 22 januari 2013,NJ 2013,72 alsmede HR 20 januari 2015,NJ 2015,75; zie voorts HR 31 mei 2016,ECLI:NL:HR:2016:1009). Gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA (thans BRP) en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, mag de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak. (Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1569 alsmede HR 22 december 2015, NJ 2016,304, mnt. TMS). In de praktijk komt het immers regelmatig voor dat de advocaat de betreffende verdachte via de telefoon of email tijdig van de zitting op de hoogte zal kunnen stellen zodat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht kan effectueren.

1.6

Ook in de Richtlijn EU 2016/343 d.d. 9 maart 2016 ('betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn') wordt het recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn (ook) als een essentieel onderdeel van een eerlijk proces (en het vertrouwen wat lidstaten in elkaar kunnen stellen) beschouwd. Overweging 36 van de Richtlijn verstaat onder het 'in kennis stellen' van een terechtzitting 'het persoonlijk dagvaarden () of het 'anderszins' aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over 'het tijdstip en de plaats van de terechtzitting', op 'een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting'. Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat betrokkene op de hoogte is van het proces, moet 'in voorkomend geval' ook 'bijzondere aandacht' worden besteed aan de 'zorgvuldigheid' die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene (en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (overweging 38). De Richtlijn voorziet overigens in 'minimumvoorschriften'(overweging 48).

1.7

In haar vonnis van 2 februari 2011 (ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3030) heeft de Rechtbank Maastricht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een zaak waarin een verdachte in een politieverhoor heeft aangegeven niet over een vaste woon- of verblijfplaats te beschikken, maar wel over een e- mailadres waarvan hij regelmatig ingekomen post bekijkt, en het openbaar ministerie niet aan de rechter gegeven opdracht voldaan heeft de verdachte via dit e-mailadres op te roepen voor een nieuwe zitting. Deze uitspraak is door het hof 's-Hertogenbosch vernietigd waarbij het hof onder meer heeft overwogen dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid om dagvaardingen in een strafzaak per e-mail aan de verdachte te doen toekomen zodat voor een rechtsgeldige uitreiking per elektronische post geen ruimte is, zodat naar het oordeel van het hof de officier van justitie op goede gronden heeft geweigerd de dagvaarding dan wel informatie daaruit per e-mail te zenden aan het door de verdachte opgegeven e-mailadres (Hof 's-Hertogenbosch 20 juni 2011, ECLI:IML:GHSHE:2011:BQ8567).

1.8

De omstandigheid dat de wet (nog) niet dwingend voorschrijft dat een verdachte kan worden opgeroepen door uitreiking van de dagvaarding via de elektronische weg dan wel het hem via die weg een afschrift van de dagvaarding of oproeping te mailen houdt evenwel niet in dat in zaken als de onderhavige, waarin de verdachte in eerste aanleg bij verstek tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld en hij in zijn schriftelijke machtiging aan de griffier uitdrukkelijk heeft aangegeven niet over een inschrijfadres of woon-/verblijfadres te (kunnen) beschikken maar wel via de e-mail of telefonisch te bereiken is en ook via een van die wegen op de hoogte wil worden gehouden van verdere ontwikkelingen in deze zaak, derhalve ook van de zitting waarop een door hem ingesteld hoger beroep zal worden behandeld, achterwege gelaten kan worden. Gelet op het grote belang van het aanwezigheidsrecht zal dan ook getracht dienen te worden de verdachte via een van die wegen op de hoogte te stellen van de datum en tijdstip van de behandeling van het hoger beroep, indien ten tijde van de behandeling van het hoger beroep het hof (zoals in casu het geval is) gebleken is dat de verdachte nog niet is ingeschreven in het GBA/BRP; niet gedetineerd is in Nederland of het buitenland, noch beschikt over een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of het buitenland in geval van afwezigheid van de verdachte of een door hem gemachtigd raadsman. Gelet hierop is dan ook het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig.

Dat

Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.