Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:803

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/01842
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:10651, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/01842

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 maart 2016, nummer 21/002536-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE

in de zaak van:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986,

verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het gerechtshof te Amhem-Leeuwarden op 14 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 21/002536-15 gedane uitspraak.

Belang:

Verzoeker heeft belang bij behandeling in cassatie nu hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld. Hij wenst dan ook dat het bestreden arrest wordt vernietigd zodat deze opnieuw wordt afgedaan en berecht, waarbij hij zou dienen te worden vrijgesproken. Bijkomend belang is dat hij de opgelegde gevangenisstraf nog niet geheel heeft ondergaan en deze derhalve nog zou moeten uitzitten.

Middel:

1. Schending en / of onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 350, 358 (derde lid) en 359 Wetboek van Strafvordering en/of art. 47, 311 Wetboek van Strafrecht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen. De bewezenverklaring kan niet blijken uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, althans deze is onbegrijpelijk/ontoereikend gemotiveerd, althans het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman is niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd verworpen. De bewezenverklaring is (daarmee) niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Toelichting:

2. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid wie de feitelijke weg- nemingshandelingen van de kluis heeft/hebben verricht. Nu de verdachten, waaronder verzoeker, enige tijd na het wegnemen in een voertuig zijn aangetroffen, met daarin de kluis in de kofferbak, niet nabij de PD, heeft het Hof, gelet op alle omstandigheden, gemeend dat het niet anders kan zijn dan dat zij die diefstal hebben gepleegd. Daarbij worden de feiten en omstandigheden besproken door het Hof die kennelijk hebben bijgedragen aan het bewijs.

3. Het Hof overweegt inleidend en terecht (p. 2 arrest) dat het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van belang. Verzoeker meent dat deze feiten en omstandigheden afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, kunnen leiden tot een bewezenverklaring van diefstal en zal deze hieronder puntsgewijs aan de orde stellen.

Feit van algemene bekendheid; verplaatsen kluis enkel mogelijk door meerdere personen:

4. Het Hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een kluis van een soort en met afmetingen zoals bij verdachten aangetroffen een zodanig gewicht heeft dat het verplaatsen en met name tillen ervan meerdere personen vereist. Een feit kan aangemerkt worden als een feit van algemene bekendheid indien het gegevens betreffen welke eenieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht wordt te kennen of welke zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen achterhaald kunnen worden.(1) Het dient hierbij te gaan om een feit dat in Nederland van algemene bekendheid is.(2) Indien er sprake is van een dergelijk feit, behoeft dit geen bewijs en behoeft de rechter dit niet naar voren te brengen ter terechtzitting. Wanneer echter onduidelijkheid bestaat over de vraag of het feit van algemene bekendheid is, dient het gegeven ter terechtzitting ter sprake gebracht te worden. Op die wijze kunnen de bij het geding betrokken partijen zich hierover uitlaten en zal de bewezenverklaring niet steunen op gegevens welke voor hen onbekend zijn gebleven.(3) In de rechtspraak is bepaald wat hieronder geschaard kan worden. Het is bijvoorbeeld algemeen bekend dat indien een ander dan de hiertoe bevoegde instantie 25 blanco Duitse rijbewijzen in bezit heeft, dit duidt op een verkrijging door misdrijf.(4) Verder zou ieder gemiddeld ontwikkeld mens moeten weten dat eventuele koersafwijkingen met een vrachtwagen in slecht weer beter kunnen worden gecorrigeerd bij een lage snelheid.(5)

5. In onderhavige zaak betreft het een kluis met afmetingen van 50 centimeter bij 50 centimeter, zoals blijkt uit het proces-verbaal met nummer PL0900-2015037299-6. In het dossier is niets vermeld met betrekking tot de hoogte of het gewicht van de kluis. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2015059874-2 blijkt dat het formaat van de kluis ‘klein’ was en dat deze was vastgeschroefd in een keukenkastje en niet ingemetseld. Niet gesteld kan worden dat op basis van deze gegevens elk gemiddeld ontwikkeld mens zonder nader onderzoek te doen zou kunnen weten dat een dergelijke kluis niet door één persoon kan worden verplaatst en/of getild. Voorts kan tevens niet worden aangenomen dat dit gegeven zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen gehaald zou kunnen worden. Er blijkt hieromtrent ook niets uit het proces-verbaal van de terechtzitting.

6. Verzoeker is dan ook van mening dat het geen feit van algemene bekendheid is. Voorts heeft het hof dit gegeven niet aan de orde gesteld bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting en is verzoeker niet in staat geweest om zich hierover uit te laten; ook om deze reden had dit gegeven niet kunnen bijdragen aan het bewijs.

7. Subsidiair kan dit feit, indien het wordt aangemerkt als een feit van algemene bekendheid, niet redengevend voor het bewijs worden geacht. Verzoeker bevond zich in de auto tezamen met twee anderen. Indien de kluis niet door één persoon getild en/of verplaatst kan worden, zou het derhalve mogelijk zijn dat de kluis door twee personen wordt getild en/of verplaatst.

8. Niet valt in te zien op welke wijze deze omstandigheid zou kunnen bijdragen aan het bewijs dat het dan dus verzoeker is geweest die de kluis (ten tijde van de diefstal) -mede- heeft verplaatst. Anders gezegd: uit die omstandigheid blijkt niet van betrokkenheid van verzoeker, laat staan van een rol als medepleger.

Aanwezigheid schroevendraaiers

9. Het hof overweegt dat in de auto een schroevendraaier is aangetroffen die waarschijnlijk is gebruikt bij het wegnemen van de kluis. Ook is een andere schroevendraaier aangetroffen met daarop DNA van verzoeker. Deze laatste schroevendraaier is niet aan deze diefstal te koppelen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet begrijpelijk hoe deze omstandigheid zou kunnen bijdragen aan de conclusie dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verzoeker de diefstal heeft (me- de)gepleegd.

Aanvullende bewijsoverweging: aannemelijkheid achterlaten buit in voertuig door anderen

10. Op p. 6 van de aanvulling op het arrest overweegt het Hof nog dat het niet zonder meer aannemelijk is dat anderen die de kluis zouden hebben weggenomen, deze zouden achterlaten in een auto die kennelijk ook door anderen wordt gebruikt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet begrijpelijk hoe deze omstandigheid zou kunnen bijdragen aan de conclusie dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verzoeker de diefstal heeft (mede)gepleegd.

Het is bepaald niet ondenkbaar dat anderen bijvoorbeeld de diefstal hebben gepleegd en dat de kluis is ‘koud gezet’ en later opgehaald. Evenmin is ondenkbaar dat het nog niet gelukt is om de kluis te openen, reden waarom deze in dit voertuig wordt bewaard/verborgen.

Een en ander geldt nog te meer nu het Hof er blijkens bewijsmiddel 3 (p. 2 van de aanvulling) van uit dat gaat dat er op het voertuig een aandachtvestiging zit, omdat het in gebruik is bij een criminele groep.

Zwijgrecht/niet geven van een verklaring:

11. Uit de overwegingen van het Hof met betrekking tot het bewijs vloeit voort dat het niet geven van een verklaring voor voornoemde omstandigheden door verzoeker of zijn medeverdachten, heeft bijgedragen aan de bewezenverklaring.

12. Het Hof overweegt dat uit artikel 29 Sv niet kan worden afgeleid dat, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, de rechter dit niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

13. Uit vaste uitspraken van Uw Raad blijkt dat het zwijgen van een verdachte niet op enig moment een zelfstandig bewijsmiddel kan worden, waarmee een leemte in de bewijsvoering van een zwakke zaak kan worden aangevuld. Er mogen alleen consequenties worden verbonden aan het feit dat iemand zich beroept op zijn zwijgrecht, indien het gaat om een zaak waarin reeds voldoende bewijsmateriaal aanwezig is.(6) Dit kan alleen dienen ter ondersteuning van het beschikbare bewijsmateriaal. De zaak dient bewijsbaar te zijn zonder rekening te houden met het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept. Er zal sprake moeten zijn van een ‘prima facie’- zaak tegen de verdachte, dat wil zeggen: ‘a case consisting of direct evidence which, of believed and combined with legitimate inferences based upon it, could lead a properly directed jury to be satisfied beyond reasonable doubt that each of the essential elements of the offence is proved’.

14. Uit de feiten en omstandigheden die het Hof benoemd kan (juist) niet blijken van direct(7) bewijs en kan ook overigens geen sprake zijn van een ‘prima facie’/’formidable case’ tegen verzoeker. Het Hof heeft dan ook ten onrechte het zwijgen/niet geven van een verklaring betrokken bij de bewijsoverwegingen, althans heeft het niet begrijpelijk gemotiveerd waarom sprake was van een ‘prima facie case’ waardoor dat zwijgen meegewogen zou kunnen worden. De bewezenverklaring is daarmee onbegrijpelijk en niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Algemeen afrondend ten aanzien van de besproken feiten en omstandigheden:

15. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van voornoemde overwegingen dient nog te worden betrokken dat het Hof het er voor houdt dat de kluis maximaal 12 uren voor het aantreffen in de het voertuig kan zijn weggenomen (maar mogelijk veel korter daarvoor, p. 2 arrest). Daarnaast is de inhoud van bewijsmiddel 3 niet verenigbaar met de overwegingen van het Hof. Daarin wordt overwogen dat het voertuig in gebruik is bij een criminele groep8.

Juist vanwege het door het Hof genoemde tijdsverloop, in combinatie met het gebruik door een groep/anderen, had het Hof nader dienen te motiveren waarom het niet anders kan zijn dan dat verzoeker (en zijn medeverdachten) zich (als medepleger!) zou hebben schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal. Bij gebreke van een dergelijke motivering is de bewezenverklaring niet begrijpelijk/onvoldoende gemotiveerd mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.

Van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat sprake is van een situatie waarin het wel degelijk anders kan zijn dan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit gelet op het tijdsverloop en het gebruik van de auto door meerdere personen en dat bij het ontbreken van overig direct bewijs vrijspraak moet volgen, is het Hof afgeweken, zonder daartoe de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, althans is deze beslissing onbegrijpelijk/onvoldoende gemotiveerd.

Redenen waarom:

Verzoeker Uw Raad eerbiedig verzoekt het bestreden arrest te vernietigen en terug te wijzen naar het Hof te Amhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1. HR 11 januari 2011, NJ 2011, 16, r.o. 3.2.1.

2 HR 11 januari 2011, NJ 2011, 16, r.o. 3.4

3 HR 11 januari 2011, NJ 2011, 16, r.o. 3.2.2.

4 HR 27 april 2004, NJ 2004, 494.

5 HR 21 september 2010, LJN BM9407, r.o. 3.2.3.

6 EHRM in Murray 8 februari 1996, nr. 18731/91 en HR.

7 Zie ook opmerking verdediging p.2 pv ttz