Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:801

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/01273
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5847, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/01273

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2016, nummer 23/000531-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE

Zaaknummer: S 16/01273

Parketnummer: 23/000531-13

Namens verzoeker, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

draag ik het volgende middel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam

uitgesproken op 16 februari 2016 onder parketnummer 23/000531-13

waarbij verzoeker terzake openlijke geweldpleging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken en een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Middel art. 285 WvS, art 348 jo art 359/3 WvS

Er is sprake1 van schending van recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in art. 79 RO, in het bijzonder art. 348 jo 359 lid 3 jo art. 415 Wetboek van Strafvordering jo art. 285 Wetboek van Strafrecht.

Het Gerechtshof is op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring van feit 3 (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) gekomen. De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring niet dragen.

Toelichting

Het Hof heeft onder feit 3 bewezen verklaard dat verzoeker: “[betrokkene] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [betrokkene] dreigend de woorden toegevoegd: “we hebben je kenteken, als we hier iets van horen, dan maken we je dood'"'.

De raadsman van verzoeker heeft ter terechtzitting in eerste en tweede feitelijke aanleg betoogd dat er geen bewezenverklaring kan volgen nu enkel de aangever stelt dat verzoeker de ten laste gelegde gedraging en uitgesproken bedreigende woorden heeft gebezigd. Van enige bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is in ieder geval niet gebleken.

Verzoeker heeft ter terechtzitting nadrukkelijk ontkend aangever überhaupt te hebben bedreigd, laat staan in deze bewoordingen.

Verzoeker heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij inderdaad niet wilde dat aangever naar de politie zou gaan. Verzoeker benadrukt de woorden zoals ten laste gelegd niet te hebben gebezigd. De Rechtbank (en het Hof verwijst naar deze bewezenverklaring) gebruikt niettemin deze verklaring ter terechtzitting als bewijsmiddel. Voorts overweegt de rechtbank dat gelet op !de eerdere bedreigingen op de snelweg en de daaropvolgende mishandeling, dat de woorden van verzoeker jegens aangever niet anders worden opgevat dan een bedreiging dat [betrokkene] iets zou overkomen als hij aangifte zou doen tegen hem.

Het Hof verlaat gelet op de tekst van de bewezenverklaring hiermee de grondslag van de tenlastelegging, nu deze gedragingen helemaal niet ten laste zijn gelegd. Hofs bewezenverklaring gebaseerd op de bewijsmiddelen constructie van de rechtbank is hiermee onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, zo niet onjuist! Er is sprake van een ontoelaatbare grondslagverlating.

De beslissing van het hof op dit punt is derhalve onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk.

Op grond van voorgaand middel is verzoeker van mening dat het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, voor vernietiging en verwijzing danwel terugwijzing in aanmerking komt..