Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:798

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00995
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:4344, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00995

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 januari 2016, nummer 22/004300-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

Aan de Hoge Raad der Nederlanden

(strafzaken)

Geeft eerbiedig te kennen:

[verdachte], geboren [geboortedatum]-1969, wonende [a-straat 1] te [woonplaats];

dat rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag, uitgesproken op 25 januari 2016 de volgende middelen van cassatie voordraagt:

MIDDEL I

Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 338, 339, 342, 344, 350, 351, 358, 359 en 415 Sv geschonden doordat het hof de verklaring die de medeverdachte van rekwirant aflegde tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen zaak voor het bewijs redengevend heeft geacht, terwijl (het proces-verbaal houdende) deze verklaring geen deel uitmaakt van het dossier in de strafzaak tegen rekwirant.

Toelichting

Onder het kopje Aanvulling nadere bewijsoverweging rechtbank met betrekking tot het voor het onder 1 ten laste gelegde vereiste oogmerk heeft het hof overwogen dat "blijkens de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte bij de rechtbank ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde auto's sprake was van een planmatig handelen, bestaande uit het aanschaffen van de auto's zonder deze te betalen, teneinde na doorverkoop van deze auto's de opbrengst aan te wenden voor een schuld die de medeverdachte had."

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg bevat geen verklaring van de medeverdachte van rekwirant. Het hof heeft het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg in de zaak tegen de medeverdachte niet toegevoegd aan het strafdossier in hoger beroep in de zaak tegen rekwirant.

Daarmee heeft het hof voor het bewijs acht geslagen op een verklaring die op geen enkele wijze deel uitmaakt van het strafdossier in de zaak tegen rekwirant. Dat dient te leiden tot nietigheid. Zijn uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

MIDDEL II

Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 5 en 6 EVRM, 36f Sr en 350, 351, 358, 359 en 415 Sv geschonden doordat het hof (met zijn bevestiging van het vonnis van de rechtbank op dat punt) aan rekwirant de schadevergoedingsmaatregel en vervangende hechtenis heeft opgelegd, terwijl het de oplegging daarvan niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd en / of niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het daarmee is afgeweken van een te dier zake uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

Toelichting

Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2016 gehechte pleitaantekeningen (p. 6-11 onder "Geen schadevergoedingsmaatregel") heeft de verdediging gemotiveerd aangegeven dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval slechts extra leedtoevoeging behelst.

Kern van het verweer is dat, nu op voorhand vaststaat dat rekwirant niet in staat is te betalen, ook vaststaat dat hij de vervangende hechtenis zal moeten ondergaan. En dat is niet de bedoeling van die maatregel en die hechtenis.

De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat de verdachte nu dan wel in de toekomst nimmer de draagkracht zal hebben om de schadevergoedingsmaatregelen of de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen. Voorts is er geen blijk van andere omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank zouden moeten leiden tot het niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft dit deel van het vonnis bevestigd.

De verdediging heeft gemotiveerd aangegeven dat en waarom rekwirant niet in staat zal zijn in de toekomst voldoende te verdienen om de vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die voor ieder waarneembaar waren (het extreme overgewicht van rekwirant) of die op verschillende plaatsen in het dossier (en met name voorlichtingsrapporten) naar voren kwamen en die nimmer door enige procesdeelnemer waren betwist (zoals het gebrek aan opleiding, het analfabetisme, het arbeidsverleden en de gezondheid van rekwirant) en omstandigheden die met bijlagen zijn onderbouwd (de belastingschuld, betalingsregeling met het CJIB).

Tevens is duidelijk aangegeven dat de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden volgens de Aanwijzing executie en het feit dat allerminst vaststaat dat het CJIB bereid zal zijn een (nieuwe) betalingsregeling aan te gaan, meebrengen dat er rekening mee gehouden moet worden dat de vervangende hechtenis op korte termijn na het onherroepelijk worden van de uitspraak plaats zal vinden.

's Hofs oordeel dat niet is gebleken dat rekwirant nu dan wel in de toekomst nimmer de draagkracht zal hebben om de schadevergoedingsmaatregelen of de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen, is, gelet op het voorgaande (met name nu de motivering van dat oordeel speculeert over een lange(re) termijn ("nimmer") waarvan onaannemelijk is dat deze rekwirant gegund gaat worden) en op de hoogte van de som van de toegewezen vorderingen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Zijn arrest kan daarom niet in stand blijven.

MIDDEL III

Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 263, 264, 287, 288, 315, 328, 331, 358, 359, 410, 414 en 415 Sv geschonden doordat het hof zowel een onvoorwaardelijk verzoek gedaan bij appelschriftuur als een voorwaardelijk verzoek gedaan bij pleidooi tot benoeming van een arbeidsdeskundige als deskundige ter vaststelling van de verdiencapaciteit van rekwirant heeft afgewezen, terwijl het die afwijzingen niet, althans niet voldoende, althans niet begrijpelijk heeft gemotiveerd althans de motivering van die afwijzingen die afwijzingen niet kan dragen.

Toelichting

De rechtbank heeft in haar vonnis de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (en dus de verwerping van het verweer van de verdediging daar vanaf te zien) gemotiveerd door te overwegen dat niet gebleken is dat rekwirant nimmer de draagkracht zal hebben de schadevergoedingsmaatregel te voldoen.

De verdediging heeft in reactie op dat oordeel het hof verschillende malen (de eerste keer bij appelschriftuur) verzocht een deskundige te benoemen die de (toekomstige) draagkracht van rekwirant zou kunnen onderzoeken. Het hof heeft die verzoeken steeds afgewezen omdat het het onderzoek niet noodzakelijk achtte.

Kern van de motivering van dat oordeel was steeds dat van de verdediging mag worden verwacht dat zij aanknopingspunten aandraagt voor het vermoeden dat dit geval één van de zeldzame gevallen is die behoren tot de uitzonderingscategorie waarbij het gebrek aan draagkracht reden kan zijn af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De aangevoerde omstandigheden zouden daartoe niet voldoende zijn. Tevens zou het onderzoek niet volledig kunnen zijn omdat andere vermogensvoordelen dan de verdiencapaciteit, zoals een erfenis, niet meegenomen worden.

Rekwirant acht deze motivering niet (zonder meer) begrijpelijk, althans onvoldoende.

Dat van de verdediging wordt verwacht dat zij aanknopingspunten aandraagt, is niet onredelijk. Dat de verdediging dat in dit geval niet of onvoldoende gedaan zou hebben, is niet juist, althans niet zonder meer begrijpelijk. Wat meer had de verdediging aan kunnen voeren dan feiten en omstandigheden betreffende het arbeidsverleden, het opleidingsniveau, de leeftijd, fysieke gesteldheid en de schuldenpositie van rekwirant? Het hof laat dat in het midden. Zijn motivering kan de afwijzing daarmee niet dragen.

De vaststelling dat een arbeidsdeskundige slechts bepaalde aspecten van de verdiencapaciteit kan onderzoeken, kan de afwijzing van het verzoek evenmin dragen. Die vaststelling laat immers onverlet dat de arbeidsgerelateerde verdiencapaciteit wel een essentieel, zo niet het belangrijkste, onderdeel is van de totale verdiencapaciteit. Het enkele feit dat ook andere onderdelen van belang zijn, kan geen reden zijn het onderzoek daarnaar niet noodzakelijk te achten. Veeleer zou dat reden moeten zijn onderzoek naar die andere onderdelen eveneens noodzakelijk te achten. Ook in die zin is 's hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

Zijn arrest kan daarom niet in stand blijven.

Op bovengenoemde gronden verzoekt rekwirant Uw Raad het bestreden arrest te vernietigen.