Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:796

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/05217
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:4667, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 15/05217

NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 oktober 2015, nummer 20/002904-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

SCHRIFTUUR:

Houdende middel(en) van cassatie in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], requirant van cassatie

van een cassatie betreffende uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 29 oktober 2015, in de zaak onder parketnummer 20-002904-14.

Toepasselijkheid artikel 80a RO

Met ingang van 1 juli 2012 is de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak), Stb. 2012/116, in werking getreden.

De Hoge Raad zal in deze zaak oordelen na de datum van de inwerkingtreding en de vraag is of in deze zaak toepassing kan worden gegeven aan het bij die Wet geïntroduceerde artikel 80a RO.

In deze zaak heeft het gerechtshof arrest gewezen op 29 oktober 2015.

Requirant is in cassatie gekomen bij akte van 6 november 2015.

Het cassatieberoep is aangevangen op 6 november 2015, derhalve na de inwerkingtreding van de wettelijke bepaling 80a RO.

De stukken van het geding zijn op 31 augustus 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

De aanzegging ex artikel 435 lid 1 Sv is op 29 september 2016 betekend.

Het standpunt van requirant is dat in deze zaak ook van toepassing is artikel 80a RO.

De Hoge Raad heeft op grond van artikel 80a RO de mogelijkheid gekregen om, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Requirant is van oordeel dat hij belang heeft bij het cassatieberoep aangezien requirant is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van € 548,51.

Requirant is verder van oordeel dat de hierna te noemen klacht tot cassatie kan leiden en dus is requirant van mening dat hij ontvankelijk is in het cassatieberoep.

MIDDEL:

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt.

In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 359 lid 2 en 3 Wetboek van Strafvordering en artikel 47 Wetboek van Strafrecht door dat het gerechtshof bewezen heeft verklaard dat er in dit geval sprake is geweest van medeplegen door requirant van het ten laste gelegde.

TOELICHTING:

In deze zaak gaat het om de vraag of requirant zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van enig goed van een ander. Het gaat om het beschadigen of vernielen van een ruit door het afsteken van vuurwerk.

Vaststaat dat requirant met andere waaronder zijn broer vuurwerk heeft afgestoken op 1 januari 2013 in Venlo bij gelegenheid van de nieuwjaarsfeesten. Requirant heeft verklaard dat hij op 1 januari 2013 buiten zijn woning vuurwerk heeft afgeschoten met oud en nieuw. Hij heeft met zijn kinderen vuurwerk afgestoken en hij is daarna weer zijn woning binnen gegaan. Er waren veel mensen buiten die ook vuurwerk afstookten. Requirant heef ontkend dat hij doelbewust vuurwerk tegen de ruit van het slachtoffer heeft gegooid.

Het gerechtshof heeft bij de bewezenverklaring gebruik gemaakt van een aantal verklaringen van getuigen. Alleen aangever [betrokkene] stelt dat hij heeft gezien dat requirant vuurpijlen heeft afgestoken. Hij ziet dan dat er minimaal 10 vuurpijlen tegen de ruit van zijn woonkamer aankwamen. Er werd volgens [betrokkene] volop vuurwerk voor de woning afgestoken door personen uit die groep. Hij zag dat al het vuurwerk dat zij afstaken richting zijn woning werd gegooid dan wel geschoten.

De echtgenote van [betrokkene] ziet alleen dat requirant en zijn broer bij een groep mensen staan die schreeuwden en gebaren maakten richting hun woning.

De getuige [getuige 1] ziet dat één van de personen van een groep vuurwerk in de richting van de woning [a-straat 1] gooide. De getuige zag dat die persoon dit knalvuurwerk opzettelijk en doelbewust in de richting van de ruit van de woonkamer van perceel [1] gooide. Hij zag dat deze persoon dit meerdere keren deed. De getuige [getuige 1] zegt niet wie die persoon is en requirant wordt ook niet herkend als degene die door [getuige 1] wordt gezien als persoon die vuurwerk richting de woning heeft gegooid.

De getuige [getuige 2] zag ongeveer zes personen in en uit de woning [a-straat 2] lopen (het pand naast het pand van aangever [betrokkene]). Hij ziet dan dat enkele van die personen knalvuurwerk in de richting van de woning [a-straat 1] gooiden. Zij zag dat deze personen dit vuurwerk doelbewust in de voortuin van perceel 21 gooiden. Zij ziet ook dat dit knalvuurwerk (mede) voor de ruit van de woonkamer van [betrokkene] uit elkaar knalde.

Requirant heeft verklaard dat hij met nieuwjaar buiten vuurwerk heeft afgestoken.

Het gerechtshof concludeert nu, volgens requirant ten onrechte, dat uit de gehanteerde bewijsmiddelen, een en ander bezien in onderlinge samenhang, geconcludeerd kan worden dat uit het handelen van het groepje personen (onder wie requirant) dat in de woning van requirant aanwezig was een zodanige gezamenlijkheid spreekt in het opzet om vuurwerk tegen de woning van buurman [betrokkene] te gooien, dat requirant zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten dat sprake is van medeplegen van het ten laste gelegde.

Deze overweging miskent dat conform de huidige jurisprudentie, indien gesproken wordt over medeplegen moet worden vastgesteld of in dit geval requirant een bijdrage van voldoende gewicht heeft gehad bij de gedragingen om requirant als medepleger te kunnen aanmerken.

De jurisprudentie is sinds 2 december 2014, NJ2015/390 heel duidelijk.

Als medeplegen ten laste wordt gelegd, dient vastgesteld te worden dat bij medeplegen vastgesteld moet worden dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. In dat geval kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, in dit geval requirant, en diens aanwezigheid op belangrijke momenten. Na 2 december 2014 zijn nog meer arresten gewezen zoals ECLI:NL:HR:2015:929 en NJ2016/411, ECLI:NL:HR:2016:382.

Bij bewezenverklaring van medeplegen dient dus vastgesteld te worden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en daarnaast een bijdrage van voldoende gewicht.

In de onderhavige zaak heeft het gerechtshof op geen enkele wijze de bijdrage van requirant gekwalificeerd. Met name is niet geconcludeerd dat er sprake is geweest van een bijdrage van voldoende gewicht en van voldoende inhoud ten aanzien van de gedragingen.

Het gerechtshof spreekt over een gezamenlijkheid in het opzet om vuurwerk tegen de woning van het slachtoffer [betrokkene] te gooien.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat requirant daadwerkelijk vuurwerk tegen de woning van slachtoffer [betrokkene] heeft gegooid.

Requirant was aanwezig in de groep en heeft wel vuurwerk ontstoken maar niet in de richting van de betreffende woning.

Nu het gerechtshof niet heeft overwogen dat in dit geval sprake is van een bijdrage van voldoende gewicht van requirant is de conclusie dat de overwegingen van het gerechtshof onbegrijpelijk en volgens requirant ontoereikend zijn voor een bewezenverklaring. Dit brengt dan ook mee dat de uitspraak niet in stand kan blijven en zo nodig verwijzing moet volgen.