Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:794

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/01218
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:396, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/01218

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2016, nummer 23/000996-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

SCHRIFTUUR VAN CASSATIE

in de zaak van [verdachte], geboden op [geboortedatum] 1989, wonende [a-straat 1] te [woonplaats], rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam, uitgesproken op 2 februari 2016 (parketnummer: 23- 000996-15).

Rekwirant van cassatie dient hierbij het volgende middel in:

MIDDEL:

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-nalevirig met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 359 lid 2 en 415 Wetboek van Strafvordering geschonden, doordien het gerechtshof, een aanmerkelijk zwaardere straf opleggend dan in hoger beroep is gevorderd, niet genoegzaam de bijzondere redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, mitsdien lijdt het arrest aan nietigheid.

Toelichting:

1.

Het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 2 februari 2016 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd - rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzondér het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan buitensporig geweld jegens het slachtoffer [slachtoffer 1], waarbij [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen. Voorts heeft de verdachte voornoemde [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2] ernstig bedreigd, waarbij zelfs met een vuurwapen in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1] is geschoten. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Uit de slachtoffer verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] komt naar voren dat deze situatie veel indruk heeft gemaakt op de slachtoffers en gezien het openlijke karakter van deze gepleegde strafbare feit dat kan dit bovendien gevoelens van 'onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsdelicten als de onderhavige zich vaak nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen, hetgeen duidelijk is geworden uit de slachtofferverklaringen van beide slachtoffers.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 januari 2016 is de verdachte strafrechtelijk, in het bijzonder ter zake van geweldsdelicten, onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten met behulp van een vuurwapen zijn gepleegd, in beginsel een gevangenisstraf voor cle duur van 20 maanden voor feiten als de onderhavige passend en geboden. Het hof constateert dat de strafvervolging van de verdachte in de eerste aanlegfase niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, aangezien de verdachte op 13 september 2012 in bewaring is gesteld en hij vanaf die dag in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft op 3 februari 2.015 vonnis gewezen. De redelijke termijn is mitsdien met ongeveer 5 maanden overschreden, terwijl niet gebleken is van een bijzondere omstandigheid die deze overschrijding kan rechtvaardigen, hetgeen tot strafvermindering aanleiding geeft. Het hof zal met inachtneming hiervan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopig hechtenis doorgebracht.

2.

Het gerechtshof heeft aldus een straf opgelegd (18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf) die aanzienlijk afwijkt van de door de advocaat-generaal gevorderde straf (12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf), zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid.

3.

In HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549 overweegt Uw Raad in het kader van het dan betrekkelijk nieuwe artikel 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering o.m.:

“Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn. ”

4.

Zie tevens:

Hoge Raad 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313;

Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4822 {Frans van A.)

Hoge Raad 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965 Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482.

5.

Zie voorts een reeks uitspraken waarin Uw Raad besluit tot toepassing van artikel 81 RO, waarvan de vindplaatsen van de conclusies van de Procureur-Generaal luiden:

ECLI:NL:PHR:2014:2562 (d.d. 11 november 2014);

ECLI:NL:PHR:2014:634 (d.d. 13 mei 2014);

ECLI:NL:PHR:2013:BY5722 (d.d. 15 januari 2013);

ECLI:NL:PHR:2009:BI2248 (d.d. 23 juni 2009).

6.

Uit bovenstaande rechtspraak volgt volgens rekwirant dat een motivering van de opgelegde straf onbegrijpelijk en in strijd met artikel 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering moet worden geacht, indien die straf in meer dan geringe mate afwijkt van de vordering van de advocaat- generaal én de redenen voor die afwijking in het arrest ontbreken. Opvallend is dat in alle hierboven onder 5. genoemde arresten het betreffende gerechtshof in de strafmotivering een directe en expliciete verwijzing had opgenomen naar de vordering van de advocaat-generaal.

7.

Daarin onderscheidt het onderhavig arrest zich van die arresten. Het hof heeft weliswaar de strafoplegging voorzien van een motivering die in het licht van artikel 359 lid 6 Wetboek van Strafvordering als genoegzaam kan worden beschouwd, doch heeft verzuimd in te gaan op de afwijking van de vordering van de advocaat-generaal. Dat maakt volgens rekwirant ‘s-hofs hierboven onder 1. weergegeven strafoplegging onbegrijpelijk en het arrest nietig.