Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:791

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00912
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:1671, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00912

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 3 februari 2016, nummer 21/002973-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

SCHRIFTUUR IN CASSATIE

Geacht College Ondergetekende,

Mr N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, kantoorhoudende aan het Schoolplein 2, te (1441 GV) Purmerend, die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:

[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

heeft hierbij de eer aan Uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede alle tussenbeschikkingen, van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21/002973-14

In deze zaak heeft het gerechtshof ‘s-Gravenhage bij arrest van 3 februari 2016 rekwirant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:

Middel I

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.

In het bijzonder heeft het Gerechtshof in relatie tot het onder 4 aan rekwirant verweten feit ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een voltooide diefstal.

Alvorens te kunnen spreken van een voltooide wegnemingshandeling in de zin van het bepaalde bij artikel 310 van het wetboek van strafrecht dient te worden vastgesteld dat het weggenomene zich in de heerschappij van de verdachte is gaan bevinden en/of aan de heerschappij van de benadeelde is onttrokken.

Door de rechtbank is bij vonnis vastgesteld dat er geldbedragen van de rekening van de benadeelde zijn overgemaakt naar een aan rekwirant toebehorende rekening. Rekwirant heeft het geld ook daadwerkelijk op zijn rekening zien staan, doch heeft nimmer over het geld kunnen beschikken ten gevolge van ingrijpen door de bank. Het Gerechtshof heeft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank overgenomen. Namens rekwirant is bij pleidooi in twee instanties bepleit dat sprake is van een onvoltooide diefstal, oftewel een poging tot diefstal.

Ten gevolge van het ingrijpen van de bank is het geld nimmer in de heerschappij, danwel beschikkingsmacht van rekwirant gekomen. De bank heeft door aldus te handelen er eveneens voor zorggedragen dat het geldbedrag nimmer buiten het bereik, de heerschappij van de benadeelde is geraakt.

Het Hof heeft ten onrechte het verweer dat duidelijk en door argumenten was geschraagd verworpen. Rekwirant heeft om die reden een rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de strafzaak, omdat het Hof waarnaar is verwezen of terugverwezen alsdan alsnog tot het oordeel kan komen dat rekwirant van de aan hem onder feit 4 ten laste gelegde voltooide diefstal dient te worden vrijgesproken.

Middel II

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.

In het bijzonder heeft het Gerechtshof in strijd met het bepaalde bij artikel 359 lid 2, lid 3 en lid 8 van het Wetboek van Strafvordering nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk door de verdediging naar voren gebracht onderbouwd standpunt, strekkende tot vrijspraak van rekwirant. Dit dient tot nietigheid van ’s Hofs arrest te leiden.

Namens rekwirant werd bij pleidooi gevraagd hem vrij te spreken van het aan hem onder 5 ten laste gelegde. De reden dat rekwirant van het bewuste feit zou moeten worden vrijgesproken is er in gelegen dat hij geld van de ene rekening van de aangever heeft overgemaakt naar de andere rekening van de aangever. Door aldus te handelen heeft rekwirant het geld nimmer in zijn beschikkingsmacht gehad, noch getracht het in zijn beschikkingsmacht te krijgen. Het geld is daarenboven niet uit de beschikkingsmacht van de aangever geweest, nu het zich telkens op een aan hem toebehorende rekening heeft bevonden. Gegeven dit standpunt, dat in eerste aanleg niet is bepleit, is verzocht rekwirant van het hem onder 5 verweten feit vrij te spreken.

Dit verweer, dat ondubbelzinnig bij pleidooi werd gevoerd en geschraagd is door argumenten, kan niet anders worden gezien, dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van het bepaalde bij artikel 359 Sv. Het gerechtshof was om die reden gehouden te responderen op dit verweer, indien het zou worden verworpen. Het verweer is verworpen, maar het Gerechtshof heeft nagelaten te responderen op het gevoerde verweer. Ten overvloede zij gewezen op de vaste rechtspraak van uw College, waaronder: ECLI:NL:HR:2009:BH0568.

Het Hof heeft nagelaten het verweer dat duidelijk en door argumenten was geschraagd te beoordelen. Rekwirant heeft om die reden een rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de strafzaak, omdat het Hof waarnaar is verwezen of terugverwezen alsdan alsnog tot het oordeel kan komen dat rekwirant van het aan hem onder feit 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

MET CONCLUSIE

Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College verzoekt het arrest van 3 februari 2016 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.