Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:780

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00634
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:4350, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00634

EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 februari 2016, nummer 22/002557-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

Middel

Verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt en/of schending van het recht. In het bijzonder zijn art. 359 juncto art. 415 Sv,alsmede art. 310 WvStr. geschonden doordien het Hof te 's-Gravenhage overwegingen bij de bewijsmiddelen heeft gebezigd die hetzij onbegrijpelijk zijn door onderlinge tegenstrijdigheid, hetzij zonder nadere toelichting onbegrijpelijk zijn en eveneens juist door nadere gebezigde bewijsoverwegingen (alsnog) onbegrijpelijk zijn geworden.

Bedoelde bewijsmiddelen zullen hierna in de toelichting nader worden benoemd en worden besproken. Dientengevolge is het arrest niet, althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee is tevens art. 6 EVRM geschonden, zulks ten onrechte.

Bovendien geeft het Hof een onjuiste uitleg aan de betekenis van art. 310 WvStr, zoals hierna eveneens besproken zal worden in de toelichting.

Toelichting

Bij bewijsmiddel 1 heeft het Hof als bewijs ondermeer gebezigd de verklaringen van [betrokkene]

'(...) Ik keek vanaf de eerste etage naar de begane grond en ik zag dat er een man werd aangewezen. Ik begreep dat deze man iets had gestolen. Ik ben voor de man gaan staan om zo te voorkomen dat hij de winkel uit liep. Ik heb de man verteld dat ik dacht dat hij een diefstal wilde plegen in de Blokker. De man gaf mij toen een harde duw op mijn rechter arm (...)'

Niet te begrijpen valt waarom het Hof zowel voor het bewijs gebezigd heeft de verklaring 'dat deze man iets gestolen had ' en 'een diefstal wilde plegen'; Deze verklaringen zijn niet met elkaar te rijmen waardoor het bewijsmiddel innerlijk tegenstrijdig is.

In de nadere bewijsoverweging stelt het Hof van oordeel te zijn dat in deze omstandigheden (door gebruik van geweld uit de winkel vluchten nadat verdachte was aangesproken door een personeellid van Blokker vanwege diefstal) het steunbewijs is gelegen dat de verdachte in deze Blokkerwinkel batterijen heeft weggenomen.

Het Hof overweegt daartoe dat, ofschoon het op zichzelf niet ondenkbaar is dat men zich wil onttrekken aan een valse beschuldiging van winkeldiefstal en men zich daarom niet onderwerpt aam het door winkelpersoneel ingesteld onderzoek, redelijkerwijs niet valt in te zien dat een onschuldige aan winkeldiefstal zich daarbij bedient van geweld. Met die geweldpleging stelt men zich immers bloot aan vervolging ongeacht of men aan winkeldiefstal schuldig blijkt'

Het Hof heeft door deze nadere bewijsoverweging de bewezenverklaring geen goed gedaan, immers door überhaupt (opm. MRM: niet ten overvloede) steunbewijs te bezigen heeft het Hof blijk gegeven de noodzaak te hebben gevoeld om na de drie daarvoor aangevoerde bewijsmiddelen nog een extra bewijsmiddel te concipiëren. Anders gezegd: de eerste drie bewijsmiddelen waren kennelijk niet voldoende om tot wettig en overtuigend bewijs van diefstal met geweld te komen.

Hetgeen het Hof vervolgens overweegt in deze nadere bewijsoverweging kan niet anders gezien worden dan eerst een erkenning van het Hof van de mogelijkheid dat de beschuldiging weleens vals zou kunnen zijn geweest en dat dan niet ondenkbaar is dat men zich wil onttrekken aan een onderwerping aan een onderzoek door winkelpersoneel. Op zich is deze gedachte al niet begrijpelijk omdat een onschuldige juist baat lijk te hebben bij nader onderzoek, maar dat terzijde opgemerkt.

Maar zonder nadere motivering valt de overweging van het Hof niet te begrijpen waarom de mogelijkheid van onschuld in beginsel wordt opengelaten en in casu niet door de bewijsmiddelen wordt uitgesloten. Deze gedachte is tevens in strijd met het onschuld presumptie en daarmee in strijd met art. 6 lid 2 van het EVRM. Het Hof gaat immers vervolgens iemand, die in beginsel onschuldig is aan diefstal alsnog verantwoordelijk houden voor diefstal met geweld, omdat redelijkerwijs niet in te zien valt waarom die onschuldige zich anders zou bedienen van geweld.

De redenering is echt niet te volgen en kan in zijn algemeenheid een kritische toets in cassatie geenszins weerstaan.

In de onderhavige zaak gaat dan ook nog eens spelen dat verdachte ter zitting van het Hof een niet onlogische en welgemotiveerde verklaring geeft waarom hij een duw heeft gegeven om weg te komen namelijk omdat hij in zijn leven zulke slechte ervaringen heeft gehad met de politie. Het Hof heeft ten onrechte niet op die verklaring gerespondeerd en ook daarom is het arrest onvoldoende gemotiveerd. In visie van het Hof zou een onschuldige van diefstal door met geweld te vluchten zich daarom alsnog schuldig hebben gemaakt aan diefstal. Waarom speciaal aan diefstal?

Deze niet te volgen redenering wordt vervolgens nog onbegrijpelijker wanneer het Hof direct daarna nog explicieter overweegt en daarmee eigenlijk totaal ontspoort door te overwegen dat met die geweldpleging men zich immers blootstelt aan een vervolging ongeacht of men aan winkeldiefstal schuldig blijkt. Het is evident en niet voor enige discussie vatbaar dat het Hof hier eigenlijk gewoon stelt dat een onschuldige aan diefstal alsnog zich schuldig kan maken aan diefstal door sec met geweld te vluchten hetgeen blijkt geen van een onjuiste lezing en interpretatie van art. 310 WvStr.

Uiteraard valt ook niet te begrijpen de overweging van het Hof dat iemand die geweld gebruikt (in casu een duw) daardoor zichzelf blootstelt aan vervolging en dat die persoon daarom nooit tot dat geweld zou kunnen besluiten als hij niet een diefstal zou hebben gepleegd. Naast hetgeen hierover reeds is opgemerkt, snijdt deze overweging ook geen hout omdat de kansenberekening van de mogelijkheid van een vervolging en afwegingen welke een al dan niet schuldige verdachte maakt bij de kennelijke keuze om via geweld te vluchten, van geval tot geval en voor iedere verdachte totaal anders kan liggen dan de gissing en conclusies die het Hof aan dat geweld en vluchtgedrag verbindt. In casu zegt verdachte ter zitting van het Hof slechte ervaringen te hebben gehad met de politie, maar ook heel goed denkbaar is bijvoorbeeld iemand die weet dat hij op de telex gesignaleerd staat om wat voor reden dan ook of gewoon haast heeft om op tijd ergens anders te zijn.

En de vraag of een onschuldige voor sec het toegepast geweld al dan niet vervolgd wordt is vervolgens ter beoordeling uitsluitend aan het Openbaar Ministerie (art. 12 Sv beklagzaken even niet meegerekend).

In dit kader wordt dan nog opgemerkt dat in de onderhavige zaak verdachte uitsluitend voor diefstal met geweld is vervolgd en niet voor sec het toepassen van geweld. Het geweld op zich in deze zaak (dus het geven van een duw) waardoor het personeelslid omviel was voor de Officier van Justitie geen reden om verdachte ook voor eenvoudige mishandeling te vervolgen. Het arrest van het Hof mist dan ook nog eens redengevendheid.