Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:778

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00583
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:10665, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00583

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 februari 2016, nummer 21/004740-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:

Edelhoogachtbaar College,

Daartoe door de rekwirant in cassatie, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, bepaaldelijk gevolmachtigd, heeft ondergetekende, mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage aan het Buitenhof 24, hierbij de eer aan Uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016.

Als cassatiemiddel wordt opgevoerd:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;

Toelichting:

Het Hof heeft bewezen verklaard dat verdachte op 21 mei 2015 op het treintraject van Amersfoort naar Hilversum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon toebehorende aan [betrokkene].

Tegen dat oordeel richt het middel zich.

Toelichting.

Blijkens de proces-verbaal van de terechtzitting bij het Hof van 2 februari 2016 heeft de raadsman aldaar het standpunt ingenomen dat aannemelijk is dat de deur van de cabine openstond, omdat er geen braakschade aan de deur van de cabine is geconstateerd en er geen sleutel wordt vermist. Rekwirant heeft in de cabine de telefoon van de tafel gepakt en aan de conducteur gegeven terwijl hij daarbij heeft gezegd: “Die heb ik gevonden”. Rekwirant dient te worden vrijgesproken omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.

Het hof heeft in een “Ambtshalve overweging” opgenomen:

Uit de aangifte volgt dat de aangever zag dat verdachte uit de cabine kwam, hij de mobiele telefoon van aangever in zijn hand had en hij probeerde die telefoon in zijn broekzak te verstoppen. Verdachte had in de cabine niets te zoeken. Het hof acht de lezing van de raadsman, dat verdachte de telefoon had gevonden en terug wilde geven aan de hoofdconducteur, volstrekt ongeloofwaardig.

Dat oordeel van het Hof is onbegrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen, de bewezenverklaring en het standpunt wat de raadsman namens de verdachte heeft ingenomen, blijkt dat rekwirant de telefoon op één of andere manier heeft gevonden, omdat hij hem op enig moment in zijn handen heeft gehad. Ook blijkt daaruit dat hij deze uit eigener beweging heeft teruggegeven aan de hoofdconducteur, en er derhalve ook een wil bij verdachte aanwezig was om deze aan de hoofdconducteur terug te geven. Het oordeel van het Hof dat de lezing dat de verdachte de telefoon heeft gevonden en deze terug wilde geven aan de hoofdconducteur, volstrekt ongeloofwaardig is, is daarom niet zondermeer begrijpelijk.

Van belang voor het oordeel omtrent de tenlastelegging is, mede in het licht van het door de raadsman namens de verachte gevoerde verweer, of de verdachte op het moment dat hij de telefoon in zijn hand nam het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening van die telefoon. Uit het door het Hof gegeven motivering kan een dergelijk oordeel niet volgen.

Het oordeel van het Hof is daarmee onvoldoende gemotiveerd. De verwerping door het Hof van het door de raadsman uitdrukkelijk ingenomen standpunt met de daaraan verbonden conclusie dat de verdachte diende te worden vrijgesproken, is daarmee door het Hof onvoldoende van een motivering voorzien, althans is deze onbegrijpelijk.

Mitsdien

Op vorenstaande gronden moge het Uw Edelhoogachtbaar College behagen gemeld arrest te vernietigen met zodanige verdere uitspraak, als aan Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.