Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:775

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00212
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4066, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00212

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 september 2015, nummer 23/003381-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.D. de Fluiter, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

SCHRIFTUUR houdende een middel van cassatie inzake:

Het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 30 september 2015, bekend onder parketnummer.23/003381-14, gewezen in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 29 augustus 2014, bekend onder parketnummer 15/119584-14.

In de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

MIDDEL - Strijd met artikelen 358 lid 2 jo. 359 lid 2 Sv

Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd, zoals bedoeld in artikel 79 RO doordat het hof ter terechtzitting van 16 september 2015 het door requirant in hoger beroep voorgedragen verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, zodat 's Hofs bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Immers heeft het hof het alternatieve scenario, zoals door de verdediging ter terechtzitting aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Toelichting

1. Requirant heeft ter terechtzitting steeds het standpunt ingenomen dat hij niet de persoon is die op de beelden te zien zou zijn geweest. In hoger beroep heeft de verdediging opnieuw aangevoerd dat het niet requirant was die de goederen heeft weggenomen maar een andere, onbekend gebleven, persoon. Requirant zou de tas met goederen van deze persoon in handen gekregen hebben zo stelt hij.

2. Het hof verwerpt voornoemd verweer en overweegt daarbij: "Reeds de inhoud van de bewijsmiddelen weerlegt het door de verdediging geschetste alternatieve scenario".

3. Nu het hof het namens requirant in hoger beroep voorgedragen verweer, ten onrechte heeft verworpen, althans onvoldoende gemotiveerd, zodat 's Hofs bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, is requirant van mening dat het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 30 september 2015 voor vernietiging en verwijzing in aanmerking komt.