Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:774

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00138
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:8740, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00138

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 november 2015, nummer 21/001476-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993, wonende te [woonplaats], hierna te noemen verzoeker, geeft eerbiedig te kennen,

Op 17 november 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden arrest gewezen onder nummer 21/001476-14 in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden gewezen op 7 maart 2014 onder parketnummer 18/730083-13.

Binnen de daarvoor gestelde termijn is namens verzoeker beroep in cassatie gesteld, thans in behandeling onder griffienummer 5 16/00138

Thans wordt de cassatieschriftuur ingediend namens verzoeker.

MIDDEL 1:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen, voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, met name schending van artikel 344 lid 2 Sv, nu niet aan het bewijsminimum is voldaan omdat uit een verklaring die niet is gebezigd voor het bewijs volgt dat de verklaring van de aangever/verbalisant onvoldoende overtuigend is.

In dit middel wordt geklaagd over het bewijsminimum.

TOELICHTING:

In deze zaak zijn drie verklaringen relevant: de verklaring van [verbalisant 1] opgenomen in zowel proces-verbaal aanhouding (pagina 9) als in proces-verbaal aangifte (pagina 12) en de verklaring van [verbalisant 2] in proces-verbaal bevindingen (pagina 14). Dit laatste proces-verbaal is niet gebezigd voor het bewijs.

Uit het proces-verbaal aanhouding volgt dat slechts de waarneming van verbalisant [verbalisant 1] het bewijs levert van de tenlastelegging, ondanks dat het proces-verbaal is opgemaakt door drie verbalisanten, te weten [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

In dit proces-verbaal wordt, zoals aangegeven door de raadsman, uitsluitend door [verbalisant 1] verklaard dat verzoeker gezegd zou hebben "ik maak jou kapot en jij gaat ook kapot [verbalisant 1]". Dit houdt in dat er gezegd zou zijn tegen [verbalisant 1] dat hij ook kapot gaat en dat daarnaast een ander kapot zou gaan. De tenlastelegging houdt uitsluitend een bedreiging in jegens [verbalisant 1].

De in de tenlastegelegde opgenomen bedreiging "ik maak jou kapot en jij gaat ook kapot [verbalisant 1]" wordt uitsluitend bevestigd in de verklaring van [verbalisant 1]. Dat houdt in dat het bewijs volgt uit slechts een verklaring. Op grond van artikel 344 lid 2 Sv zou dit toereikend kunnen zijn nu het een verklaring is van een verbalisant. Het proces-verbaal aangifte heeft dezelfde bron als het proces-verbaal aanhouding. In deze zaak wordt het bewijs geleverd door uitsluitend de verklaring van [verbalisant 1], ondanks dat deze is opgenomen in twee processen-verbaal.

In het dossier bevindt zich bovendien een proces-verbaal bevindingen, opgemaakt door een van de opstellers van het proces-verbaal aanhouding, te weten [verbalisant 2].

Uit het proces-verbaal bevindingen volgt dat slechts is waargenomen dat een ander dan slachtoffer zou zijn bedreigd. In dit proces-verbaal komt aan de orde dat verzoeker zou hebben geroepen "jij gaat kapot" en hierbij naar verbalisant [verbalisant 3] bleef kijken.

In deze zaak voldoet de voor het bewijs gebezigde verklaring niet aan het bewijsminimum. Naast de verklaring van de aangever/verbalisant is namelijk een andersluidende verklaring opgenomen van een getuige/verbalisant.

Ten onrechte heeft deze verklaring geen enkele rol gespeeld bij de bewezenverklaring, ondanks dat de raadsman daarop heeft gewezen.

Dat een enkele verklaring onder omstandigheden toereikend kan zijn volgt uit de opvatting dat ten behoeve van de wetshandhaving met een met minder waarborgen omklede rechtsgang genoegen wordt genomen. Dat is niet onaanvaardbaar, mits er voldoende, compenserende waarborgen overblijven. In deze zaak had de enkele verklaring niet tot het volledige bewijs mogen dienen nu een andere verklaring -evenzeer van een verbalisant die ter plekke was- laat zien dat de verklaring van de aangever onvoldoende betrouwbaar is.

In de noot onder uw arrest gewezen op 10 februari 2004 (NJ2004,452) wordt onder 6 aangegeven dat de Nederlandse opsporingsambtenaar in het algemeen zeer zeker integer is. "maar dat alle opsporingsambtenaren onder alle omstandigheden volstrekt onkreukbaar zijn, dat leert de ervaring niet". In deze zaak blijkt voldoende dat er wellicht toch iets anders is gebeurd dan dat aangever/verbalisant heeft verklaard.

In deze zaak is geen sprake van slechts een verklaring omtrent het wel of niet gebeurde. In deze zaak zijn twee verklaringen opgenomen, een van de aangever/verbalisant en een van een getuige/verbalisant. Slechts onder de omstandigheid dat er maar een verklaring voor handen is mag op basis van artikel 344 lid 2 Sv het bewijs volgen. Bij twee verklaringen die niet eensluidend zijn, zelfs, kan zonder nadere motivering waarom de getuigenverklaring niet tot een ander oordeel leidt, niet het bewijs volgen op basis van slechts een verklaring.

Met dit middel wordt niet betoogd dat de opmerking "en jij ook [verbalisant 1]" ondersteunend bewijs nodig heeft van een getuige naast de verbalisant, maar het middel betoogt dat nu de getuige niet verklaart over de tenlastegelegde passage "en jij ook [verbalisant 1]" niet aan het bewijsminimum is voldaan, nu er voldoende aanknopingspunten zijn dat de verklaring van aangever/verbalisant onvoldoende betrouwbaar is, althans deze betrouwbaarheid kan niet zonder nadere motivering worden aangenomen.

De verklaring van aangifte is onvoldoende overtuigend en derhalve wordt niet voldaan aan het bewijsminimum.

Redenen waarom verzoeker Uw Raad verzoekt om het arrest van het Hof te vernietigen.