Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:76

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
15/03561
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:223, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:1760, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10, lid 2, Wet BPM en art. 8, lid 4, letter a, Uitvoeringsregeling BPM; art. 110 VWEU; heffing bpm ter zake van de registratie van een in het buitenland aangekochte, gebruikte auto; bepaling hoogte van de afschrijving van de historische nieuwprijs aan de hand van prijs die handelaar aan een particulier betaalt bij aankoop van gelijksoortige in Nederland geregistreerde personenauto’s (‘marge-auto’).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0625 met annotatie van Heleen Elbert
V-N Vandaag 2017/191
V-N 2017/7.24.1
FutD 2017-0237 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/270 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2017

nr. 15/03561

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 juni 2015, nrs. BK-14/01380 tot en met BK‑14/01393, op het hoger van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/6379, SGR 12/6383, SGR 12/6384, SGR 12/6386 tot en met SGR 12/6390, en SGR 12/6394 tot en met SGR 12/6399) betreffende veertien door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 6 april 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:223).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Voor zover vorenbedoelde reactie van de zijde van belanghebbende klachten bevat tegen ’s Hofs beslissing met betrekking tot de rente, slaat de Hoge Raad daarop geen acht, aangezien belanghebbende geen principaal beroep in cassatie heeft ingesteld en de klachten evenmin heeft aangevoerd binnen de termijn waarbinnen incidenteel beroep in cassatie kon worden ingesteld.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

Middel I faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/02273 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

2.2.

Middel II kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 15/03562 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1485, derhalve € 742,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. Van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.