Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:754

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/00790
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:3, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Bestuurdersaansprakelijkheid. Benadeling crediteur vennootschap door transactie waarbij aandelen die deze vennootschap hield werden overgedragen; verhouding tot tegenprestatie. Uitleg uitspraak hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2017/62
JWB 2017/169
RN 2017/64
NJB 2017/1027
JONDR 2017/753
RvdW 2017/531
OR-Updates.nl 2017-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 april 2017

Eerste Kamer

16/00790

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. WEAVER B.V.,
gevestigd te Naarden,

2. PARNASSUS PARTICIPATIEFONDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

3. VENDIA GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats], België,

5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

1. ALSTONVILLE PROPERTIES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

2. TROPICAL INDUSTRIAL INVESTMENTS LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. Chr.F. Kroes.

Eisers zullen hierna ook afzonderlijk worden aangeduid als Weaver, PPF, Vendia, [eiser 4] en [eiser 5], en gezamenlijk als Weaver c.s. Verweersters zullen hierna ook afzonderlijk worden aangeduid als Alstonville en Tropical, en gezamenlijk als Alstonville c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 498670 / HA ZA 11-2434 van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2012, 21 november 2012 en 27 augustus 2014;

b. de arresten in de zaak 200.158.363/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2015 en 19 januari 2016.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 10 november 2015 hebben Weaver c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Alstonville c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Weaver c.s. mede door mr. B.F. Assink.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing. De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 20 januari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (zie voor schematische weergaven van de aandeelhoudersrelaties de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1).

(i) Vendia UK Limited is een werkmaatschappij, waarvan de aandelen aanvankelijk door Vendia werden gehouden. Alstonville en Weaver hadden aanvankelijk beide een belang in Vendia. PPF is de moedermaatschappij van Weaver. Tropical houdt via AVA Corporation N.V. (hierna: AVA Corporation) een meerderheid van de aandelen in Alstonville. [eiser 4] en [eiser 5] zijn (indirect) bestuurder van Weaver, PPF en Vendia.

(ii) In maart en mei 2007 heeft Alstonville haar aandelen Vendia aan Weaver verkocht en geleverd, waardoor Weaver 94,25% van de aandelen in Vendia verkreeg. Alstonville en Weaver hebben hiertoe – samen met AVA Corporation en Vendia – op 26 maart 2007 een ‘Share and Receivable Purchase Agreement’ (hierna: de SRPA) gesloten. De SRPA regelt onder meer de overdracht van de aandelen en de achterstelling van bestaande vorderingen van Weaver op Vendia.

(iii) Weaver heeft een deel van de koopprijs voldaan.
Ter zake van het resterende bedrag van € 1.459.503,81 (hierna: de resterende koopsom) heeft Weaver op 25 mei 2007 een Promissory Note (hierna: de Note) aan Alstonville verstrekt. De betalingsverplichting is als volgt in de Note verwoord:

“1. Maturity. The principal amount of this Promissory Note (…) shall be paid in full, (…) on March 31, 2011 or such other date as may be agreed between the Maker [=Weaver] and Alstonville in writing (the ‘Maturity Date’).”

(iv) Vendia heeft op 21 september 2010 haar aandelen in Vendia UK Limited verkocht aan SnackTime plc (hierna: SnackTime, en als de transactie bedoeld wordt: de SnackTime-transactie). De koopprijs is (grotendeels) voldaan in aandelen SnackTime, waardoor Vendia een belang van 40% in SnackTime verkreeg. In de koopovereenkomst is een zogenoemde lock up opgenomen, in de vorm van de bepaling dat Vendia gedurende een periode van 24 maanden de aandelen SnackTime niet mag verkopen, en dat zij daarna gedurende nog eens 12 maanden 60% van haar belang in SnackTime niet mag verkopen.

(v) Bij brief van 23 maart 2011 is Weaver namens Alstonville gesommeerd om uiterlijk op 31 maart 2011 de resterende koopsom aan Alstonville te voldoen.

(vi) Op 25 maart 2011 heeft Weaver haar aandelen Vendia aan PPF verkocht. In de daartoe tussen PPF, Weaver en Vendia gesloten overeenkomst (hierna: de Transactie) is over de koopprijs van de aandelen Vendia het volgende bepaald:

“3.1 De vergoeding is de koopsom die PPF betaalt aan Weaver voor de verkrijging van de Aandelen en deze is gelijk aan (1) Euro, te vermeerderen met iedere Vendia Uitkering zoals deze door PPF zal worden ontvangen, verminderd met in verband daarmee door PPF te betalen kosten, belastingen en heffingen en met dien verstande dat de Vergoeding nimmer meer zal bedragen dan het Vreemd Vermogen op het moment van voldoening van de Vergoeding.”

(vii) Eveneens op 25 maart 2011 hebben Weaver en Vendia een leningsovereenkomst gesloten met betrekking tot hun wederzijdse ‘intercompany’-vorderingen (hierna: de Leningsovereenkomst). De relevante bepalingen van de Leningsovereenkomst luiden als volgt:

“OVERWEGINGEN:

(…)

(B) Partijen zijn op 25 mei 2007 tezamen met Alstonville (…) en AVA Corporation N.V. een share and receivable purchase agreement (de ‘SRPA’) overeengekomen. In artikel 11 van de SRPA is bepaald dat vorderingen die Weaver mocht hebben op Vendia niet opeisbaar en betaalbaar zullen zijn zolang Weaver niet aan Alstonville (…) de verschuldigde bedragen onder een zogeheten Promissory Note van 25 mei 2007 (de ‘Note’) heeft voldaan.

(…)

1. Definities

(…)

‘Vorderingen’: de Vendia Vordering en/of de Weaver Vordering

(…)

2.1

Weaver verklaart dat zij een bedrag te vorderen heeft van Vendia hetgeen Vendia bevestigt (de ‘Weaver Vordering’). Partijen bevestigen dat per 31 december 2010 de Weaver Vordering EUR 1.512.968 bedraagt (…)

2.2

Vendia verklaart dat zij een bedrag te vorderen heeft van Weaver hetgeen Weaver bevestigt (‘de Vendia Vordering’). Partijen bevestigen dat per 31 december 2010 de Vendia Vordering EUR 17.611 bedraagt (welk bedrag na 31 december 2010 (door het oplopen van rente – zie artikel 3 – zal vermeerderen). (…)

4.1

Conform het bepaalde in de SRPA, geldt dat de Weaver Vordering een achtergesteld karakter heeft, in die zin dat zolang de Note nog niet door Weaver is voldaan, Vendia geen betaling zal doen op de Weaver Vordering.

(…)

6.1

Zolang de Note niet door Weaver is voldaan, zijn de Vorderingen niet opeisbaar te maken door opzegging of anderszins.

6.2

Nadat de Note is voldaan, kan ieder der Partijen haar eigen Vordering opeisbaar maken door een schriftelijke mededeling te doen aan de andere partij, met dien verstande dat de respectieve Vordering slechts opeisbaar is op een termijn van zes (6) maanden na datum van ontvangst van die mededeling.”

(viii) De beurskoers van de aandelen SnackTime laat de volgende negatieve ontwikkeling zien:

- 21 september 2010 (de dag van de SnackTime-transactie): 150 pence;

- 24 maart 2011 (de dag van de Transactie en de Leningsovereenkomst): 109,5 pence;

- 1 april 2011 (de dag van opeisbaarheid van de Note): 109,5 pence en

- 5 maart 2013 (vlak voor de comparitie van partijen): 8 pence.

(ix) Bij brief van 1 juni 2011 aan Weaver, [eiser 4] en [eiser 5] heeft Alstonville verklaard de Transactie buitengerechtelijk te vernietigen.

(x) Bij brief van 29 juni 2011 aan Weaver, Vendia, PPF, [eiser 4] en [eiser 5] heeft Alstonville verklaard de Leningsovereenkomst buitengerechtelijk te vernietigen.

(xi) Tropical heeft bij brieven van 30 augustus 2011 aan Weaver, Vendia, PPF, [eiser 4] en [eiser 5] verklaard de Transactie en de Leningsovereenkomst buitengerechtelijk te vernietigen.

3.2.1

Alstonville c.s. hebben in dit geding – voor zover in cassatie van belang – gevorderd:

“A. veroordeling van Weaver tot betaling van € 1.459.503,81, vermeerderd met de overeengekomen rente van 6% vanaf 25 mei 2007;

(…)

C. een verklaring voor recht dat de Transactie op 1 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd;

D. een verklaring voor recht dat de Leningsovereenkomst, althans art. 6 daarvan, op 29 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd;

(…)”.

3.2.2

De rechtbank heeft Weaver veroordeeld tot betaling aan Alstonville van € 1.465.925,81 vermeerderd met 6% rente per jaar over € 1.459.503,81 met ingang van 25 mei 2007 tot aan de dag der voldoening (vordering A). Daarnaast heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de tussen Weaver, PPF en Vendia op 25 maart 2011 gesloten overeenkomst (de Transactie) op 1 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd en dat de tussen Weaver en Vendia op 25 maart 2011 gesloten Leningsovereenkomst op 29 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd (vorderingen C en D). De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen voor voortprocederen. Daaraan heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

Wat betreft de vraag of Weaver c.s., door het sluiten van de Transactie en de Leningsovereenkomst (door het hof en hierna samen genoemd: de Interne Herstructurering), Alstonville hebben benadeeld in haar mogelijkheden verhaal te nemen op het vermogen van Weaver, heeft het hof overwogen:

“3.15 Vaststaat dat de Interne Herstructurering feitelijk tot gevolg heeft gehad dat het vermogen van Weaver is teruggebracht tot 1 euro. Weliswaar heeft Weaver tevens een vordering op PPF maar de waarde daarvan is afhankelijk van toekomstige dividenden van Vendia (mogelijk zelfs uit te keren in aandelen). Bovendien is in de leningsovereenkomst de opeisbaarheid daarvan uitgesteld totdat aan de verplichtingen uit de Note is voldaan. Een eventueel beslag op die vordering zou dus niets opleveren. Het is dan ook evident dat de mogelijkheden van verhaal voor Alstonville op het vermogen van Weaver als gevolg van de Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden.”

Het hof vervolgt dat Alstonville zich zonder de Interne Herstructurering had kunnen verhalen op het vermogen van Weaver, bestaande uit aandelen Vendia – welke vennootschap op dat moment beschikte over aandelen SnackTime met een geschatte waarde van bijna GBP 6 miljoen. Alstonville heeft gesteld dat dit ruim toereikend was voor de resterende koopsom, zelfs als daarin de lock up-verplichting wordt verdisconteerd. Weaver c.s. hebben dit onvoldoende weersproken, zodat de benadeling vaststaat. (rov. 3.16) Weaver c.s. hadden wetenschap van de benadeling, nu de Interne Herstructurering als enig doel had te voorkomen dat Alstonville haar vordering uit hoofde van de Note daadwerkelijk zou gaan verhalen op het vermogen van Weaver, bestaande uit haar aandelen in Vendia
(rov. 3.17).

3.3.1

Onderdeel 2.1 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in zijn hiervoor (in 3.2.3) geciteerde rov. 3.15 heeft overwogen dat de opeisbaarheid van de vordering van Weaver op PPF in de Leningsovereenkomst is uitgesteld totdat aan de verplichtingen onder de Note is voldaan. Volgens het onderdeel heeft de betrokken bepaling in de Leningsovereenkomst geen betrekking op de vordering van Weaver op PPF (wegens de verkoop van aandelen Vendia bij de Transactie uit 2011), maar op vorderingen van Weaver op Vendia genoemd in de SRPA uit 2007, en hebben Weaver c.s. dit in feitelijke instanties ook aangevoerd.

3.3.2

Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft, naar aanleiding van de stelling van Weaver c.s. dat geen sprake is geweest van benadeling, in rov. 3.15 de gevolgen van de Interne Herstructurering voor de verhaalsmogelijkheden van Alstonville beoordeeld. Het heeft overwogen dat hetgeen Weaver in ruil voor de aandelen Vendia heeft ontvangen, bestaat uit de koopprijs van 1 euro en een vordering van Weaver op PPF waarvan de waarde afhangt van toekomstige dividenden van Vendia. Gelet hierop en op de oordelen van het hof aan het slot van rov. 3.15 dat een eventueel beslag op de vordering van Weaver op Vendia niets zou opleveren en dat de verhaalsmogelijkheden van Alstonville op het vermogen van Weaver als gevolg van de Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden, moet het oordeel van het hof in de derde zin van rov. 3.15 dat “in de leningsovereenkomst de opeisbaarheid daarvan” is uitgesteld totdat aan de verplichtingen uit de Note is voldaan, aldus worden begrepen dat in de Leningsovereenkomst tussen Weaver en Vendia de opeisbaarheid van de vordering van Weaver op Vendia is uitgesteld totdat Weaver de Note heeft voldaan. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft dat oordeel dus geen betrekking op de opeisbaarheid van een vordering op PPF.

3.3.3

Het oordeel van het hof dat de Interne Herstructurering Alstonville heeft benadeeld doordat daarbij een waardevol pakket aandelen werd ingeruild voor een koopsom van 1 euro en een vordering waarvan de waarde mede afhankelijk was van toekomstig dividend – en de daarover te nemen besluiten – terwijl daarbij bovendien de vordering van Weaver op Vendia aan verhaal werd onttrokken, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. Hierop stuiten de overige klachten van onderdeel 2 af.

3.4

De klachten van de onderdelen 1 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Weaver c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Alstonville c.s. begroot op € 6.590,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 21 april 2017.