Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:75

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
16/03536
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 30, lid 2, Wet WOZ. Geen sprake van intrekking bezwaar indien belanghebbende tijdens de bezwaarprocedure zijn gronden wijzigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0288 met annotatie van Wendy Nent
V-N Vandaag 2017/188
V-N 2017/8.24 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2017/86 met annotatie van J.P. Kruimel
BNB 2017/74
FED 2017/57 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
FutD 2017-0244
NTFR 2017/280 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
JGROND 2017/23 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2017

nr. 16/03536

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2016, nr. BK-15/01058, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/6607) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (gebruikersheffing) van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2014 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 7 april 2014 bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde “aanslag/beschikking”. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld en heeft hij verzocht het taxatieverslag toe te zenden. Het bezwaarschrift vervolgt: “Indien de WOZ-waarde op basis van uw taxatieverslag toch juist blijkt te zijn, zal ik dit bezwaarschrift per omgaande intrekken.”

2.1.2.

In een brief met dagtekening 2 mei 2014 heeft belanghebbende vermeld dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak marktconform en derhalve niet in geschil is. Omdat de onroerende zaak een leegstaand beleggingsobject is, moet de aanslag in de gebruikersbelasting echter worden vernietigd, aldus deze brief.

2.1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag in de gebruikersheffing vernietigd en een proceskostenvergoeding toegekend. Hij is bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding uitgegaan van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

2.1.4.

Bij de Rechtbank en het Hof was in geschil tot welk bedrag de heffingsambtenaar dient te worden veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

2.1.5.

Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van minder dan 1 in aanmerking te nemen.

2.2.

Het eerste middel betoogt dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat belanghebbende zijn initiële bezwaar heeft ingetrokken en niet tweemaal tegen dezelfde aanslag bezwaar kan worden gemaakt.

2.3.

Ingevolge artikel 30, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken wordt een bezwaar tegen een WOZ-beschikking die is bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met een aanslag onroerendezaakbelastingen, geacht mede gericht te zijn tegen die aanslag, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. In het bezwaarschrift komt belanghebbende op tegen de vastgestelde waarde en daarmee tevens tegen de op die waarde gebaseerde aanslag. Het stond belanghebbende vrij om bij de aanvulling van de gronden van het bezwaarschrift zijn klachten tegen de WOZ-beschikking te laten varen en tegelijkertijd de gronden van zijn bezwaar tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (gebruikersheffing) kenbaar te maken. Anders dan het middel betoogt kan onder die omstandigheden niet worden gesproken van intrekking van het bezwaar en het maken van een - niet-ontvankelijk - tweede bezwaar tegen de aanslag onroerendezaakbelasting. Het eerste middel faalt daarom.

2.4.

Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.