Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:716

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/00770
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1238, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:9, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Naheffing van onterecht ontvangen teruggaaf loonheffingen. Verzoek in de zin van artikel 20, lid 1, AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2017/100 met annotatie van J.A. SMIT
BNB 2017/155 met annotatie van A.L. Mertens
V-N Vandaag 2017/893
V-N 2017/21.5 met annotatie van Redactie
FutD 2017-0965 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/1051 met annotatie van De redactie
NLF 2017/1103 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 april 2017

nr. 16/00770

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 januari 2016, nr. 14/00532, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/3939) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 1 december 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1238).

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft over het tijdvak van 21 mei 2007 tot en met 17 juni 2007 (hierna: periode 6 van 2007) per saldo € 36.421 aan loonheffing betaald. Voor het tijdvak van 18 juni 2007 tot en met 15 juli 2007 (hierna: periode 7 van 2007) heeft belanghebbende op 5 juli 2007 aangifte gedaan naar een bedrag van € 37.954, wederom op 5 juli 2007 naar een bedrag van nihil en omstreeks 11 juli 2007 naar een bedrag van € 37.941. Per saldo heeft belanghebbende over dit tijdvak € 37.941 betaald. Bij de tweede aangifte over periode 7 van 2007, die door de Inspecteur is ontvangen op 9 juli 2007, is tevens vermeld dat de verschuldigde loonheffing over periode 6 van 2007 nihil is. Naar aanleiding hiervan is € 36.961 teruggaaf loonheffing verleend en aan belanghebbende uitbetaald.

2.1.2.

Bij brief van 25 februari 2008 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht dat de terugbetaling ten onrechte is gedaan. Met dagtekening 19 december 2012 is het teruggegeven bedrag aan loonheffing van € 36.961 nageheven.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de op 9 juli 2007 door de Inspecteur ontvangen mededeling dat de verschuldigde loonheffing over periode 6 van 2007 nihil is, een verzoek om teruggaaf is in de zin van artikel 20, lid 1, AWR. Daarvoor is volgens het Hof niet van belang of bedoelde mededeling gericht was op teruggaaf van belasting. Het enkele feit dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan dat ten onrechte ertoe heeft geleid dat teruggaaf van belasting is verleend, volstaat naar het oordeel van het Hof voor naheffing op basis van de per 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 20, lid 1, AWR, die vanwege het ontbreken van overgangsrecht onmiddellijke werking heeft.

2.3.1.

Tegen het in 2.2. vermelde oordeel richten zich de eerste twee middelen.

2.3.2.

De middelen houden in dat een verzoek om teruggaaf van loonheffing alleen kan worden gedaan door middel van een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 en dat een verzoek om teruggaaf nimmer binnen de aangiftetermijn kan worden gedaan. De middelen falen. Van een verzoek in de zin van artikel 20, lid 1, tweede volzin, AWR is sprake indien de inspecteur redelijkerwijs een mededeling heeft kunnen opvatten als een verzoek om teruggaaf van belasting. Dat geldt ongeacht het moment waarop die mededeling wordt gedaan. Deze uitleg strookt met de parlementaire toelichting bij de wijziging van artikel 20 AWR per 1 januari 2010, waarin is opgemerkt dat de Belastingdienst belastingplichtigen van dienst wil blijven met een snelle reactie, “zonder elk verzoek dat ontijdig is of anderszins niet aan de formele vereisten voldoet, aan een grondig onderzoek te moeten onderwerpen alvorens daarop een (ambtshalve) beslissing te nemen” (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 27).

2.3.3.

In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de Inspecteur de op 9 juli 2007 ontvangen mededeling redelijkerwijs kon opvatten als een verzoek om teruggaaf van loonheffing over periode 6 van 2007. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet in verdergaande mate worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.

2.4.

De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.