Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:653

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
15/02955
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1100, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Kosten rechtsbijstand. Liquidatietarief. HR herhaalt uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1533 en ECLI:NL:HR:2000:ZD1786 dat rechtsbijstandskosten geen rechtstreekse schade zijn a.b.i. art. 51f.1 Sv en daarom niet als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv kunnen worden gevorderd, dan wel in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de svm. Wel zijn ze te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ex art. 592a Sv een afzonderlijke beslissing dient te geven die ex art. 361.6 Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Voorts herhaalt de HR ECLI:NL:HR:2001:AB1819 en ECLI:NL:HR:2002:AD8866 m.b.t. de i.h.k.v. art. 592a Sv te hanteren maatstaf en het in civiele procedures gehanteerde liquidatietarief. De rechter kan het aangewezen achten het “liquidatietarief kantonzaken” toe te passen als de vordering beneden de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter blijft dan wel in voorkomende gevallen de proceskosten berekenen overeenkomstig het “liquidatietarief rechtbank of hof”. De rechter kan evenwel van het door hem toepasselijk geachte liquidatietarief afwijken, al zal hij wanneer hij de werkelijke kosten wenst te vergoeden, die afwijking dienen te motiveren (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG7995). I.c. heeft het hof onder het aan de b.p. toegekende bedrag de kosten voor rechtsbijstand begrepen en heeft dientengevolge die kosten ook in aanmerking genomen bij de oplegging van de maatregel van art. 36f.1 Sr. Daarmee heeft het hof miskend hetgeen hiervoor is overwogen. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Wetboek van Strafvordering 333
Wetboek van Strafvordering 335
Wetboek van Strafvordering 361
Wetboek van Strafvordering 592a
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 239
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 241
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 283
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/984
NJ 2017/366 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2017/489
NBSTRAF 2017/182
SR-Updates.nl 2017-0183
PS-Updates.nl 2017-0369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 april 2017

Strafkamer

nr. S 15/02955

AGE/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 13 maart 2015, nummer 24/002563-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van de benadeelde partij [betrokkene 1] is opgelegd en te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, alsmede ten aanzien van de strafoplegging en tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 4.000,- kunnen worden toegewezen, rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is, alsmede de klacht dat het Hof ten onrechte de kosten voor rechtsbijstand in aanmerking heeft genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr.

3.2.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.368,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van de proceskosten van € 2.000,- gevorderd en heeft de benadeelde partij de post "Begrafenis in Turkije", waarvan de kosten in eerste aanleg nog niet bekend waren aangevuld met kosten, te weten € 5.000,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uitvaart [betrokkene 2] in Almere

De post bedraagt € 1.918,65 en is voldoende onderbouwd. Deze post is niet door de verdediging betwist en verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Tickets voor de begrafenis in Turkije

Deze post bedraagt € 1.450,- en is voldoende onderbouwd. Het hof acht deze post toewijsbaar.

(...)

Kosten rechtsbijstand

Deze post bedraagt totaal € 5.500,- (€ 3.500,- in eerste aanleg en € 2.000 in hoger beroep) De benadeelde partij is in eerste aanleg bijgestaan door mr. M. Eversteijn. In hoger beroep is de benadeelde partij bijgestaan door mr. C.C. Polat. Door de benadeelde partij is vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gevorderd.

Het hof ziet aanleiding verdachte te veroordelen in de gevorderde kosten van het geding die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Anders dan de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep is de vordering ter zake van die kosten die zijn gemaakt in eerste aanleg niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien. Er is door de toenmalige raadsman een urenspecificatie overgelegd waarin met zwarte stift aanpassingen zijn aangebracht en met potlood verbeterde berekeningen zijn gemaakt. Het hof acht de urenspecificatie een onvoldoende grondslag voor toewijzing van het gevorderde en zal de vergoeding van de in eerste aanleg gemaakte kosten naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 2.000,-. Het inschakelen van rechtsbijstand door de benadeelde partij, is gelet op de aard en omvang van de vordering niet onredelijk en niet ongegrond.

(...)

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(...)

Beslissing

(...)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.368,65 (...) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.368,65 (...) bestaande uit materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (...) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."

3.3.

Art. 51f Sv luidt:

"1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun vordering voegen.

(...)"

Art. 333 Sv luidt:

"Indien naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet ontvankelijk is, kan zij zonder nader onderzoek van de zaak de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken."

Art. 335 Sv luidt:

"Behoudens toepassing van art. 333 doet de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij uitspraak gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak."

Art. 361 Sv luidt:

"(...)

4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.

(...)

6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt."

Art. 592a Sv luidt:

"Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken."

Art. 6:96 BW luidt:

"1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.

2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.

(...)"

Art. 237 Rv luidt:

"1. De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.

(...)

3. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.

4. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.

(...)"

Art. 238 Rv luidt:

"1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.

2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist."

Art. 239 Rv luidt:

"In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht."

Art. 241 Rv luidt:

"Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.
(...)"

3.4.1.

Het volgende wordt voorop gesteld.

3.4.2.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801). Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.4.3.

Het voorgaande brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

3.4.4.

Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn - anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in art. 51f Sv en art. 6:96 BW - te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, zesde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

3.4.5.

Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, NJ 2002/123). Bij dat uitgangspunt dienen enkele kanttekeningen te worden geplaatst.

In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van door een in het ongelijk gestelde partij te vergoeden proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het op rechtspraak.nl gepubliceerde 'Salarissen in rolzaken kanton' of in het 'Liquidatietarief rechtbanken en hoven'. Zo een liquidatietarief is geen recht in de zin van art. 79 RO, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn (vgl. HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571). Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op de door de raadsman verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd.

(Vgl. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8866.)

De rechter kan het aangewezen achten, kort gezegd, het "liquidatietarief kantonzaken" toe te passen als de vordering beneden de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter blijft dan wel in voorkomende gevallen de proceskosten berekenen overeenkomstig het "liquidatietarief rechtbank of hof". De rechter kan evenwel van het door hem toepasselijk geachte liquidatietarief afwijken, al zal hij wanneer hij de werkelijke kosten wenst te vergoeden, die afwijking dienen te motiveren. (Vgl. HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995, NJ 2009/234.)

3.5.

Het Hof heeft onder het aan de benadeelde partij [betrokkene 1] toegekende bedrag aan schadevergoeding de kosten voor rechtsbijstand begrepen en heeft dientengevolge die kosten ook in aanmerking genomen bij de oplegging van de maatregel van art. 36f, eerste lid, Sr. Daarmee heeft het Hof miskend hetgeen hiervoor onder 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen.

3.6.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het vierde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, daaronder begrepen de beslissing ter zake van de oplegging van de maatregel van art. 36f, eerste lid, Sr, en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, alsmede de beslissing omtrent de proceskosten;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017.