Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:644

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
15/03755
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:240, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft de buit afkomstig van een woninginbraak voorhanden. Bewezenverklaarde diefstal toereikend gemotiveerd? De HR geeft – met verwijzing naar eerdere arresten – algemene beschouwingen over de bewezenverklaring van diefstal van een gestolen goed dat de verdachte voorhanden heeft, dan wel de kwalificatie van een dergelijk feit als heling (en de hieraan in de weg staande heler-steler-regel), dan wel als (schuld)witwassen (en de hiervoor geldende nadere motiveringseisen in geval het goed "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig is). I.c. heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat het verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring omschreven diefstal heeft gepleegd. Samenhang met 14/05827.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafrecht 417bis
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420quater
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2017/277 met annotatie van T. Kooijmans
TPWS 2017/43
RvdW 2017/491
NBSTRAF 2017/189 met annotatie van mr. S.R. Bakker
SR-Updates.nl 2017-0182 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 april 2017

Strafkamer

nr. S 15/03755

KD/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2015, nummer 22/004114-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.P. Visser , advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing

2.1.

Bij een vermogensdelict als diefstal kan de rechter door de in de tenlastelegging aangebrachte keuzes voor de vraag worden gesteld of de verdachte zelf dat vermogensdelict heeft gepleegd dan wel of hij nadien daarbij (ook) op een strafbare wijze betrokken is geweest. Die vraag rijst in het bijzonder in die gevallen waarin de bewijsmiddelen vooral duiden op het voorhanden hebben van een voorwerp (kort) nadat met betrekking tot dit voorwerp een vermogensdelict is gepleegd.

2.2.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat hij weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf - mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv - niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal niet zou mogen betrekken dat de verdachte voor zo'n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp - welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit - geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

2.3.1.

In geval van betrokkenheid van de verdachte na het vermogensdelict kan heling in beeld komen. Daarbij geldt wel dat krachtens het begrip van heling - een begunstigingsmisdrijf - moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in art. 416 of art. 417bis Sr verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger of als medepleger door enig misdrijf heeft verkregen, aan de kwalificatie heling in de weg staat. Indien dit laatste met voldoende concretisering ten verwere is aangevoerd en uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt, is kwalificatie als heling uitgesloten.

Kwalificatie als heling is tevens uitgesloten indien de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsvoering dwingt tot de gevolgtrekking dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Indien zij niet dwingt tot die gevolgtrekking - ook al laat zij die mogelijkheid wel open -, heeft de rechter de mogelijkheid dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen, kennelijk niet aannemelijk geoordeeld. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet snel onbegrijpelijk zal worden geoordeeld. In dat verband kan van belang zijn of door of namens de verdachte in feitelijke aanleg op die - aan een veroordeling ter zake van heling in de weg staande - omstandigheid een voldoende geconcretiseerd beroep is gedaan. (Vgl. bijvoorbeeld HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR: 2005:AT8800, NJ 2006/424.)

Van belang is ook dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte "ten tijde van" bijvoorbeeld het voorhanden "krijgen" wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een "door misdrijf verkregen goed" betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.

2.3.2.

In geval van betrokkenheid na het vermogensdelict kan ook witwassen in beeld komen. Daar geldt de voor heling bestaande kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van een eigen misdrijf niet (vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA7923, NJ 2008/16), terwijl opzet en schuld niet zijn gekoppeld aan het moment van het voorhanden krijgen van het voorwerp. Wel is van belang dat niet elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, ongeacht de omstandigheden, de kwalificatie (schuld)witwassen rechtvaardigt. In het bijzonder indien een verdachte een "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp heeft "verworven" of "voorhanden heeft gehad", worden bepaaldelijk eisen gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet dan kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de kwalificeerbaarheid als (schuld)witwassen in verband met in het bijzonder de "onmiddellijke" afkomst uit eigen misdrijf, kan onder meer van belang zijn hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, NJ 2016/82).

Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt niet voor het "eenvoudig (schuld)witwassen" als bedoeld in de - op 1 januari 2017 in werking getreden - art. 420bis.1 en 420quater.1 Sr (vgl. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016: 2842).

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van de in de bewezenverklaring omschreven diefstal.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 13 juli 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen

- een hoeveelheid (gouden) sieraden waaronder meerdere horloges, oorbellen, kettinkjes, hangertjes, armbandjes en ringen en

- een sieradendoosje en

- twee flatscreen-televisies (merk: Samsung) en

- een portemonnee met inhoud (merk: Pall Mall, met inhoud: pasjes en geld) en

- een fotocamera (merk: Sony Cybershot) en

- een dekbedovertrek en

- een pedicureset en

in elk geval enig goed, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door over een muur met metalen punten te klimmen en vervolgens een schuifpui van die woning uit het slot te lichten."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden d.d. 13 juli 2013, nr. PL1524-2013137466-1, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 42-46):

Als verklaring van de aangever [betrokkene 1] :

Adres : [a-straat 1]

Postcode plaats : [postcode] 's-Gravenhage

Ik ben eigenaar van de woning [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Hierbij doe ik aangifte van een gekwal. diefstal uit woning. Het incident vond plaats tussen zaterdag 13 juli 2013 te 11:00 uur en zaterdag 13 juli 2013 te 13:00 uur.

Aangever heeft de woning als laatste verlaten. De woning was deugdelijk afgesloten.

De vrouw van aangever ontdekte de inbraak. Bij binnenkomst in de woning zag zij dat de kasten en laden waren doorzocht en de goederen op het bed waren gedeponeerd. Daarbij constateerde zij dat de afgesloten schuifpui van de slaapkamer was geopend.

Tussen bovengenoemde tijdstippen heeft iemand via de achterzijde van de woning zich toegang verschaft tot de woning. De dader is binnengekomen door middel van de schuifpui.

De woning was afgesloten door: meerdere sloten, nachtslot op de voordeur, schuifpui afgesloten.

Ik zag dat de afgesloten schuifpui openstond en uit het slot was gelicht.

De woning is bereikbaar via een achterom. Deze toegang is normaal gesproken afgesloten middels een afgesloten brandgang en blinde deurknop. De woning is bereikbaar via een afgesloten binnenterrein.

De dader heeft beide slaapkamers en de woonkamer doorzocht.

Uit de woning is weggenomen:

- Horloge-horloges/klokken (woonkamer)

- Flatscreen-televisie, Samsung, wit (woonkamer)

- Flatscreen-televisie, Samsung, zwart (slaapkamer 1)

- Armband-Sieraden (slaapkamer 1)

- Portemonnee zwart, Pall Mall, met geld circa 220 euro en diverse pasjes (woonkamer).

- Dekbed met print paarse bloemen en groene bladeren (slaapkamer 2)

Deze goederen behoren mij geheel in eigendom toe. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden van 29 augustus 2013, nr. PL1513-2013137469-31, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 246- 248):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Ten behoeve van het onderzoek naar de woninginbraak [a-straat 1] te Den Haag, gepleegd op 13 juli 2013, heb ik verbalisant extra foto's ontvangen van collega [verbalisant 2] . De foto's betreffen:

(4) De muur en de toegangsdeur naar de tuin van perceel 175.

3. De eigen waarneming van het hof ter zake van de foto's welke als bijlagen zijn gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden van 29 augustus 2013, nr. PL1513-2013137469-31, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 248):

Foto 4 (onderste foto op de pagina):

Op de muur bevinden zich metalen punten.

4. Het proces-verbaal van aanhouding van de politie Haaglanden d.d. 13 juli 2013, nr. PL1513-2013137503-2, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 13-14):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 13 juli 2013 bevond ik mij belast met een actie op het terugdringen van woninginbraken op het Hoflandplein in Den Haag. Omstreeks 14:54 uur zag ik de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] op het Hoflandplein lopen. Ik zag dat [verdachte] vanaf het Hoflandplein in de richting van [A] liep. Ik zag vervolgens dat [verdachte] het inkoopgedeelte van de juwelier inging.

Omstreeks 15:00 uur zag ik dat [verdachte] de juwelier verliet en vervolgens de Marktweg inliep. Ik zag dat [verdachte] in de richting van een geparkeerd voertuig liep en aan de voorzijde als passagier instapte. Ik ben vervolgens in versnelde pas naar het voertuig toegelopen en heb de passagiersdeur geopend. Ik heb vervolgens [verdachte] aangesproken en hem om 15:05 uur aangehouden.

Ik zag dat in zijn kleding een geel briefje zat. Ik zag dat het briefje een verkoopbewijs betrof van [A] . Ik zag dat op het verkoopbewijs een bedrag van 82,09 euro stond. Ik zag dat tussen de goederen van [verdachte] wat briefgeld zat.

5. Het proces-verbaal van aanhouding van de politie Haaglanden d.d. 13 juli 2013, nr. PL1524-2013137469-3, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 26-28):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 13 juli 2013 zag ik dat [verdachte] in een rood klein voertuig stapte en op de bijrijdersstoel plaatsnam. Ik zag dat de rode auto dubbel geparkeerd was. Ik zag dat op de bestuurdersstoel een manspersoon zat met een hindoestaans uiterlijk. Gezien de omstandigheden wachtte kennelijk de hindoestaanse man op [verdachte] .

Ik zag en hoorde dat [verdachte] werd aangehouden door collega [verbalisant 3] .

De hindoestaanse man bleek te zijn [betrokkene 3] .

Via het bureaukanaal heb ik gevraagd of zij bovenstaande persoon door ons politie bedrijfssystemen Integraal Bevragen konden navragen. Ik kreeg vervolgens te horen dat [betrokkene 3] vandaag omstreeks 13:30 uur is gecontroleerd door wijkagent [verbalisant 4] op de Abraham van Beyerenstraat ter hoogte van perceel 60 samen met [verdachte] met betrekking tot een verdachte situatie. Uit de registratie opgemaakt door de wijkagent [verbalisant 4] bleek dat hij had gezien dat er een dekbedovertrek op de achterbank lag van de rode Toyota waar de bovengenoemde personen in zaten. Het was hem bekend dat deze dekbedden zoals door hem aangetroffen door inbrekers worden gebruikt om spullen te verbergen of te vervoeren. Tevens hoorde ik dat zij samen in een rode Toyota zaten voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Ik zag dat de auto waar [betrokkene 3] en [verdachte] nu in zaten hetzelfde kenteken had.

6. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden d.d. 18 juli 2013, nr. PL1513-2013137466-10, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 139- 140):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 13 juli 2013 omstreeks 13:30 uur was ik in uniform gekleed en belast met fietssurveillance en zag ik dat een rode Toyota Starlett met kenteken [AA-00-BB] voetgangers hinderde.

Ik ben hierna achter genoemd voertuig aangereden om de bestuurder aan te spreken op zijn rijgedrag. Terwijl ik achter het voertuig aan rij, zie ik dat twee mannen ter hoogte van de Marktweg 25 uitstappen en hierna in versnelde pas weglopen.

Hierop heb ik het voertuig staande gehouden en heb ik de bestuurder aangesproken op zijn rijgedrag. Hij gaf op te zijn: [betrokkene 3] .

Ik zag dat er op de achterbank beddengoed lag, ik zag dat het lichtgekleurd was met een bloemmotief in zacht roze kleuren als opdruk.

Even later op de middag hoorde ik via de portofoon dat er moeilijkheden waren in de Frans Halsstraat/Gabriel Metsusstraat. Ter plaatse zag ik een man staan die ik direct herkende als een van de weggelopen mannen uit de rode Toyota. Hierop heb ik hem naar zijn gegevens gevraagd. Hij gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .

7. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden d.d. 18 juli 2013, nr. PL1513-2013137466-11, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 141):

Als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] :

Naar aanleiding van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] met betrekking tot de controle van het voertuig [AA-00-BB] heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , de foto getoond aan [verbalisant 4] met het kussensloop. Aangever had aan mij verklaard dat een bijbehorend dekbedovertrek was weggenomen bij de inbraak.

Ik, verbalisant [verbalisant 4] , herken het motief en kleur van het laken dat ik tijdens mijn waarneming op de achterbank van de rode Toyota Starlett voorzien van kenteken [AA-00-BB] zag liggen. Ik herken het motief en kleur op dit kussensloop op de foto. Ik kan zeggen dat het motief en kleur voor 100% overeenkomen met mijn waarneming van het laken in het voertuig.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden d.d. 13 juli 2013, nr. PL1513-2013137503-9, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 73):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op zaterdag 13 juli 2013 om 15:30 uur heb ik een onderzoek ingesteld naar het verkoopbewijs van [A] , welke verdachte [verdachte] bij zich droeg.

Om 15:35 heb ik een bezoek gebracht aan [A] , gevestigd aan het Hoflandplein te 's-Gravenhage. Daar heb ik gesproken met [betrokkene 4] , eigenaar van de betreffende juwelier. Ik heb gevraagd naar het verkoopbewijs van [verdachte] en naar de juwelen welke [verdachte] bij hem had verkocht.

Ik zag dat [betrokkene 4] het verkoopbewijs en een zakje met juwelen op de toonbank legde. Ik zag dat op het verkoopbewijs een bedrag stond van 82,09 euro. Ik zag dat het verkoopbewijs overeenkwam met de kopie van het verkoopbewijs welke de verdachte [verdachte] ten tijde van de aanhouding in zijn bezit had.

Ik zag dat op het verkoopbewijs dat verdachte [verdachte] zojuist de volgende juwelen had verkocht:

- Een (1) gouden armbandje en vier gouden hangertjes van een olifant, een kameel, een eend en een hond.

Ik heb vervolgens bovengenoemde juwelen in beslag genomen.

9. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden d.d. 13 juli 2013, nr. PL1513-2013137469-16, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 70-72):

Als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 13 juli 2013 omstreeks 20:00 uur stelde ik een onderzoek in naar het zojuist inbeslaggenomen voertuig, Toyota Starlett, rood van kleur en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] .

Ik zag dat onder de bijrijdersstoel een wit plastic tasje lag. Ik zag dat er in dit witte plastic tasje een grote scheur zat. Ik zag dat er door deze scheur diverse sieraden zichtbaar waren waaronder kettinkjes, hangertjes, horloges en armbandjes. Ik zag dat er tussen de diverse sieraden een kinderarmbandje lag met de naam "Denise" erop.

Tevens zag ik dat naast dit plastic tasje ook een wit sieradendoosje lag van het merk Ti Sento.

Na het openen van de kofferbak zag ik dat er diverse tasjes in de kofferbak lagen. Ik zag dat er in een wit plastic zakje, welke zich aan de linkerkant van de kofferbak bevond, een witte Samsung afstandsbediening lag en een portemonnee met diverse pasjes. Ik zag dat dit een zwarte portemonnee betrof van het merk "Pall Mall". Nadat ik de portemonnee openvouwde, zag ik dat hier diverse pasjes inzaten. Ik zag dat hier een Sligro en een Makro pas inzaten op naam van " [betrokkene 1] ". Tevens zag ik dat er ook een Platinumcard ING pas op naam van [betrokkene 1] in de portemonnee zat.

In het midden van de kofferbak zag ik dat hier een zwart plastic tasje lag met hierin een Sony Cybershot fotocamera.

De bovenstaande goederen zijn fotografisch vastgelegd en bijgevoegd bij dit proces-verbaal.

Naar aanleiding van de portemonnee met pasjes heb ik een onderzoek ingesteld naar de herkomst van deze goederen.

Ik zag dat op zaterdag 13 juli 2013 om 14:10 uur aangifte was gedaan van een woninginbraak op de [a-straat 1] te 's-Gravenhage door [betrokkene 1] .

10. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster van de politie Haaglanden d.d. 17 juli 2013, nr. PL1513-2013137466-6, met de daarbij behorende 22 fotobijlagen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 104-128):

Als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] :

Adres : [a-straat 1]

Postcode plaats : [postcode] 's-Gravenhage

Ik kan u het volgende verklaren over goederen die ik nu nog mis:

- Sony Cybershot, zilver van kleur.

- Twee gouden trouwringen.

- Swarovski oorbellen.

- Wit doosje van het merk Ti Sento. Hier zat een ring in. Dit was een zilveren ring met diamantjes en met een witte parel erop.

- Diesel horloge.

- Een bruin leren doosje van het merk Michael Kors. Hierin zat een goudkleurig horloge met diamantjes in de schakel en op het klokje.

- Ice Watch horloge.

- Een dekbed overtrek. Deze was gebroken wit met als motief bloemen.

Ook ben ik sieraden van mijn moeder kwijt. Deze hebben een zeer emotionele waarde voor mij. Dit zijn:

- Een gouden dames horloge.

- Een gouden ring met vier diamantjes.

- Een ketting.

- Een armband.

Ik ben ook mijn doos met oorbellen kwijt.

Mijn man is een wit plastic tasje kwijt. Dit tasje lag in onze slaapkamer en hier zaten voorkantjes in voor stopcontacten. Doordat deze voorkantjes scherp zijn was het plastic tasje helemaal gescheurd aan een kant.

U laat mij foto's zien. Ik kan u vertellen dat op de foto's 1 tot en met 5, 7 t/m 12, 14, 15, 17, 18, 20, 21 en 22 mijn sieraden staan.

Het kinderarmbandje dat op foto 4 staat met de naam " [naam] " is van mijn dochter.

Op foto 17 zie ik mijn pedicuresetje.

11. De eigen waarneming van het hof ter zake van de foto's welke als bijlagen zijn gevoegd bij het proces-verbaal van verhoor aangeefster van de politie Haaglanden d.d. 16 juli 2013, nr. PL1524-2013137466-6, met de daarbij behorende bijlagen, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 108):

Foto 2, onderste foto:

Vier gouden hangertjes, te weten van een olifant, een kameel, een eend en een hond.

Foto 4 onderste foto: deel van een ketting met naamplaatje met de naam " [naam] ".

12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden d.d. 19 juli 2013, nr. PL1513-2013137503-15, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 155- 157):

Als verklaring van de verdachte [betrokkene 3] :

Op 13 juli 2013 ben ik omstreeks 13:00 uur gecontroleerd op de Marktweg. Ik was daar met [verdachte] . Hij is toen uit de auto gesprongen.

[verdachte] heeft de spullen in mijn auto gedaan. Ik bedoel dan een joekel van een tv. En een witte plastic tas."

3.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft op gronden als vermeld in zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. De verdachte heeft verklaard dat hij voor het eerst in de middag na zijn bezoek aan de [A] omstreeks 15:00 uur in de auto van de medeverdachte [betrokkene 3] is gestapt. Er zit te veel tijd en afstand tussen de inbraak gepleegd tussen 11:00 en 13:00 aan de [a-straat 1] en het aantreffen van de verdachte in de auto van de medeverdachte [betrokkene 3] op de Marktweg om 15:00 uur, in welke auto een deel van de bij de inbraak gestolen goederen zijn aangetroffen, om aan te nemen dat de verdachte bij de inbraak betrokken is geweest.

Het hof overweegt als volgt.

Op 13 juli 2013 tussen 11:00 uur en 13:00 uur is een inbraak gepleegd in een woning aan de [a-straat 1] te Den Haag. Hierbij zijn een groot aantal sieraden weggenomen, alsmede twee flatscreentelevisies en een dekbedovertrek. Diezelfde dag omstreeks 14:54 uur wordt gezien dat de verdachte de inkoopingang van [A] aan het Hofplein te Den Haag binnengaat en enkele minuten later weer naar buiten komt. Gebleken is dat de verdachte een gouden armbandje en vier gouden hangertjes (te weten van een olifant, een kameel, een eend en een hond) voor een bedrag van € 82,09 aan de juwelier heeft verkocht. Aangeefster [betrokkene 2] heeft deze hangertjes herkend als zijnde haar sieraden die bij de inbraak zijn gestolen.

Kort hierop, omstreeks 15:05 uur, is de verdachte aangehouden terwijl hij aan de passagierszijde de rode Toyota Starlett van de medeverdachte [betrokkene 3] wilde instappen. Tijdens de doorzoeking van deze auto is onder de bijrijdersstoel aangetroffen een witte plastic tas met daarin diverse sieraden, waaronder een kinderarmbandje met de naam " [naam] ", en in de kofferbak een portemonnee met daarin meerdere pasjes op naam van de aangever [betrokkene 1] . Aangeefster [betrokkene 2] heeft een deel van de sieraden, waaronder ook het kinderarmbandje, herkend als dat van haar of één van haar gezinsleden.

Verder is gebleken dat eerder die dag om 13:30 uur de rode Toyota Starlett met als bestuurder de medeverdachte [betrokkene 3] door de wijkagent staande is gehouden bij de Marktweg in Den Haag, omdat de wijkagent de bestuurder wilde aanspreken op zijn rijgedrag. De wijkagent heeft tijdens de staandehouding op de achterbank van de Toyota Starlett een dekbedovertrek zien liggen, welk dekbedovertrek hij naderhand aan de hand van een kussensloop heeft herkend als het dekbedovertrek dat is weggenomen bij de inbraak aan de [a-straat 1] . Daar komt bij dat de wijkagent vlak voor de staandehouding van de Toyota twee mannen uit de auto heeft zien springen en met versnelde pas heeft zien weglopen. Eén van deze twee mannen heeft hij later herkend als zijnde de verdachte.

De staandehouding door de wijkagent en het daarop uit de Toyota springen van twee mannen, waaronder verdachte, worden bevestigd door de medeverdachte [betrokkene 3] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat de verdachte eerder die dag een joekel van een televisie en een witte plastic tas bij hem in de auto heeft gelegd.

Het hof acht de verklaring van de verdachte, te weten dat hij eerst na zijn bezoek aan de [A] omstreeks 15:00 uur bij [betrokkene 3] in de auto is gestapt, dan ook onaannemelijk en gaat ervan uit dat de verdachte al bij [betrokkene 3] in de auto zat ten tijde van de staande houding van de auto omstreeks 13:30 uur. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het plegen van de inbraak, te weten tussen 11:00 uur en 13:00 uur, en de aanwezigheid van de verdachte in de auto waarin een deel van de bij deze inbraak gestolen spullen zijn aangetroffen, alsmede op de verklaring van [betrokkene 3] dat de verdachte een televisie en een witte plastic tas met inhoud in de auto heeft gelegd waarvan is gebleken dat die goederen afkomstig zijn uit de woning aan de [a-straat 1] , is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de inbraak aan de [a-straat 1] heeft gepleegd.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman."

3.3.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het Hof, mede gelet op hetgeen onder 2.2 is vooropgesteld, kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring omschreven diefstal heeft gepleegd.

3.4.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017.