Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:64

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
16/00174
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1407, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 231 Sr. OM-cassatie. ’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert omdat een Sloveens rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een van de in art. 231 Sr genoemde documenten, geeft, gelet op art. 1 Wet op de Identificatieplicht alsmede o.g.v. de wetsgeschiedenis van o.m. dat artikel, blijk van een te beperkte en dus onjuiste uitleg van art. 231 Sr. Volgt gedeeltelijke vernietiging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 231
Wet op de identificatieplicht
Wet op de identificatieplicht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/173
NJ 2017/71
NJB 2017/320
NBSTRAF 2017/60
SR-Updates.nl 2017-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00174

SG/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2015, nummer 22/004724-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft eveneens beroep in cassatie ingesteld - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde - en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep, vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beoordeling van het middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

3.1.

Het middel richt zich tegen het door het Hof uitgesproken ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2.

3.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 14 juli 2014 te Rotterdam in het bezit was van een rijbewijs, te weten een Sloveens rijbewijs op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1977 (Slovenië) waarvan hij wist dat het rijbewijs vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat het rijbewijs qua detaillering, productie- en beveiligingstechnieken niet overeen komt met een origineel rijbewijs van Slovenië van dit model en het documentnummer is aangebracht middels een afwijkende techniek ten opzichte van het documentnummer welke is aangebracht in een origineel rijbewijs van Slovenië van dit model."

3.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat het onder 2 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"Een Sloveens rijbewijs is niet een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang als bedoeld in artikel 231 Wetboek van Strafrecht. Nu niet ten laste is gelegd dat het vervalste Sloveense rijbewijs bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, is artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht niet van toepassing. De verdachte dient ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ontslagen te worden van alle rechtsvervolging."

3.3.1.

De tenlastelegging is toegesneden op het tweede lid van art. 231 Sr. Dit artikel luidt:

"1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.

3. Artikel 225, derde lid, is van overeenkomstige toepassing."

3.3.2.

Bij de Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 125 is onder meer in art. 231, eerste lid, Sr de term 'Nederlandse identiteitskaart' vervangen door 'identiteitsbewijs'. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid houdt onder meer het volgende in:

"Doel van dit wetsvoorstel is in de eerste plaats uitbreiding van de mogelijkheden tot bestrijding van fraude met identiteitsbewijzen en in de tweede plaats verbetering van de regeling over de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden.

(...)

3.1.

Uitbreiding strafbaarstelling fraude met identiteitsbewijzen

(...)

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet op de identificatieplicht op 1 juni 1994 en de uitbreiding van de werkingssfeer van die wet op 1 januari 2005 is het belang van het identiteitsbewijs in het maatschappelijk verkeer groot geworden. (...) Fraude met reisdocumenten kan worden aangepakt met de artikelen 231, 440 en 447b Sr, fraude met andere papieren identiteitsbewijzen met artikel 225 Sr, dat is de algemene strafbaarstelling van valsheid in geschrifte. Dit wetsvoorstel strekt ertoe fraude met de papieren identiteitsbewijzen die in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen, dus ook met die documenten die niet tevens reisdocument zijn, zoals rijbewijzen en vreemdelingendocumenten, en andere identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang (...), onder de reikwijdte van de artikelen 231, 440 en 447b Sr te brengen. De eerste reden daarvoor is dat met deze wijziging meer vormen van fraude met deze identiteitsbewijzen kunnen worden bestreden dan thans op basis van artikel 225 Sr mogelijk is en dat bepaalde vormen van fraude met identiteitsbewijzen gemakkelijker bewijsbaar worden. De tweede reden is dat het onderbrengen van fraude met deze identiteitsbewijzen onder de drie genoemde strafbepalingen meer recht doet aan de systematiek van het Wetboek van Strafrecht. Niet alleen reisdocumenten, maar ook andere identiteitsbewijzen die bij of krachtens artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen, hebben al lang niet meer louter de functie waarvoor ze in het leven geroepen zijn (zo is een reisdocument niet alleen maar een middel om te kunnen reizen naar en van het buitenland en een rijbewijs is niet alleen document om de rijvaardigheid te kunnen aantonen), maar vervullen in het maatschappelijk verkeer ook de functie van een identificatiemiddel. Het is om die reden logisch dat de andere wettelijk erkende identiteitsbewijzen dan reisdocumenten dezelfde strafrechtelijke bescherming genieten en dat fraude met deze identiteitsbewijzen met behulp van dezelfde strafbepalingen kan worden aangepakt als fraude met reisdocumenten."

(Kamerstukken II 2011/2012, 33 352, nr. 3, p. 1 en 3-5.)

3.3.3.

Art. 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: WID) luidt:

"Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

(...)

4° een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder."

3.4.

Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert omdat een Sloveens rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een van de in art. 231 Sr genoemde documenten, geeft, gelet op art. 1 WID alsmede de in 3.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis, blijk van een te beperkte en dus onjuiste uitleg van art. 231 Sr.

3.5.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep;

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het door het Hof ter zake van feit 2 gegeven ontslag van alle rechtsvervolging en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017.