Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:636

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
16/02832
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:9, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Echtscheiding uitgesproken op verzoek van beide partijen. Kan vervolgens een pensioenverweer (art. 1:153 lid 1 BW) voor het eerst in appel worden gevoerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0107

Uitspraak

7 april 2017

Eerste Kamer

16/02832

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. M.S. van der Keur en mr. R.L. Bakels.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak C/16/352981/FA RK 13-6135 van de rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2014 en 17 juli 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.178.596 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 27 januari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 2004 met elkaar gehuwd.

(ii) De man heeft bij verzoekschrift van 19 september 2013 de rechtbank onder meer verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

(iii) Op 25 september 2013 heeft de vrouw op haar beurt eveneens een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.

(iv) Op 21 november 2013 heeft de vrouw een “verweerschrift tevens wijziging zelfstandige verzoeken” ingediend. Daarin heeft zij geen verweer gevoerd tegen de door de man verzochte echtscheiding.

3.2.1

De rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2015 (onder meer) echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.2.2

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het uitspreken van de echtscheiding door de rechtbank. Zij heeft aangevoerd, kort gezegd, dat zij abusievelijk in eerste aanleg heeft verzuimd een beroep te doen op art. 1:153 lid 1 BW en zich alsnog in appel op die bepaling wil beroepen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover het de daarin uitgesproken echtscheiding betreft, en heeft onder meer het volgende overwogen.

“5.5 (…) is het hof van oordeel dat de vrouw, nu zij in eerste aanleg op het punt van de door haar verzochte echtscheiding de uitspraak heeft gekregen waarom zij had verzocht, geen te respecteren processueel belang heeft die beslissing in hoger beroep alsnog aan te tasten. Hieraan doet niet af dat de vrouw het verzoek tot echtscheiding wellicht slechts heeft ingediend om te voorkomen dat de door de rechtbank bepaalde voorlopige voorzieningen zouden komen te vervallen, zoals zij thans in hoger beroep stelt, of dat haar toenmalige advocaat – mogelijk abusievelijk – het verweer van artikel 1:153 lid 1 BW in eerste aanleg niet naar voren heeft gebracht.
Bij dit alles komt dat de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft betwist. Het staat de vrouw dan ook in hoger beroep niet vrij alsnog verweer te voeren tegen de – ook door haar zelf in eerste aanleg – verzochte echtscheiding, ook niet met als doel het in artikel 1:153 lid 1 BW bedoelde verweer alsnog naar voren te brengen.”

3.3.1

Het middel, dat met de onderdelen 1 tot en met 4 opkomt tegen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven overweging, klaagt, kort gezegd, dat het hof de herstelfunctie van het hoger beroep heeft miskend. Volgens het middel stond het de vrouw vrij haar in eerste aanleg begane omissie in hoger beroep te herstellen door alsnog een beroep te doen op art. 1:153 lid 1 BW.

3.3.2

Art. 1:153 lid 1 BW bepaalt dat indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de verzoekende echtgenoot zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, het echtscheidingsverzoek niet kan worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Het gaat in deze bepaling om het zogenoemde pensioenverweer.

3.3.3

Volgens vaste rechtspraak strekt het hoger beroep mede ertoe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Het rechtsmiddel van hoger beroep is echter niet gegeven om aan een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien (HR 4 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:BL8473, NJ 1999/535). Het pensioenverweer van art. 1:153 lid 1 BW kan weliswaar voor het eerst in hoger beroep worden gevoerd door de oorspronkelijke verweerder (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:N:HR:2003:AF3448, NJ 2003/456), maar die regel geldt niet wanneer de oorspronkelijke verweerder ook zelf in eerste aanleg de echtscheiding heeft verzocht, zoals hier naar de vaststelling van het hof het geval is.
Het pensioenverweer van art. 1:153 lid 1 BW staat immers niet ten dienste van een echtgenoot die zelf echtscheiding verzoekt. Die echtgenoot kan wel met een beroep op art. 1:157 lid 2 BW verzoeken om bij de vaststelling van de alimentatieverplichting van de andere echtgenoot rekening te houden met de behoefte aan een nabestaandenpensioen.

3.3.4

Op het voorgaande stuiten de onderdelen 1 tot en met 4 af. Onderdeel 5 bevat een voortbouwende klacht en deelt het lot van de voorgaande onderdelen.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 april 2017.