Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:61

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
15/03183
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1404, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Medeplegen van witwassen door gebruik te maken van geldbedrag. Methode van kasopstelling. 2. Medeplegen van schuldheling van sieraden aangetroffen in door verdachte en medeverdachte bewoond chalet.

Ad 1. Slagende klacht m.b.t. een uos a.b.i. art. 359.2 tweede volzin Sv dat ziet op de aankoop van een chalet en de kosten levensonderhoud.

Ad 2. Slagende bewijsklacht schuldheling, aangezien uit gebezigde bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat verdachte en haar medeverdachte t.t.v. voorhanden krijgen van sieraden redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met nr. 15/03185.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/178
NBSTRAF 2017/53
SR-Updates.nl 2017-0082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2017

Strafkamer

nr. S 15/03183

LBS/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 mei 2015, nummer 21/001088-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 108.885,22, voor zover dit bedrag betrekking heeft op de aankoop van een chalet en de kosten van levensonderhoud.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009, tezamen en in vereniging met een ander, te Nieuwegein en/of Molenschot en/of elders in Nederland, gebruik heeft gemaakt van een geldbedrag van 108.885,22 euro, de waarde vertegenwoordigend van het totaal van een of meer contante geldbedragen en transacties en betalingen voor de aankoop van chalets en voertuigen en diverse goederen en reizen van verdachten, terwijl zij en haar mededader wisten, dat bovenomschreven geldbedrag en goederen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd, met aanvulling van gronden ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde. Dit vonnis houdt met betrekking tot de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde het volgende in:

"Verdachte woont sinds 2006 samen met medeverdachte [medeverdachte] op recreatiecentrum [A] te Molenschot. Samen met hun drie kinderen verblijven ze in chalet [001] . Chalet [002] staat eveneens op naam van verdachte. [medeverdachte] rijdt in een zwarte Audi stationwagen en verdachte in een zwarte Mercedes-Benz M-klasse. Het chalet [001] is in 2006 door [betrokkene 1] gekocht voor € 34.000,- van [betrokkene 2] . [betrokkene 1] heeft echter nooit in het chalet gewoond. Zij heeft het direct ter beschikking gesteld aan verdachte en [medeverdachte] en die hebben ook alle kosten voor hun rekening genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009 € 44.062,74 euro aan inkomsten uit werk en uitkering heeft genoten. Van [medeverdachte] zijn in het geheel geen legale inkomsten bekend.

Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen is het vermoeden ontstaan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op andere dan legale wijze inkomsten hebben verworven. Op 16 juni 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van chalet [001] en zijn diverse goederen, waaronder sieraden, horloges en geld, in beslag genomen.

In totaal hebben verdachte en [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009 een bedrag van € 157.629,52 aan uitgaven gedaan. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

• € 637,37 aan kasstortingen bij de ABN-AMRO-bank op rekening van verdachte

• € 16.130,50 aan moneytransfers;

• € 21.541,19 aan betalingen voor standplaats chalet [001] op het [A] ;

• € 34.000,- voor de aankoop van het chalet op standplaats [001] ;

• € 1.338,75 voor een factuur van de [B] VOF;

• € 3.800,- voor een factuur van gordijnboetiek [C] ;

• € 36.000,- voor de aankoop van de Audi RS6 met kenteken [AA-00-BB] ;

• € 15.450,-, is de waarde van de Mercedes type ML 270 CDI met kenteken [CC-00-DD] op naam van verdachte;

• € 950,- aan een storting op detentierekening van [medeverdachte] ;

• € 489,35 voor een factuur van bouwcenter [D] ;

• € 450,- voor facturen van Doggy's Holiday;

• € 639,50 voor een factuur van het reisbureau;

• € 803,- voor een factuur van de Mediamarkt;

• € 2502,90 aan het onderhoud van de Audi RS6 DO-MA 144 van [medeverdachte] ;

• € 204,94 voor een factuur van Leen Bakker;

• € 2500,- voor een betaling advocaat van [medeverdachte] ;

• € 20.192,02 aan bedragen die verdachte en [medeverdachte] volgens het Nibud in de jaren 2006 tot en met 2009 aan levensonderhoud moeten hebben uitgegeven.

De legale inkomsten over genoemde periode bedragen € 48.744.30 en dit bedrag is als volgt opgebouwd:

• € 44.062,74 aan inkomsten van autopoetscentrum Breda en uitkeringen van de gemeente Nieuwegein die verdachte heeft genoten in genoemde periode;

• € 9.780,- aan kasopnames die verdachte van haar rekening heeft gedaan.

Bij haar aanhouding op 16 juni 2009 is in de handtas van verdachte een bedrag van € 3.850,- (bestaande uit 77 bankbiljetten van 50 euro) aangetroffen. Voorts is in chalet [001] een bedrag van 1600 US dollar, dat overeenkomt met € 1.248,44, aangetroffen. Het aangetroffen geld dient in mindering te worden gebracht op de legale inkomsten, waardoor het totale bedrag dat verdachte aan legale inkomsten heeft gehad uitkomt op € 48.744,30. [medeverdachte] heeft geen legale inkomsten gehad in genoemde periode.

Het verschil tussen de legale inkomsten en de uitgaven van verdachte en [medeverdachte] bedraagt derhalve € 108.885,22.

Noch verdachte noch [medeverdachte] hebben een verklaring voor dit aanzienlijke verschil in inkomsten en uitgaven gegeven. Beiden hebben zich bij hun verhoren door de Koninklijke Marechaussee beroepen op hun zwijgrecht. Verdachte heeft dit ook ter zitting gedaan.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van verdachte worden verlangd dat zij door het verschaffen van verifieerbare gegevens op punten die eenvoudig te achterhalen zijn een aannemelijke verklaring geeft voor het geconstateerde grote verschil in uitgaven en legale inkomsten. Nu een aannemelijke verklaring is uitgebleven, is de rechtbank mede gelet op de overige inhoud van het strafdossier, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 108.885,22, middellijk of onmiddellijk, van misdrijf afkomstig was en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hiervan op de hoogte waren."

2.2.3.

In aanvulling hierop heeft het Hof in de bestreden uitspraak ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, witwassen niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

De rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat er een aanzienlijk verschil is tussen enerzijds de legale inkomsten en anderzijds de uitgaven van verdachte en haar ex partner, medeverdachte [medeverdachte] , en dat daarom zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het is aan de verdachte enige en verifieerbare onderbouwing te geven voor haar stelling dat het geld dat besteed is wel een legale herkomst had.

(...)

Gedane uitgaven

Door de verdediging is gesteld dat bij de vaststelling dat en hoeveel er is witgewassen een aantal bedragen bij de post uitgaven niet juist zijn (aankoopbedrag auto's, onderhoud auto's, kosten levensonderhoud).

De rechtbank heeft in haar vonnis, onderbouwd met bewijsmiddelen, de berekening gemaakt van de uitgaven van verdachte. Het hof bevestigt dit vonnis omdat de eerste rechter de berekening op de juiste wijze heeft gemaakt. Daarmee zijn de verweren betreffende de uitgaven van verdachte verworpen en behoeven deze geen nadere bespreking in dit arrest."

2.2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - in:

"De rechtbank heeft met betrekking tot feit 1 bewezen verklaard dat [verdachte] een geldbedrag van € 108.885,22 heeft witgewassen.

De rechtbank is tot dat bedrag gekomen door bij de berekening uit te gaan van de bedragen in de bewuste 'matrix' (gecorrigeerd op 29 november 2011).

Die matrix is 'gecorrigeerd', maar m.i. kloppen er toch een aantal posten niet.

1. Aankoop Chalet € 34.000,00

Over het chalet is op 14 april 2009 de beheerder van [A] , [betrokkene 3] , als getuige gehoord (pagina 1001).

Hij verklaart:

"Ik weet niet of [medeverdachte] eigenaar is van chalet [002] . Het is namelijk zo dat zij de standplaats bij ons huren en de chalets zijn eigendom."

En verder:

"Tevens merk ik op dat [betrokkene 1] de standplaats [001] op naam heeft. Wel is het zo dat [medeverdachte] , [verdachte] en de drie kinderen op deze standplaats verblijven.

Deze [betrokkene 1] heeft een overeenkomst afgesloten vanaf 1 oktober 2006. Zij gaf toen als adres op: [adres] te Nieuwegein. Ik heb deze vrouw nooit eerder op ons park gezien. Ik weet niet precies hoe dit zit."

Op 4 juni 2009 is [betrokkene 3] nogmaals gehoord. Hij verklaart op de vraag of wordt vastgelegd wie de eigenaar is van de chalets:

"Dat wordt niet vastgelegd de nieuwe huurder gaat een overeenkomst aan met het park. Het is voor het park niet duidelijk hoe de eigendomsverhoudingen zijn."

Getuige [betrokkene 2] , verkoopster van het chalet, verklaart:

Weet niet op welke "naam de caravan uiteindelijk is terecht gekomen" (...) "ze waren met veel personen, vrouwen en kinderen, je weet toch hoe dat gaat."

Voor zover zij weet heeft een Joegoslavische man de rekening betaald. De verdediging heeft haar geen vragen kunnen stellen nu getuige [betrokkene 2] op 4 april 2010 is overleden.

Getuige [betrokkene 1] verklaart over de aankoop van het chalet.

"Ik ben eigenaar van het chalet [001] op het recreatiepark [A] te Molenschot. Ik heb dit chalet circa drie laar geleden gekocht. Mijn moeder is in maart 2006 overleden. Ik heb toen wat geld ontvangen waarvan ik het chalet heb betaald. Volgens mij heeft het chalet circa 35000 euro gekost. Ik heb het chalet van [betrokkene 2] gekocht. Ik heb het chalet contant betaald in het bijzijn van de parkeigenaar op [A] . Ik heb verder geen eigendomspapieren van het chalet. Ik ontvang jaarlijks de factuur voor het staan geld.

Ik heb zelf nog nooit in het chalet verbleven. Ik heb hier ook nog geen behoefte aan. Ik heb het chalet destijds gekocht met oog op de toekomst. Nadat ik het chalet heb gekocht kwam mijn vriendin [verdachte] in de problemen. Ik weet niet precies wat de problemen waren. Het kwam er in ieder geval op neer dat [verdachte] niet meer in Nieuwegein kon verblijven wonen. Ik heb toen aangeboden dat [verdachte] en [medeverdachte] tijdelijk in mijn chalet mochten gaan wonen. Het is nooit de bedoeling geweest dat dit 3 jaar zou gaan duren.

[verdachte] en [medeverdachte] betalen alle kosten van de standplaats zoals, elektra, standplaats en toeristenbelasting. Ik ontvang de factuur op mijn huisadres waarna [verdachte] de rekening komt ophalen en deze betaald. [verdachte] betaald de factuur contant bij de receptie.

[verdachte] en [medeverdachte] betalen mij 300 euro huur voor het chalet. Ik ontvang de huur contant. Ik kom zelf heel weinig bij mijn chalet, circa 2 keer per jaar."

Getuige [betrokkene 1] (gehoord bij de rechter-commissaris

6 april 2010) verklaard, nadat de officier van justitie haar voor houdt dat getuige [betrokkene 2] verklaard heeft dat zij het chalet zou hebben overgedragen aan een Roemeense en/of Joegoslavisch uitziende mannen, over de overdracht:

"Mijn reactie is dat dat niet klopt. Ik weet nog dat ik samen met [betrokkene 2] in haar auto naar het kantoor van de parkbeheerder ben gereden. Tevens weet ik mij nog te herinneren dat de vriendin van [betrokkene 2] en 1 of 2 zoons van [betrokkene 2] of haar vriendin toen ook waren."

Getuige [betrokkene 5] , eigenaar recreatiebedrijf [A] verklaart bij de RC op 6 april 2010 over de verkoop van het chalet:

"Wel heb ik de nieuwe eigenaresse gezien maar ik was niet aanwezig bij de feitelijke betaling van het chalet. Bij ons op kantoor is [betrokkene 2] verschenen samen met de nieuwe eigenaresse, [betrokkene 1] , maar die naam zag ik pas later. (...) Ik kan mij herinneren dat er naast [betrokkene 2] en [betrokkene 1] wel meerdere mensen op ons kantoor aanwezig waren maar wie dat precies waren, dat weet ik niet meer. Ik heb daar niet opgelet."

Naar het oordeel van de verdediging heeft er dus helemaal geen betaling van € 34.000,00 plaatsgevonden voor de aankoop van het chalet door of namens [verdachte] en of de medeverdachte.

[betrokkene 1] en [betrokkene 5] , zijn daar glashelder over.

Tussenconclusie 1

De post van € 34.000,00 moet dan ook worden weggestreept.

(...)

5. Stelpost Nibud € 20.192,02

Over deze post wordt (kort) geschreven op pagina 170 van het zaaksdossier. De 'Nibud-uitdraai' is als bijlage 13 in het zaaksdossier gevoegd (pagina 306 t/m 308).

Bestudering van de bankafschriften in het dossier brengen mij tot de volgende opmerkingen over deze post.

Nibud stelt dat een vergelijkbaar gezin € 484,00 per maand uitgeeft aan 'voeding en versnaperingen'. Dat is € 5.808,00 per jaar.

Er is ook een kolom met 'uitgaven' - die door cliënte zouden zijn gedaan. De bedragen in die kolom kloppen niet.

Als bijlage bij deze pleitnotitie hecht ik een overzicht met de bedragen die ik heb geïnventariseerd. Ik kom hoger uit dan de politie.

Uit mijn overzichten blijkt dat de volgende uitgaven zijn gedaan voor levensmiddelen.

- In 2006 € 3.200,00

- In 2007 € 2.085,18

- In 2008 € 2.947,82

- In 2009 € 3.754,17

Totaal dus € 11.987,17 aan verifieerbare uitgaven.

In het schema staat dat er in totaal € 3041,00 is uitgegeven.

Dat is dus een (onterecht) verschil van € 8.946,17 - dat bedrag moet dus op de stelpost in mindering worden gebracht.

Maar daar komt nog iets bij.

2009

Ten aanzien van de Nibud-post valt mij verder op dat het jaar 2009 ten onrechte helemaal wordt gerekend. Dat jaar zou moeten lopen tot 16 juni. Dus vijf en een halve maand.

5,5 x 484,00 = € 2.662,00. Dat is dus € 3.146,00 minder dan vermeld in de tabel.

Tussenconclusie 5

In totaal moet er 8.946,17 + 3.146 = € 12.092,17 van deze stelpost worden weggestreept."

2.3.

Hetgeen aldus door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het bewezenverklaarde bedrag van € 108.885,22, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet in voldoende mate blijken uit de onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven bewijsmotivering. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

2.4.

In zoverre slaagt het middel.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 30 december 2008 tot en met 16 juni 2009 te Molenschot, tezamen en in vereniging met een ander, sieraden met een totale nieuwwaarde van 11.700 euro, te weten:

- een witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel en

- een wit gouden sieraad en daarbij een geel gouden hanger in de vorm van een sabel, waarin diamanten zijn verwerkt en

- een wit gouden ketting met een geslepen amethist en diamanten en

- een wit gouden ring met een champagne kleurige diamant, voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die sieraden redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

3.2.2.

Het Hof heeft, door het vonnis van de Rechtbank in zoverre te bevestigen, ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

"4.2. Bewijsverweren

(...)

feit 2 en 3

Ontbreken opzet/wetenschap

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat, nu de in de tenlastelegging genoemde sieraden in de kluis in chalet [001] zijn aangetroffen, er niet van mag worden uitgegaan dat alle bewoners weten wat zich in die kluis bevindt noch daartoe toegang hebben. Nu verklaringen op dit punt ontbreken, is er onvoldoende bewijs voor het opzet op c.q. de wetenschap van verdachte ten aanzien van hetgeen zich in de kluis bevindt. Verdachte dient derhalve van de heling te worden vrijgesproken.

(...)

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De gestolen goederen zijn aangetroffen in de kluis in chalet [001] op het [A] te Molenschot. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] verbleven in dat chalet. Nu verklaringen van verdachte en [medeverdachte] met betrekking tot het al dan niet toegang hebben tot de kluis en de wetenschap over wat er in de kluis lag ontbreken, gaat de rechtbank er vanuit dat zowel verdachte als [medeverdachte] in de periode van 30 december 2008 tot en met 16 juni 2009 konden beschikken over de goederen in de kluis.

(...)

feit 3

Labeltjes sieraden

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de labeltjes die zich aan de sieraden bevonden, niet door [betrokkene 6] zijn herkend. Deze labeltjes duiden erop dat de sieraden in het bovengrondse circuit van een juwelier afkomstig zijn. Het is derhalve goed mogelijk dat verdachte en/of [medeverdachte] de sieraden van een juwelier hebben gekocht en deze te goeder trouw in hun bezit hadden. Op voorhand mag derhalve er niet van worden uitgegaan dat de sieraden van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de foto's op pagina 375 en 376 van het dossier blijkt dat bij het sieraad op de eerste foto, de witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel, drie losse labels liggen. Deze labels zijn niet aan het sieraad bevestigd en ook anderszins is niet gebleken dat die labels bij dit sieraad horen. Op de tweede foto is wel een label bevestigd aan de veertien karaat gouden ring met een robijn en geel saffier. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de heling van dit sieraad dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden uitgesloten dat verdachte en/of [medeverdachte] dit sieraad op legale wijze hebben verkregen. Ten aanzien van de overige sieraden, waaraan geen label is bevestigd, gaat het verweer van de raadsman niet op.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

(...)

feit 3:

Op 30 december 2008 vond in Zwolle een diefstal van een groot aantal juwelen van [betrokkene 6] plaats. Tijdens de doorzoeking van chalet [001] , welke in gebruik was bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn in de kluis diverse juwelen aangetroffen. Aangeefster [betrokkene 6] heeft de volgende inbeslaggenomen juwelen herkend als degene die van haar zijn gestolen op 30 december 2008:

• een witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel;

• een wit gouden sieraad met geel goud in de vorm van een sabel, waarin diamanten zijn verwerkt;

• een gouden ketting met een geslepen amethist en diamanten;

• een wit gouden ring met een champagne kleurige diamant.

De totale waarde van deze sieraden bedraagt € 11.700,-."

3.3.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte en haar medeverdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde sieraden redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017.