Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:587

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
15/00909
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:213, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:305, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Middelen van cassatie? 2. Vervolgprofijt in de vorm van forfaitaire rente.

Ad 1. HR: Geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. CAG: Als “grieven” aangeduide middelen één tot en met vijf zijn zeer kort geformuleerd en behelzen slechts de klacht dat het Hof iets ten onrechte heeft geoordeeld, terwijl deze stelling niet wordt onderbouwd met een wetsartikel of een arrest.

Ad 2. Bij de bepaling van het w.v.v. dient, gelet op het reparatoire karakter van de maatregel a.b.i. in art. 36e Sr, te worden uitgegaan van het voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop geeft ‘s Hofs oordeel dat de forfaitaire rente van een bedrag van € 30.088,22 over het w.v.v. van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,- kan worden ontnomen omdat betrokkene dit bedrag "aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen)", blijk van een onjuiste rechtsopvatting. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het bedrag van € 30.088,22 dat aan vervolgprofijt in de vorm van forfaitaire rente is ontnomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0171
NBSTRAF 2017/163
JOW 2017/20
NJ 2017/172
NJB 2017/929
RvdW 2017/465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 april 2017

Strafkamer

nr. S 15/00909 P

EC/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 februari 2015, nummer 23/004836-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van het te betalen bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel

Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel een tot en met vijf aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

3 Beoordeling van het zesde middel

3.1.

Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat tot het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel behoort een bedrag ter zake van forfaitaire rente.

3.2.

Omtrent het vervolgprofijt heeft het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Wederrechtelijk verkregen voordeel

10 verscheepte auto's x € 18.267,45 (wederrechtelijk verkregen voordeel per auto) = € 182.674,50.

Vervolgprofijt

De advocaat-generaal heeft nadere financiële gegevens overgelegd van twee in beslag genomen bedragen, te weten € 3.330,- en € 2.355,-, welke bedragen respectievelijk € 1.158,99 en € 886,64 rente hebben gegenereerd (in totaal € 2.045,63). Naar het oordeel van de advocaat-generaal dient dit bedrag als vervolgprofijt te worden ontnomen.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat dit bedrag van € 2.045,63 als vervolgprofijt kan worden ontnomen.

Naar het oordeel van het hof dient daarnaast de forfaitaire rente van 2% (rentemaatstaf) over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,00 te worden ontnomen.

Het hof hanteert schattenderwijs als redelijke rentemaatstaf een percentage van 2% per jaar; hetgeen bezien over de gehele periode (van afgerond 8,5 jaren x 2% x € 176.989,50 neerkomt op een totaal bedrag (afgezien van rente over rente) van € 30.088,22, welk bedrag de veroordeelde aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).

Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt dan uit op afgerond € 209.123,00."

3.3.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de forfaitaire rente van een bedrag van € 30.088,22 over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,- kan worden ontnomen omdat de betrokkene dit bedrag "aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen)", blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.

3.4.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het bedrag van € 30.088,22 dat aan vervolgprofijt in de vorm van forfaitaire rente is ontnomen. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 209.123,- en het door het Hof in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM op de betalingsverplichting in mindering gebrachte bedrag van € 5.000,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 174.034,78 bedraagt.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde, en op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene nader bepaalde, betalingsverplichting van € 174.034,78.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 174.034,78;

vermindert dat bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 169.034,78 beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017.