Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:56

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
15/03716
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:982, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:1245, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal publiekrecht. Immuniteit van jurisdictie van internationale organisatie (Europese Octrooi Organisatie) voor arbeidsgeschil met een werknemer. Toegang tot de rechter (art. 6 EVRM). Betekenis van ontbreken van spoedprocedure binnen rechtsgang bij het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILOAT). Rechtspraak EHRM.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0067
NJ 2017/236 met annotatie van E.A. Alkema
NJB 2017/271
JWB 2017/21
AR 2017/321
RvdW 2017/150
JAR 2017/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2017

Eerste Kamer

15/03716

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. N.C. van Steijn,

t e g e n

EUROPESE OCTROOI ORGANISATIE,
gevestigd te München, Duitsland, alsmede te Rijswijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.R. den Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en EOO.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 3064171 RL EXPL 14-14985 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 30 juni 2014;

b. het arrest in de zaak 200.153.423/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 juni 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

EOO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 12 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) EOO is een rechtspersoon naar internationaal publiekrecht, die in 1973 is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1975, 108, en 1976, 101; hierna: EOV). Het EOV is op 7 oktober 1977 voor Nederland in werking getreden.

(ii) Over voorrechten en immuniteiten bepaalt art. 8 EOV het volgende:

“In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”

Art. 13 EOV heeft betrekking op geschillen tussen EOO en het personeel van het Europees Octrooibureau en luidt als volgt:

“1. Personeel of voormalig personeel van het Europees Octrooibureau, of hun rechtsopvolgers, kunnen, in geval van geschillen met de Europese Octrooiorganisatie, deze voorleggen aan het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie, overeenkomstig het statuut van dit gerecht en binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of voortvloeiend uit de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.

2. Een beroep is slechts ontvankelijk, indien de belanghebbende alle rechtsmiddelen heeft uitgeput die hem ter beschikking staan op grond van het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.”

(iii) Art. 3 van het bij het EOV behorende Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van EOO (Protocol on Privileges and Immunities, hierna: PPI) luidt voor zover van belang als volgt:

“1. In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:

a) voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;

b) met betrekking tot een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade, die voortvloeit uit een ongeval dat is veroorzaakt door een aan de Organisatie toebehorend of namens haar gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;

c) met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een ingevolge artikel 23 gedane scheidsrechterlijke uitspraak.

2. (…)

3. (…)

4. In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.”

(iv) De arbeidsvoorwaarden van het personeel van EOO zijn neergelegd in de ‘Service Regulations for Permanent Employees’ (hierna: Service Regulations). Hierin is onder meer het volgende bepaald. Een personeelslid van EOO dat het niet eens is met een jegens hem genomen besluit kan daartegen opkomen door middel van een interne beroepsprocedure. Deze interne beroepsprocedure houdt in dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt bij de president van EOO. Indien de president het bezwaar niet honoreert, wordt de zaak voorgelegd aan het Internal Appeals Committee, welke commissie advies uitbrengt aan de president. De president beslist vervolgens naar aanleiding van dit advies of alsnog aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen. Tegen deze beslissing van de president staat ingevolge art. 13 EOV beroep open bij het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie (‘International Labour Organisation Administrative Tribunal’; hierna: ILOAT) te Genève.

(v) [eiseres] is op 1 november 1997 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij EOO in de functie van octrooionderzoeker. Het laatstverdiende salaris van [eiseres] bedroeg € 14.029,35 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag. [eiseres] ontvangt sinds 30 september 2013 een vroegpensioenuitkering van € 1.810,36 bruto per maand.

(vi) Omstreeks augustus 2012 heeft [eiseres] verzocht een medische commissie, bestaande uit drie artsen (hierna: de Medische Commissie), in te stellen om de mate, aard en oorzaak van haar arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Over dit verzoek is tussen [eiseres] en EOO een geschil ontstaan.

(vii) Bij brief van 31 mei 2013 heeft [eiseres] bij EOO een verzoek ingediend om met ingang van 20 september 2013 met vroegpensioen te mogen gaan. Over het aanvaarden, dan wel intrekken van dit verzoek is tussen [eiseres] en EOO eveneens een geschil ontstaan.

3.2.1

[eiseres] heeft bij wege van voorlopige voorziening gevorderd – kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang – dat EOO wordt veroordeeld (i) de Medische Commissie bijeen te roepen teneinde te beoordelen of en in welke mate [eiseres] per 19 september 2013 als invalide in de zin van de Service Regulations is te beschouwen en, zo ja, of die invaliditeit is veroorzaakt door arbeidsomstandigheden, (ii) de conclusies van de Medische Commissie op te volgen, en (iii) de loonbetaling te hervatten vanaf 20 september 2013.

EOO heeft zich beroepen op immuniteit van jurisdictie ingevolge art. 3 PPI.

3.2.2

De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van de vordering tegen EOO.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.

(a) Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM is het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan een partij als [eiseres] “reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention” ten dienste staan. Het gaat daarbij niet om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (“comparable”) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter “the essence of their “right to a court”” (“la substance même du droit”) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “manifestly deficient” is. (rov. 2.8)

(b) Aan EOO komt geen absolute immuniteit toe (rov. 2.9).

(c) [eiseres] beroept zich erop dat de rechtsgang bij het ILOAT ontoereikend is in verband met de verwachte duur van de procedure bij dat gerecht. Uitgaande van de veronderstelling dat de verleende immuniteit op die grond kan worden doorbroken, moet tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf allereerst worden getoetst of de duur van de rechtsgang bij het ILOAT zodanig lang is dat het wezen van [eiseres] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan haar in die rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend (“manifestly deficient”) is. (rov. 2.10)

(d) Aan de mate van zekerheid dat de rechtsgang bij ILOAT inderdaad (veel) te lang zal zijn, moeten hoge eisen worden gesteld, omdat moet worden voorkomen dat de aan EOO verleende immuniteit van jurisdictie wordt doorbroken op grond van een prognose die achteraf onjuist blijkt te zijn. Anders dan [eiseres] aanvoert, staat niet met de vereiste mate van zekerheid vast dat voor [eiseres] de rechtsgang bij ILOAT 15 jaar zal duren. (rov. 2.11)

(e) Voor zover al met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de procedure over de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] bij het ILOAT 39 maanden gaat duren, is een dergelijke duur, mede gezien de complexiteit van dit soort zaken, niet zodanig lang dat het wezen van [eiseres] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast (rov. 2.13).

(f) Uit art. 6 EVRM vloeit niet voort dat het recht op toegang tot de rechter reeds is geschonden indien binnen de rechtsgang van ILOAT geen (of zeer beperkte) mogelijkheden bestaan voor het volgen van een spoedprocedure of het vragen van een voorlopige voorziening. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien voorshands aannemelijk is dat als gevolg van het ontbreken van een dergelijke spoedprocedure in deze concrete situatie het wezen van [eiseres] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Duidelijk is dat de interne procedures over de arbeidsongeschiktheid en het vroegpensioen in de ogen van [eiseres] niet met de door haar noodzakelijk geachte spoed zijn afgerond, maar dat betekent nog niet dat het wezen van [eiseres] recht op toegang tot de rechter is aangetast. Bovendien kan bij ILOAT ook over een trage interne rechtsgang worden geklaagd, bestaat binnen ILOAT de mogelijkheid voor een ‘fast-track-procedure’ voor rechtsvragen (art. 7bis ILOAT Rules) en kan de president van ILOAT in bepaalde gevallen een voorlopige voorziening treffen (art. 15 ILOAT Rules). Tot slot heeft EOO onbestreden aangevoerd dat indien de interne procedure binnen EOO verlamd raakt, [eiseres] rechtstreeks toegang tot ILOAT heeft zonder dat de interne procedure behoeft te zijn afgerond. Tegen deze achtergrond heeft [eiseres] onvoldoende aangevoerd om te kunnen aannemen dat de immuniteit van rechtsmacht van EOO zou moeten worden doorbroken. (rov. 2.14)

3.3

Onderdeel 1 is gericht tegen de hiervoor in 3.2.3 onder (e) en (f) weergegeven oordelen van het hof in de rov. 2.13 en 2.14.

3.4.1

Zoals is vooropgesteld in HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3609, NJ 2016/264 ([A] c.s./Europese Ruimtevaartorganisatie), volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het verlenen van immuniteit van jurisdictie aan internationale organisaties in het kader van de beperking van het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM, een legitiem doel dient (EHRM 18 februari 1999, nr. 26083/94, Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 63). Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter is geoorloofd, acht het EHRM van belang (“a material factor”) of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen (“whether the applicants had available to them reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention”; Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 68) en komt het erop aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast (“the limitation on their access to the (…) courts (…) impaired the essence of their ‘right to a court’”; Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 73). Deze maatstaf is door het EHRM onder meer herhaald in zijn uitspraak in de zaak Klausecker/Duitsland (EHRM 29 januari 2015, nr. 415/07, rov. 62-64).

3.4.2

Anders dan onderdeel 1.2 aanvoert, volgt uit de rechtspraak van het EHRM niet dat de toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie reeds tot een aantasting van het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter leidt op de enkele grond dat de rechtsgang die voor de rechtzoekende beschikbaar is – in dit geval de interne procedure binnen EOO, gevolgd door de rechtsgang bij ILOAT – geen of zeer beperkte mogelijkheden kent voor het volgen van een spoedprocedure of het vragen van een voorlopige voorziening. Zoals het hof heeft onderkend, komt het in dit verband erop aan of in het concrete geval het wezen van het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof terecht in aanmerking genomen enerzijds de te verwachten duur van de beschikbare rechtsgang, mede gelet op de complexiteit van de geschilpunten en de wijze van procesvoering, en anderzijds de aan partijen ten dienste staande middelen om de procesgang te doen versnellen of om in bepaalde gevallen een voorlopige voorziening te doen treffen. Aldus is het hof van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Het onderdeel faalt.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van EOO begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 20 januari 2017.