Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:556

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/05467
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4757, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2017

Strafkamer

nr. S 15/05467

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 november 2015, nummer 23/001986-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE

AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Zaaknummer: S 15/05467

GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:

In de zaak van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , rekwirant van cassatie, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn te dezen uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, kantoorhoudende aan de Vondelstraat 41 te (1054 GJ) Amsterdam, tegen het hem betreffende arrest met parketnummer 21/001986-14 van het Gerechtshof Amsterdam, met welke uitspraak en motivering rekwirant zich niet kan verenigen en voert daartoe het volgende middel van cassatie aan:

MIDDEL

1. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen; in het bijzonder zijn de artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht geschonden nu de bewezenverklaring rust op gronden die deze niet kunnen dragen, althans dat de hiertoe aangedragen motivering van het gerechtshof onbegrijpelijk is.

TOELICHTING

2. Rekwirant is blijkens het arrest van 12 november 2015 veroordeeld ter zake van:

"hij op 13 maart 2013 le Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit restaurant [A] weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [betrokkene 1] en zich daarbij de toegang tot voornoemd restaurant te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, zich naar voornoemd restaurant heeft begeven waarna hij, verdachte, met een koevoet de voordeur van voornoemd restaurant heeft geforceerd zulks terwijl tijdens de hel plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan. ”

3. Blijkens de bijlage worden de volgende bewijsmiddelen daaraan ten grondslag gelegd: “

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL133F 2013060892-1 van 13 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s 001 en 002.

Dit procesverbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 maart 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Samen met mijn vennoot [betrokkene 2] ben ik eigenaar van het Italiaanse restaurant genaamd “[A]” gevestigd in perceel [plaats].

Gisteren op dinsdag 12 maart 2013 omstreeks 23.30 uur sloot ik als laatste de toegangsdeur van genoemd perceel af en liet het perceel in goede orde en zonder braakschade achter.

Omdat ik toen omstreeks 0:30 uur samen met mijn vennoot bij het restaurant kwam zag dat er daadwerkelijk braakschade aan de toegangsdeur was, besloot ik aangifte van poging inbraak te doen.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 8 juli 2015, opgemaakt door mr. B.F. de Poorter, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juli 2015 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Ik zat in de bar van mijn vriend om op te letten dat er niet zou worden ingebroken. Ik zag twee personen staan aan de zijkant van [A]. Deze ligt aan de overkant van de bar waar ik zat. Een van de personen droeg een rugzak. Ik zag dat die persoon een soort ijzeren staaf uit zijn rugzak haalde en op de grond legde. Hij was ongeveer 1.70 meter, zwart haar, lichte huidskleur. Hij had een Noord-Afrikaans uiterlijk. Dit was een van de personen die later is aangehouden door de politie. Deze persoon was ook degene die naar de deur liep van [A]. Ik zag dat hij een voet tegen de onderkant van de deur plaatste.

De eerste persoon, degene die zijn voet tegen de deur zette, had ik al eerder weleens gezien, omdat hij bij ons in de bar kwam. Hij woont in dezelfde straat waar [A] en de bar zijn gevestigd, ongeveer 5 huizen verderop. Ik heb hem uit zijn huis zien komen, daarom weet ik dat hij daar woont.

Een van de twee personen vluchtte weg. Dat was niet de persoon die daar ook in de straat woont, want die werd verrast en kon niet meer vluchten. Ik heb gezien dat hij is aangehouden.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2013060892-12 van 13 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 014 t/m 017.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 maart 2013 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

De verdachte gaf mij op te zijn genaamd:

Naam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Adres : [adres]

Plaats : [plaats]

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL133H 2013060892-4 van 13 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], doorgenummerde pagina’s 008 t/m 010.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten voornoemd:

Omstreeks 01:59 uur kwamen wij, samen met andere eenheden van politie ter plaatse. Ter hoogte van perceel 130 zagen wij drie manspersonen staan. Wij zagen dat een manspersoon negroïde was en twee personen lichtgetint. Een van deze lichtgetinte manspersonen gaf ons op te zijn genaamd:

[verdachte] (man)

Geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

De andere lichtgetinte manspersoon gaf ons later op te zijn genaamd:

[betrokkene 4] (man)

Geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

Wij hebben de manspersonen aangesproken. Wij hoorden een collega ter plaatse zeggen dat hij een breekijzer op ongeveer een (1) meter afstand van de manspersonen zag liggen.

Ik, verbalisant [verbalisant 5], ben vervolgens naar restaurant [A], gelegen [adres] gegaan. Bij dit etablissement zou door de getuige gezien zijn dat er werd ingebroken.

Ik zag dat er braakschade aan de deur te zien was.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL133F 2013060892-5 van 13 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], doorgenummerde pagina’s 005 t/m 007.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten voornoemd:

Ik, tweede verbalisant, heb in de Kuiperstraat de koevoet veilig gesteld. Ik zag tevens een zwartkleurige sporttas bij de koevoet op de grond liggen. Ik keek in de sporttas en zag dat er een schroevendraaier met een geel zwart handvat in zat.”

4. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een soort ijzeren staaf op de grond is gelegd en dat een voet tegen de onderkant van de deur is geplaatst. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat rekwirant zoals bewezenverklaard met een koevoet de voordeur van voornoemd restaurant heeft geforceerd. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is het onbegrijpelijk dat het gerechtshof heeft aangenomen dat sprake is van een poging tot diefstal met braak. Het gerechtshof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen afleiden dat rekwirant ten tijde van het voorgenomen misdrijf door middel van braak met een koevoet de voordeur heeft geforceerd. Kort en goed: de bewijsmiddelen dekken de bewezenverklaring niet.

6. Gelet op het vorenstaande meent rekwirant dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Tegen deze achtergrond kan het arrest niet in stand blijven.