Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:552

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
16/00576
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2722, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1325, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Verjaring, art. 3:310 lid 1 BW, aanvang vijfjaarstermijn. Voldoende zekerheid over aansprakelijke persoon?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4390
RAV 2017/65
NJ 2017/165
AR 2017/1666
RvdW 2017/450
JWB 2017/127
NJB 2017/852
RCR 2017/48
JA 2017/93 met annotatie van prof. mr. dr. J.L. Smeehuijzen
PS-Updates.nl 2017-0324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 maart 2017

Eerste Kamer

16/00576

TT/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. MISPELHOEF B.V.,
gevestigd te Eindhoven,

2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,

t e g e n

STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU),
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Mispelhoef (afzonderlijk als Mispelhoef B.V. en [eiser 2] ) en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/09/444324/HA ZA 13/646 van de rechtbank Den Haag van 7 augustus 2013 en 11 juni 2014;

b. het arrest in de zaak 200.157.188/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Mispelhoef beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Mispelhoef heeft bij brief van 6 januari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Mispelhoef B.V. exploiteert de horecagelegenheid De Mispelhoef, gelegen aan de Oirschotsedijk te Eindhoven. [eiser 2] is eigenaar van de panden waarin de onderneming wordt gedreven. Vóór 1998 voorzag een aantal omliggende sloten in de waterafvoer op het terrein van De Mispelhoef.

(ii) Van 1996 tot 1998 heeft Rijkswaterstaat de A2 ter hoogte van De Mispelhoef verbreed. Daarbij is een duikerconstructie aangelegd en zijn bijkomende werkzaamheden verricht. Voor het aanbrengen van wijzigingen in de waterloop of de afvoer daarvan heeft het Waterschap De Dommel (hierna: het Waterschap) aan Rijkswaterstaat een ontheffing verleend. De duikerconstructie is zonder vergunning van het Waterschap aangelegd.

(iii) In 1999 heeft de gemeente Eindhoven (hierna: de Gemeente) in de nabijheid van De Mispelhoef een industrieterrein aangelegd. De Gemeente heeft in de jaren 1999-2000 voorts de Oirschotsedijk verhoogd. In 2000 heeft de Gemeente de nabij De Mispelhoef gelegen riolering in het buitengebied gereconstrueerd.

(iv) In 1998 deed zich voor het eerst wateroverlast voor op het terrein van De Mispelhoef. In het midden van 1999 was sprake van zeer ernstige wateroverlast, waarbij vrijwel het gehele terrein onder water stond, kelders onderliepen en schade ontstond. Ook in latere jaren was sprake van wateroverlast bij regenachtig weer. Mispelhoef heeft een aantal maatregelen genomen ter voorkoming van verdere schade.

(v) Mispelhoef heeft door middel van brieven van haar rechtsbijstandverlener van 12 februari 2003 de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk gesteld voor de schade die Mispelhoef door hun handelen heeft geleden en/of nog zal lijden. De brief aan de Gemeente houdt voor zover van belang het volgende in:

“Voorheen werd in de waterafvoer voor het perceel van cliënte voorzien door een aantal omliggende sloten. Vanwege in opdracht van de gemeente Eindhoven verrichte werkzaamheden ten behoeve van de reconstructie van de Mispelhoefstraat en de aanleg van een nabijgelegen industrieterrein, alsmede vanwege in opdracht van Waterschap De Dommel en/of Rijkswaterstaat verrichte werkzaamheden in het kader van het verbreden van de nabij gelegen snelweg A2 en het verhogen van de Oirschotsedijk, is deze waterafvoer echter grotendeels afgesloten.”

De brief aan het Waterschap bevat een gelijkluidende passage, met dien verstande dat daarin de aan het Waterschap en/of Rijkswaterstaat toegeschreven werkzaamheden voorop zijn gesteld. Mispelhoef heeft Rijkswaterstaat op dat moment niet aansprakelijk gesteld voor de schade.

(vi) De Gemeente heeft in 2004 na verricht onderzoek haar aansprakelijkheid afgewezen. Het Waterschap heeft in 2006 zijn aansprakelijkheid eveneens afgewezen. Mispelhoef heeft vervolgens een adviesbureau opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de wateroverlast. In het onderzoeksrapport heeft het adviesbureau geconcludeerd dat de door Rijkswaterstaat uitgevoerde werkzaamheden, in het bijzonder de vervanging van een sloot door een duiker, hebben geleid tot het vervallen van de afwateringssloot langs het terrein van De Mispelhoef, waardoor de directe afwaterende capaciteit van het terrein is komen te vervallen, wat tot een ernstige verstoring van de waterafvoer van het terrein heeft geleid.

(vii) De rechtsbijstandverlener van Mispelhoef heeft Rijkswaterstaat bij brief van 15 juli 2008 aansprakelijk gesteld voor de door de werkzaamheden van Rijkswaterstaat geleden of nog te lijden schade, waaronder mede begrepen de schade door werkzaamheden die op dat moment door Rijkswaterstaat in de omgeving werden verricht.

(viii) Rijkswaterstaat heeft medio april 2010 zijn aansprakelijkheid voor de in het onderzoeksrapport bedoelde schade (de “oude” schade) erkend. Bij brief van 23 april 2010 heeft de toenmalige advocaat van Rijkswaterstaat die erkenning bevestigd en meegedeeld dat hij opdracht had van de Staat om de behandeling van de “oude” schade op zich te nemen en voorts opgemerkt dat hij de door Mispelhoef aan te leveren onderbouwing van de door haar geleden schade graag tegemoet zag. Nadat de rechtsbijstandverlener van Mispelhoef de “oude” schade had begroot op ten minste € 243.091,74, heeft Rijkswaterstaat zich vervolgens bij brief van 1 oktober 2010 op het standpunt gesteld dat de vordering van Mispelhoef is verjaard.

3.2.1

Mispelhoef vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, (i) een verklaring voor recht dat haar rechtsvordering jegens de Staat tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van de door Rijkswaterstaat verrichte werkzaamheden, niet is verjaard en (ii) veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door haar geleden “oude” schade.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd wat betreft de proceskostenveroordeling en voor het overige bekrachtigd. Het in hoger beroep meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen. Daartoe heeft het hof overwogen:

“4. (…). De tweede tot en met vijfde grief vallen verschillende onderdelen van de overwegingen van de rechtbank aan die hebben geleid tot het oordeel dat de vordering van Mispelhoef is verjaard. Mispelhoef betoogt dat het er uitsluitend om gaat of zijzelf al voor 4 juli 2008 bekend had behoren te zijn met de voor haar schade aansprakelijke persoon. Zij stelt dat het in 2003, het tijdstip waarop zij de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk stelde, niet voor de hand lag Rijkswaterstaat aansprakelijk te stellen, omdat zij dacht dat de gedempte sloten aan het Waterschap in eigendom toebehoorden en dat deze door het Waterschap werden onderhouden. Mispelhoef brengt bovendien naar voren dat zij zeker niet achterover is gaan leunen, maar het een en ander heeft ondernomen om aan haar onderzoeksplicht te voldoen. Dat het tot 2008 heeft geduurd voordat zij Rijkswaterstaat aansprakelijk heeft gesteld, wijt zij mede aan de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van verzoeken van het door haar ingeschakelde adviesbureau. Zij stelt voorts dat het beroep van de Staat op verjaring naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij verzet zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat de erkenning door Rijkswaterstaat van zijn aansprakelijkheid voor de schade niet aan een beroep op verjaring in de weg staat. Zij wijst erop dat Rijkswaterstaat bij die erkenning geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, en dat ter comparitie is verklaard dat na een vonnis wellicht weer over de schade kan worden gesproken. Gelet daarop heeft zij haar eis in hoger beroep vermeerderd met een vordering van een verklaring voor recht dat de na verjaring resterende natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. Ten slotte richt Mispelhoef zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat Rijkswaterstaat aanvankelijk heeft gesteld dat overeenkomstig de door het Waterschap verleende vergunning is gewerkt, niet afdoet aan een beroep op verjaring. Mispelhoef betoogt dat deze twee aspecten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. (…).

5. De door Mispelhoef ingestelde vordering strekt tot vergoeding van door haar geleden schade. Het hof stelt voorop dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ingevolge artikel 3:310 BW een zodanige rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop Mispelhoef zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De schade door de opgetreden wateroverlast was Mispelhoef al in 1998/1999 bekend. Uit de door de rechtsbijstandverlener van Mispelhoef aan de Gemeente en het Waterschap gezonden brieven van 12 februari 2003 blijkt, dat zij er laatstelijk op die datum mee bekend was, dat die schade mogelijk kon worden toegeschreven aan handelingen van de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat. De ingangsdatum van de verjaringstermijn is daarom ten laatste 13 februari 2003. De omstandigheid dat Mispelhoef meende dat de aansprakelijkheid primair bij de Gemeente en/of het Waterschap berustte, behoefde haar er niet van te weerhouden om, zonder daartoe veel onderzoek te verrichten of de uitslag van de aansprakelijkstellingen van de Gemeente en het Waterschap af te wachten, ter bewaring van recht een vergelijkbare brief aan Rijkswaterstaat te zenden. Dat kon van haar, nu zij professionele rechtsbijstand genoot, ook gevergd worden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Rijkswaterstaat zich er eerst op heeft beroepen overeenkomstig de door het Waterschap verleende vergunning te hebben gewerkt. Dat staat immers niet zonder meer aan aansprakelijkheid van Rijkswaterstaat in de weg. De trage beantwoording door Rijkswaterstaat van brieven van het door haar ingeschakelde adviesbureau (die naar hun inhoud naar het oordeel van het hof niet als stuitingshandelingen kunnen worden aangemerkt) had voor haar eens te meer reden moeten zijn om ter bewaring van recht tot aansprakelijkstelling over te gaan.”

3.3.1

Het middel klaagt dat het verjaringsoordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd, mede in het licht van de stellingen van Mispelhoef ter zake.

3.3.2

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen
(HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694, NJ 2003/300). Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006/115). Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207). (Zie voor het voorgaande ook HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 en HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112)

3.3.3

Het oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat uit de brief van de rechtsbijstandverlener van Mispelhoef van 12 februari 2003 (zie hiervoor in 3.1 onder (v)) blijkt dat Mispelhoef onderkende dat de wateroverlast mogelijk was ontstaan door in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerde werkzaamheden, dat zij zich dus op die datum bewust was van de mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor de schade aansprakelijk was, en dat haar professionele rechtsbijstandverlener ter bewaring van haar recht reeds toen eenvoudig een aansprakelijkstelling naar Rijkswaterstaat had kunnen zenden. Daarom is de verjaringstermijn volgens het hof uiterlijk op 13 februari 2003 gaan lopen.

3.3.4

Het middel klaagt terecht dat het hof aldus voor de aanvang van de verjaringstermijn ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat Mispelhoef bekend was met de mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor de schade aansprakelijk was en dat zij haar rechten door aansprakelijkstelling had kunnen veilig stellen. Die enkele mogelijkheid is, in het licht van de hiervoor in 3.3.2 weergegeven rechtspraak, ook indien Mispelhoef professionele rechtsbijstand genoot, niet voldoende om aan te nemen dat bij Mispelhoef voldoende zekerheid bestond dat de schade was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Rijkswaterstaat. Daarbij is van belang dat Mispelhoef heeft gesteld dat zij in 2003 ervan uitging dat het Waterschap voor – kort gezegd – de waterhuishouding verantwoordelijk was, dat zij naar aanleiding van de reactie van het Waterschap naar de oorzaak van de schade onderzoek heeft laten doen, dat pas uit dat onderzoek bleek dat Rijkswaterstaat niet volgens de haar door het Waterschap verstrekte ontheffing had gewerkt en dat Rijkswaterstaat voor de schade verantwoordelijk is, en dat dit onderzoek mede vertraging heeft opgelopen doordat Rijkswaterstaat traag reageerde op verzoeken om informatie. Het hof heeft de relevantie van deze stellingen miskend.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mispelhoef begroot op € 943,93 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 31 maart 2017.