Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:518

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/04142
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/04142

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2015, nummer 20/000952-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.B.A. Acda, advocaat te Roermond, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

SCHRIFTUUR VAN CASSATIE INZAKE: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Willem II Singel 46 (6041 HT) te Roermond.

Requirant tot cassatie van het hem betreffende arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 16 juli 2015 onder parketnummer 20-000952-14 gewezen, dient hierbij de navolgende cassatiemiddelen in.

Middel 1

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waardoor 's Hofs arrest niet in stand kan blijven. In het bijzonder zijn de artt. 349, 358, 359 lid 2, 359a jo. 415 Sv en artt. 2 en 10 Opiumwet geschonden, doordat het hof op ontoereikende en onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde gronden tot het bewijs voor de productie/handel van synthetische drugs / harddrugs en voorbereidingshandelingen is gekomen doordat het hof daartoe als bewijs heeft gebruikt de kennelijke aankoop van caustic soda, terwijl niet is vastgesteld dat er in de opstelling die in de garages is aangetroffen ook daadwerkelijk caustic soda is gebruikt.

Toelichting:

1. Het Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod nu:

a. Onder het kopje "bewijs" op pagina 4 van het arrest is opgenomen:

"4.1 In de woning van verdachte [verdachte] werden onder meer twaalf aankoopbonnen van grote hoeveelheden caustic soda aangetroffen. Gelet op de aankoopdata die op de bonnen zijn vermeld, is de caustic soda gekocht tussen 10 augustus 2012 en 5 november 2012. Het is de betreffende verbalisant ambtshalve bekend dat caustic soda kan worden gebruikt voor de productie van (grondstoffen voor) synthetische drugs."

b. Onder het kopje "bewijsoverwegingen" op pagina 9 van het arrest is opgenomen, onder r.o. 3.1:

"(...) het aantreffen van twaalf aankoopbonnen van grote hoeveelheden caustic soda in de woning van de verdachte [verdachte], welke stof zoals hiervoor onder het kopje 'bewijs' is overwogen kan worden gebruikt als grondstof voor de productie van synthetische drugs.

De verdediging heeft bepleit dat deze bonnen gelet op de verklaring van getuige [getuige] niet aan verdachte [verdachte] kunnen worden toegerekend. Het hof hecht evenwel geen geloof aan de in dit verband door de getuige [getuige] aan verdachte [verdachte] zouden zijn af gegeven. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat getuige [getuige] over de aankoop van de caustic soda wisselend heeft verklaard alsmede het feit dat het bewaren van deze bonnen door verdachte [verdachte] niet valt te rijmen met de bewering dat deze bonnen niet voor hem bestemd zouden zijn."

2. Het hof heeft op ontoereikende en onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde, wijze de aankoopbonnen van de caustic soda als bewijs voor productie gezien, terwijl dit uit het forensische op geen enkele wijze duidelijk is geworden.

3. Er heeft geen feitelijke vaststelling plaatsgevonden dat ook daadwerkelijk de caustic soda gebruikt is geweest bij de productie. Het Hof stelt weliswaar dat het bekend is dat deze grondstof gebruikt wordt bij de productie van synthetische drugs maar een rechtstreeks verband met de opstelling in de schuur is niet geleverd.

4. Gelet hierop kan 's Hofs arrest niet in stand blijven.

Middel 2

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waardoor 's Hofs arrest niet in stand kan blijven. In het bijzonder zijn de artt. 349, 358, 359 lid 2, 359a jo. 415 Sv en artt. 2 en 10 Opiumwet geschonden, doordat het hof op ontoereikende en onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde gronden tot het bewijs voor de productie/handel van synthetische drugs / harddrugs en voorbereidingshandelingen is gekomen doordat het hof daartoe als bewijs heeft gebruikt de aanwezigheid van witte rook en een vreemde geur die is waargenomen door getuigen in de periode van de zomer 2012 en vier maanden voor november 2012, terwijl onvoldoende vast is komen te staan of deze witte rook en geur ook daadwerkelijk afkomstig zou zijn van de productie van synthetische drugs.

Toelichting:

5. Het Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod nu:

a. Onder het kopje "bewijsoverwegingen" onder 2 op pagina 9 heeft opgenomen:

"Het hof acht in dit verband voorts redengevend dat één buurtbewoner heeft verklaard vanaf de zomer (juli) van 2012 een vreemde geur te hebben opgemerkt en een andere buurtbewoner op 17 november 2012 heeft verklaard sinds ongeveer vier maanden in de vroege ochtend uren regelmatig witte rook te hebben waargenomen afkomstig uit de tuinen van verdachte [betrokkene 1] en verdachte [verdachte]. Voor wat betreft deze witte rook neemt het hof in aanmerking dat ook op 16 november 2012 door een verbalisant witte rook is waargenomen bij de garage van [...] en witte rook volgens het LFO past bij stoomdestillatie van ruwe amfetamineolie. "

6. Het hof heeft op ontoereikende en onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde, wijze de beweerdelijke aanwezigheid van witte rook en een "vreemde geur" als het enkele bewijs voor productie van synthetische drugs gezien terwijl door rekwirant ook andere omstandigheden zijn opgeworpen voor de aanwezigheid van witte rook en de vreemde geur.

7. De wijze waarop het Hof deze omstandigheden terzijde heeft geschoven in r.o. 4 zijn niet toereikend en begrijpelijk, zeker niet nu de daadwerkelijke productie in feite enkel hierop is gebaseerd en derhalve een belangrijk element in de bewijsvoering vormt.

8. Dit geldt temeer nu er eveneens verweer is gevoerd omtrent de aangetroffen opstelling in de garage, namelijk dat deze niet geschikt was (op het moment van de aanhouding) voor productie of verwerking van grondstoffen maar het Hof wel de verklaring vari de verbalisant van 16 november 2012 gebruikt ten aanzien van de oorsprong van de witte rook, te weten de productie van synthetische drugs.

9. Gelet hierop kan 's Hofs arrest niet in stand blijven.

Middel 3

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waardoor 's Hofs arrest niet in stand kan blijven. In het bijzonder is art. 6, eerste lid, EVRM geschonden, doordat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

Op de eerste plaats doordat tussen de datum van het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier ter administratie van de Hoge Raad 13 maanden zijn verstreken en op de tweede plaats het geding in de cassatiefase niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, zal zijn afgerond met een einduitspraak.

Toelichting:

1. Het cassatieberoep in onderhavige procedure is op 24 juli 2015 ingesteld en de stukken van het geding zijn op 4 augustus 2016, blijkens de mededeling betekening, bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden ruim is overschreden.

2. Daarbij is voldoende aannemelijk dat de cassatieprocedure niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep zal worden afgerond. Zoals hierboven vermeld is het cassatieberoep op 24 juli 2015 ingesteld en zijn op het moment van indiening van de schriftuur reeds 15 maanden gepasseerd.

3. Art. 6 EVRM is geschonden, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden terwijl bovendien, hetgeen waarschijnlijk is te achten de gehele behandeltermijn in cassatie eveneens de daaraan door uw Raad gestelde grens overschrijdt. Dit moet leiden tot strafvermindering in dier voege dat aan rekwirant een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Het arrest van het Hof kan derhalve niet in stand blijven.