Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:514

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03880
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1570, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/03880

AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 juni 2016, nummer 22/004865-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I. Jadib, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

Hoge Raad der Nederlanden

Schriftuur houdende middelen van cassatie

Inzake : [verdachte]

Verzoeker tot cassatie:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: " [verdachte] ", te dezer zake woonplaats kiezende aan de Wassenaarseweg 47 (2596 CG) te Den Haag, ten kantore van zijn raadsvrouw Mr. I. Jadib, die uitdrukkelijk is gemachtigd tot ondertekening en indiening van onderhavig cassatieschriftuur,

wenst op te komen tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2016.

Onderwerp cassatieberoep

Het cassatieberoep is per akte d.d. 13 juni 2016 onbeperkt ingesteld.

De grieven in cassatie richten zich tegen de veroordeling onder feit 1, welk feit ziet op gewoontewitwassen ex artikel 420bis, eerste lid, sub b Wetboek van Strafrecht. Het Hof heeft bewezen verklaard dat [verdachte] in de periode van 9 april tot en met 4 juni 2012 tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door meermalen omgesmolten klompjes goud en sieraden voorhanden te hebben, over te dragen en om te zetten terwijl hij en medeverdachte wisten dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Middel I

Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften in de zin van artikel 79 RO doordat het Hof bij zijn oordeel dat er sprake is van gewoontewitwassen een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans onvoldoende dan wel onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd hoe de bewezenverklaring tot stand heeft kunnen komen.

's Hofs vaststellingen en overwegingen

1. Uit registercontrole bij goudhandel " [A] " te [plaats] is gebleken dat [verdachte] in de periode van 17 juni 2009 tot en met 26 april 2012 meerdere keren gesmolten blokjes goud heeft verkocht aan die goudhandel.

2. Het Hof heeft de waarde van het verkochte goud vastgesteld op ongeveer € 19.000,-.

3. Uit registercontrole bij voormelde goudhandel is verder gebleken dat [medeverdachte] , medeverdachte en zus van verzoeker in cassatie, in de periode van 9 april 2009 tot en met 11 april 2012 meerdere keren gesmolten blokjes goud en sieraden heeft verkocht aan die goudhandel. Dit deed zij voor haar broer.

4. Het hof heeft de waarde van de door medeverdachte [medeverdachte] verkochte goud en sieraden vastgesteld op ongeveer € 31.000,-.

5. Het hof is hierop tot de vaststelling gekomen dat [verdachte] in drie jaar tijd voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- aan goud en sieraden heeft verkocht.

6. Het hof heeft overwogen dat de belastinggegevens van [verdachte] het vermoeden rechtvaardigen dat hij de verkochte voorwerpen niet door middel van besparing heeft kunnen verkrijgen. Uit de belastinggegevens blijkt dat verdachte in de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 10.035,-, € 8.903,-, € 6.557,-, € 8.337,-, € 14.930,- en € 3.580,- aan loon heeft ontvangen.

Standpunt verdediging

7. In hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit omdat het door [verdachte] en zijn zus bij de goudhandel ingeleverde goud en sieraden niet van misdrijf afkomstig zijn en [verdachte] hierover een aannemelijke verklaring heeft afgelegd.

8. [verdachte] heeft ter terechtzitting d.d. 19 mei 2016 ten overstaan van het hof onder meer het volgende verklaard:

"Het klopt dat ik in de periode van 17 juni 2009 tot en met 26 april 2012 verschillende keren en in totaal voor ongeveer €19.000, - aan goud heb ingeleverd bij [A] in [plaats] . Het klopt dat mijn zus [medeverdachte] in de periode van 9 april 2009 tot en met 11 april 2012 verschillende keren in totaal voor ongeveer € 31.000,- aan goud voor mij heeft ingeleverd bij [A] in [plaats] .

Ik handel in van alles. Ik verkocht horloges. Onder andere aan [B] in Antwerpen. Ik kreeg er goudslijpsel voor terug. Soms ook wat meerwaarde. In Antwerpen werd het goud op een apparaat gelegd dat het aantal karaten kon meten. Zo werd de waarde bepaald. Het goud smolt ik zelf om. Ik mengde het goed. Dan werd het 15-karaats goud. Ik gebruikte voor het omsmelten het oventje van mijn moeder.

[...]

Het omsmelten is binnen 15 minuten gebeurd. Idealiter smelt je het goud bij een temperatuur van 1.100 graden Celsius. Anders verdampt het goud. Dan krijg je te maken met smeltverlies. Ik ben metaalbewerker. Ik maakte mallen voor het goud. Ik spaarde het goud op voordat ik het inleverde. Soms ging het om een hoeveelheid goud ter waarde van ongeveer € 2.000,-. Soms ging het om een hoeveelheid goud met een andere waarde.

U hebt nu ook de gegevens van mijn account op Marktplaats. Aan de hand van die gegevens kunt u zien dat ik al jarenlang via Marktplaats handel. U houdt mij voor dat ik weinig inkomsten had, maar dat ik wel veel verhandelde via Marktplaats. Dat klopt. Het is begonnen met een oud horloge van het merk Breitling. Ik kocht hem in slechte staat. Ik heb het horloge opgeknapt en verkocht.

Door dit vaker te doen, kon ik met de winst steeds meer horloges kopen. U houdt mij voor dat ik een enorme handelsvoorraad moet hebben gehad. Het betrof een langere periode. U houdt mij voor dat de handel via Marktplaats volgens de accountgegevens zou hebben plaatsgevonden sinds 2007. In het begin handelde ik niet in originele horloges. Het ging om imitatiehorloges. Ze waren wel van echt goud. Die horloges waren erg populair in de jaren negentig. De merken die ik verhandelde waren onder andere Rolex, Breitling, Cartier, Omega en ETA. Ik kan die uurwerken zelf repareren. Als ik een uurwerk had, kocht ik daar een gouden horloge bij. Het horloge kocht ik in als sloopgoud. Ik betaalde de goudwaarde. Ik plaatste de uurwerken vervolgens in de gouden horloges. Als er geen doos bij zat, kocht ik via Marktplaats een doos. De horloges zijn namelijk meer waard als je ze verkoopt in een doos. Ik heb een technische opleiding gehad. Ik heb al mijn lasdiploma's. Horloges zitten heel eenvoudig in elkaar. Het uurwerk wordt centraal aangedreven. De tandwielen vertragen de aandrijving.

Ik kocht ook sloopgoud via Marktplaats. Vroeger betaalde men niet veel voor sloopgoud. De waarde bedroeg ongeveer 6 tot 7 euro per gram. In een jaar zijn de koersen enorm gestegen. Je betaalt nu 21 tot 24 euro per gram. Dat is ook de reden dat alle juweliers tegenwoordig sloopgoud inkopen. Niet alle mensen die sieraden verkopen via Marktplaats weten dit. Ik kocht het sloopgoud goedkoop in. Vervolgens verkocht ik het bij voor meer geld. Soms kreeg ik drie keer de inkoopprijs als ik het goud verkocht. Per bedrijf waar je het goud kan inleveren, schommelt de koers ook nogal eens.

Ik heb geen administratie bijgehouden van mijn handel via Marktplaats.

Ik heb geen belastingaangifte gedaan over de winst die ik maakte met de handel via Marktplaats. Al het geld dat ik heb verdiend, stopte ik in mijn auto. Dat is een Audi.

U vraagt mij of mijn handel in goederen via Marktplaats legaal was. Ja, die handel was legaal. U vraagt mij waarom ik dan mijn zus [medeverdachte] zo nu en dan goud liet inleveren. Soms moest ik zelf ergens anders heen en dan vroeg ik haar het goud in te leveren. Ik kon dan niet wachten tot ik zelf tijd had. De koersen waren op dat moment gunstig.

Ik kocht voor het merendeel horloges van het merk Breitling. Ze waren versleten als ik ze kocht. Ze zaten onder de krassen. Mechanische horloges hebben eens in de zes jaar onderhoud nodig. Dat deed ik allemaal zelf. Ik had zelf een polijstmachine en onderdelen om de horloges op te knappen. Ik kocht een horloge bijvoorbeeld voor € 600, -. Als ik het horloge had opgeknapt kon ik het verkopen voor€ 1.600,-. Eerst verkocht ik de horloges via Marktplaats. Later ging ik naar Antwerpen om bij [B] horloges te ruilen voor goudslijpsel. Zij wilden de horloges in de etalage hebben liggen. We onderhandelden over de prijs van het horloge. Ik wilde het in goudslijpsel hebben. Dat zijn kleine stukjes goud die loskomen als je goud vijlt of slijpt. Soms was een goudslijpsel maar 10 karaat. Dan maakte ik een beetje verlies. Andere dingen smolt ik niet om. De intacte sieraden kocht ik via Marktplaats. Ik belde mensen op of ik bij hen mocht langskomen. Ik moest snel zijn, voordat anderen het goud hadden verkocht. Soms reageerde ik ook op een advertentie via een berichtje op Marktplaats. Het waren vaak oudere mensen die sieraden aanboden. Soms werd mij gevraagd mijn legitimatie te tonen. De verkopers waren niet op de hoogte van de goudkoers. Ik probeerde door te onderhandelen op een lage prijs uit te komen. Soms ging het om mooie sieraden. Die verkocht ik via Marktplaats. Als ik het goud verkocht voor de goudwaarde ging ik naar [A] in [plaats] . Hun inkoopprijs is het hoogste van allemaal. Andere juweliers brengen ook hun goud naar [A] ."

Bewezenverklaring hof

9. Het hof heeft bij de beoordeling van de zaak vooropgesteld:

"[...] dat inmiddels bestendige jurisprudentie is dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b van Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf."

10. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van uit misdrijf verkregen goud:

"Het Hof is van oordeel dat het verkopen van blokjes goud door de verdachte en zijn zus als particulieren, alsmede de hoeveelheid en de frequentie waarin dat gebeurde, omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden dat het goud uit enig misdrijf is verkregen.

Onder de gegeven omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete en specifieke verklaring geeft voor de herkomst van de verkochte voorwerpen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de herkomst er van is gelegen in handel, onder andere op de website Marktplaats.nl. Enerzijds heeft de verdachte naar eigen zegen goedkoop sloopgoud ingekocht zodat hij dat tegen een meerprijs kon verkopen. Anderzijds kocht hij (kapotte) horloges op die hij repareerde en vervolgens met winst verkocht dan wel inruilde in Antwerpen tegen goudresten.

Het hof stelt vast dat verdachte geen administratie van deze transacties heeft bijgehouden. Evenmin heeft verdachte een concrete reconstructie van het verloop van de diverse transacties overgelegd. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard geen enkele administratie van zijn handel te hebben bijgehouden.

Hoewel het hof het aannemelijk acht dat de verdachte handelde via Marktplaats.nl, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte daarmee zoveel heeft verdiend dan wel de beschikking heeft gekregen over ingekochte voorwerpen met een zodanige waarde dat hij in staat was om in genoemde periode voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- aan goud in te (doen) leveren. De enkele lijst advertenties op marktplaats die aan verdachte kunnen worden verbonden is onvoldoende om dit aannemelijk te kunnen achten, nu deze lijst geen inzicht geeft in de aan de individuele transacties te koppelen vervolgtransacties (via Marktplaats.nl, Antwerpen of [A] , etc.) en de eventuele opbrengst daarvan.

Het hof is van oordeel dat nu de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van de verkochte voorwerpen als niet-aannemelijk terzijde moet worden geschoven, het niet anders kan zijn of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kortgezegd - gewoontewitwassen

Argumenten verzoeker in cassatie

11. De verdediging heeft het hof verwezen naar het in de jurisprudentie gebezigde beoordelingskader van bewijslevering bij (gewoonte)witwassen:

"Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden."(1)

12. Het hof heeft ter zake van [verdachte] geoordeeld dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen en van [verdachte] een verklaring verlangd omtrent de herkomst van het door hem ingeleverde goud en de sieraden.

13. De verklaring die [verdachte] heeft gegeven is uitgebreid, concreet en min of meer verifieerbaar. Hoewel hij niet beschikt over enige administratie en evenmin zijn inkomsten opgegeven heeft aan de belastingdienst, heeft hij zijn uitgebreide verklaring onderbouwd met verwijzing naar zijn computergegevens en marktplaatsaccount.

Nader onderzoek openbaar ministerie

14. Het openbaar ministerie heeft ter verificatie van [verdachtes] verklaring een verzoek gedaan aan Marktplaats B.V. ex artikel 126nd/126ud Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek werd reeds gedaan op 20 juni 2012 maar heeft in eerste aanleg niet geresulteerd in een proces-verbaal waarin de resultaten van het onderzoek zijn opgenomen.

15. Ter terechtzitting van het hof d.d. 11 januari 2015 (de regiezitting) is het per appelschriftuur ingediende verzoek van de verdediging behandeld, inhoudende dat de resultaten van de artikel 126nd/126ud Sv aan Marktplaats B.V. alsnog aan het dossier zouden worden toegevoegd. Dat verzoek van de verdediging is vervolgens ter zitting door de raadsman herhaald. De advocaat- generaal heeft hierop gereageerd door aan te geven geen bezwaar te hebben tegen voeging van de onderzoeksresultaten en ervoor zorg te dragen dat die aan het procesdossier zullen worden gevoegd.

16. Op 16 mei 2016, aldus drie dagen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak bij het hof op 19 mei 2016, is een proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant] . In dat proces-verbaal is opgenomen, dat de verbalisant op 9 mei 2016 het verzoek van de advocaat-generaal bereikte om naar de resultaten te speuren die mogelijk waren verstrekt naar aanleiding van de 126nd- vordering d.d. 19 juni 2012 van de officier van justitie.

17. Uit het onderzoek van verbalisant [verbalisant] bleek dat de Marktplaatsgegevens waren verstrekt op 26 juni 2012.

18. Uit de door Marktplaats B.V. verstrekte gegevens is af te leiden dat [verdachte] in de periode van 22 juli 2006 tot en met 23 mei 2012 in totaal 452 advertenties heeft geplaatst op Marktplaats.nl. Uit het overzicht blijkt dat het overgrote deel van de advertenties betrekking heeft op horloges en sieraden, waarbij de advertenties die betrekking hebben op horloges de merknamen bevatten die [verdachte] ook reeds noemde in zijn verklaring ten overstaan van de rechtbank en het hof.

19. De verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof gewezen op de resultaten van het onderzoek en daarbij gesteld dat de omvang van de handel van [verdachte] gelet op het aantal advertenties en de inhoud daarvan aanzienlijk is geweest en dat [verdachte] kennelijk een aanzienlijk inkomen genereerde met zijn handel.(2)

20. Het hof heeft aangenomen dat [verdachte] handelde via Marktplaats.nl maar zijn verklaring over de omvang van die handel desalniettemin als onaannemelijk terzijde geschoven:

"Hoewel het hof het aannemelijk acht dat de verdachte handelde via Marktplaats.nl, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte daarmee zoveel heelt verdiend dan wel de beschikking heeft gekregen over ingekochte voorwerpen met een zodanige waarde dat hij in staat was om in genoemde periode voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- aan goud in te (doen) leveren. De enkele lijst advertenties op marktplaats die aan verdachte kunnen worden verbonden is onvoldoende om dit aannemelijk te kunnen achten, nu deze lijst geen inzicht geeft in de aan de individuele transacties te koppelen vervolgtransacties (via Marktplaats.nl, Antwerpen of [A] , etc.) en de eventuele opbrengst daarvan. "

21. ' s Hofs overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een onbegrijpelijke/onvolledige motivering nu gelet op het onderzoek van het openbaar ministerie niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Integendeel, de onderzoeksresultaten van Marktplaats.nl onderschrijven de verklaring van [verdachte] en zijn voor het hof redengevend om aan te nemen dat hij daadwerkelijk heeft gehandeld op een wijze zoals door hem beschreven.

22. ' s Hofs overweging dat het onaannemelijk is dat [verdachte] met zijn handel een waarde van € 50.000,- heeft kunnen genereren, is voorts onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd, gelet op de grote hoeveelheid advertenties, de langdurigheid van de handel over een periode van bijna zes jaar en de waarde van de in de advertenties genoemde artikelen.

23. Dat de lijst voorts geen inzicht geeft in de aan de individuele transacties te koppelen vervolgtransacties maakt de lijst op zichzelf niet onbruikbaar voor onderbouwing van de verklaring van [verdachte] . Bovendien volgt uit de incompleetheid van de lijst juist dat de daadwerkelijke handel nog omvangrijker is geweest, nu de lijst enkel betrekking heeft op de door [verdachte] geplaatste advertenties. De advertenties waarop hij zelf heeft gereageerd en de handel die hij voerde met Antwerpen niet is betrokken.

24. [verdachtes] verklaring kan op deze gronden dan ook niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.

Middel II

Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften in de zin van artikel 79 RO doordat het Hof bij het verwerpen van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot aanvullend onderzoek een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans onvoldoende dan wel onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd waarom van de noodzaak van dat verzoek niet is gebleken.

Voorwaardelijk verzoek tot aanvullend onderzoek

25. De verdediging heeft naar aanleiding van het proces-verbaal d.d. 16 mei 2016 betreffende de onderzoeksresultaten op de 126nd-vordering d.d. 19 juni 2012 het hof (voorwaardelijk) verzocht om nader onderzoek te bevelen:

"Mocht u voorbijgaan aan het verhaal van de verdachte over de handel in goud en de lijsten van [A] Goud- en Diamanthandel of de cijfers van de belastingdienst als bewijs willen gebruiken dan verzoek ik u aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar het Marktplaatsaccount van de verdachte. Er dient dan te worden onderzocht welke goederen er door de verdachte zijn gekocht via Marktplaats. Die informatie ontbreekt namelijk in het dossier. Onderzocht kan worden op welke goederen hij heeft gereageerd en op welke goederen hij een bod heeft uitgebracht. Ook kan worden onderzocht welke berichten de verdachte via zijn Marktplaatsaccount heeft verzonden.

[...]

Niet alle vragen uit de vordering ex art. 126nd Sv uit 2012 van de officier van justitie zijn beantwoord. In de vordering werd namelijk gevraagd naar de gegevens omtrent de verkocht én gekochte producten op Marktplaats in een bepaalde periode. De advocaat-generaal vraagt zich af hoe de verdachte aan de hoeveelheden geld komt om alle goederen te bekostigen. De gegevens omtrent de gekochte goederen ontbreken vooralsnog. Ik wil de verklaring van de verdachte zo verifieerbaar mogelijk maken. De verdachte zegt dat hij is begonnen met horloges, en zodoende is doorgegroeid. De advocaat-generaal mag alles weten van de verdachte. De enige manier waarop de verdachte zijn verhaal aannemelijk kan maken, is met het aanvullende onderzoek naar zijn Marktplaatsaccount. "

26. Het hof heeft het verzoek verworpen met de volgende overweging:

"Het hof wijst het verzoek af nu de noodzaak van dat aanvullende onderzoek niet is gebleken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep."

27. ' s hofs overweging dat er van de noodzaak van dat aanvullende onderzoek niet is gebleken, is onbegrijpelijk gelet op zijn eerdere bewijsoverweging, inhoudende:

"De enkele lijst advertenties op marktplaats.nl die aan verdachte kunnen worden verbonden is onvoldoende om dit aannemelijk te kunnen achten, nu deze lijst geen inzicht geeft in de aan de individuele transacties te koppelen vervolgtransacties (via Marktplaats.nl, Antwerpen of [A] , etc) en de eventuele opbrengst daarvan."

28. Uit 's hofs overweging dat de lijst geen inzicht geeft, blijkt nu juist van de noodzaak om nader onderzoek te verrichten naar de Marktplaatsgegevens.

29. ' s hofs overweging dat de lijst geen inzicht geeft, is voorts een bevestiging van het feit dat de onderzoeksresultaten op de vordering ex artikel 126nd Sv onvolledig zijn aangeleverd. De lijst is immers slechts een weergave van de door [verdachte] geplaatste advertenties. De vordering ziet echter op verstrekking van de volgende gegevens:

"[...] gekochte en verkochten en aangeboden producten op marktplaats in de periode van 1 januari 2009 tot en met heden van:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983

Of op het adres [adres] Of het op dit adres, volgens marktplaatsgegevens, gebruikte IP adres Of op zijn emailadres [emailadres] . wordt gevorderd deze gegevens te verstrekken"

30. Het proces-verbaal d.d. 16 mei 2016 is derhalve onvolledig en sluit niet aan op de gegevens die door de officier van justitie in eerste aanleg zijn gevorderd.

31. Zo die gegevens wel volledig zijn, kunnen daaruit individuele vervolgtransacties worden afgeleid nu zou kunnen worden ingezien op welke advertenties [verdachte] heeft gereageerd, welke biedingen hij heeft gedaan en met welke adverteerders of geïnteresseerden hij via het marktplaatsaccount berichten heeft uitgewisseld. Gegevens die het hof wel of in elk geval meer inzicht hadden kunnen geven in de omvang van de handel van [verdachte] .

Maatstaf: van noodzaak niet gebleken

32. Bovendien is de maatstaf die het hof heeft aangelegd bij verwerping van het voorwaardelijk verzoek onjuist. Bij het intreden van de voorwaarde, te weten bij het voorbijgaan van de verklaring van [verdachte] en daarmee die als kennelijk onaannemelijk terzijde te schuiven, had het hof nader onderzoek dienen te bevelen.

33. Het verzoek van de verdediging om verstrekking van de resultaten is reeds gedaan per appelschriftuur overeenkomstig artikel 410 Wetboek van Strafvordering. Vervolgens is dit verzoek herhaald tijdens de regiezitting op 11 januari 2015. De advocaat-generaal heeft blijkens het proces-verbaal van voormelde zitting op het verzoek als volgt gereageerd:

"De advocaat-generaal heeft geen bezwaar tegen voeging van de onderzoeksresultaten als voornoemd; hij zal ervoor zorgdragen dat deze aan het procesdossier zullen worden gevoegd."

34. Vervolgens heeft het hof na een onderbreking van het onderzoek voor beraad de volgende beslissing genomen:

"Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing mee dat het verzoek tot voeging van de resultaten waartoe de vordering van de officier van justitie ex art. 126nd van het Wetboek van Strafvordering aan Marktplaats B.V. hebben geleid zal worden toegewezen."

35. Het proces-verbaal van de regiezitting bevat voorts de volgende aankondiging:

"De voorzitter deelt mede dat het hof voornemens is de zaak in mei te behandelen."

36. Het proces-verbaal dat uiteindelijk is toegevoegd dateert van 16 mei 2016. Het proces-verbaal is derhalve drie dagen voor de inhoudelijke behandeling opgesteld. In het proces-verbaal schrijft de verbalisant:

"Op 9 mei 2016 bereikte mij het verzoek afkomstig van de advocaat-generaal om naar de resultaten te speuren welke mogelijk waren verstrekt naar aanleiding van een gedane vordering van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. [...]

Deze vordering was kennelijk gedateerd op 19 juni 2012.

Uit mijn onderzoek is gebleken dat er op 26 juni 2012 een journaalvermelding is opgemaakt door een van de rechercheurs van het onderzoeksteam. Uit deze journaalvermelding kon ik opmaken dat er Marktplaatsgegevens waren ontvangen met betrekking tot verdachte [verdachte] en het door hem gebruikte e-mailadres: [emailadres] .

De verstrekte resultaten waren digitaal toegevoegd aan de journaalvermelding in een zogenaamd excelbestand en zullen nu als bijlage worden gevoegd bij dit proces-verbaal. Abusievelijk is dit resultaat niet in het eerder opgemaakte onderzoeksdossier opgenomen.”

37. Het proces-verbaal is op 17 mei 2016 om 13:09 per e-mail verstrekt aan het hof en aan de raadsman van [verdachte] (zie de e-mail in Bijlage l).

38. Door deze gang van zaken heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad het proces-verbaal behoorlijk te bestuderen. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting bij het hof van 19 mei 2016 blijkt dat de raadsman het proces-verbaal niet met zijn cliënt heeft kunnen bespreken en verklaart [verdachte] dat hij het verbaal heeft gekregen van een gevangenisbewaarder.

39. Dat proces-verbaal blijkt vervolgens slechts ten dele antwoord te geven op de vragen van de officier van justitie in de vordering ex 126nd Sv gesteld zijn op 19 juni 2012.

40. De onderzoeksresultaten hadden al bij de officier van justitie in eerste aanleg aanleiding moeten geven tot terugkoppeling aan Marktplaats B.V. Uit voormelde gang van zaken blijkt echter dat het onderzoek van het openbaar ministerie op dit punt niet voortvarend is te noemen.

41. De verdediging is hierdoor niet in de gelegenheid geweest om eerder dan ter zitting te verzoeken om aanvullend onderzoek. Dat het hof evenwel de enge maatstaf "nu de noodzaak van dat onderzoek niet is gebleken" toepast, is gezien deze context onjuist.

42. Toepassing van die maatstaf is voorts onjuist nu het hof tijdens de regiezitting op 11 januari 2015 zelf reeds opdracht had gegeven tot voeging van de resultaten van dat onderzoek. Het lag daarom op de weg van het hof om bij de inhoudelijke behandeling te constateren dat de aangeleverde resultaten niet volledig waren nu niet alle vragen op de vordering waren beantwoord en het openbaar ministerie opdracht te geven de resultaten aan te vullen.

43. [verdachte] krijgt tegengeworpen een onvoldoende concrete en verifieerbare verklaring te geven over zijn handel, terwijl hij vanaf het onderzoek in eerste aanleg heeft verwezen naar zijn accountgegevens op Marktplaats.nl. Hoewel het openbaar ministerie aanvankelijk nader onderzoek heeft ingesteld om de verklaring van [verdachte] na te gaan, is dat onderzoek niet volledig uitgevoerd en zijn de resultaten daarvan pas op het allerlaatste moment in tweede aanleg aangeleverd. Tegelijkertijd is het gebrek aan verifieerbaarheid aan [verdachte] tegengeworpen. De advocaat-generaal voerde blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 mei 2016 in repliek onder meer het volgende aan:

"Ik betwist niet dat de verdachte in de handel zat. Maar het gaat erom dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de sieraden en het goud in deze zaak van Marktplaats afkomstig zijn. De verdachte heeft geen administratie bijgehouden. Hij zegt: "Zoek het maar uit via Marktplaats!". Zo werkt dat niet."

44. De beslissing van het hof tot verwerping van het (voorwaardelijk) verzoek tot aanvullend onderzoek is gegrond op een onjuiste maatstaf en/of onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvolledig gemotiveerd. [verdachte] is door deze beslissing in zijn verdediging geschaad nu hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn verklaring over de door hem gevoerde handel van goud en sieraden concreet en verifieerbaar te maken.

Verzoeker in cassatie verzoekt uw Raad het arrest van het Hof te Den Haag, waarvan beroep, te vernietigen, met zodanige verdere afdoening als uw Raad zal vermenen te behoren.

1. Gerechtshof Amsterdam d.d. 11-01-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481

2 Zie hiervoor de overgelegde en aan het proces-verbaal ter terechtzitting gehechte pleitnotities onder punt 1.4 tot en met 1.10 die de raadsman heeft voorgedragen.