Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:511

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03834
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5845, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/03834

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2016, nummer 23/000315-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Ruijs, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR ex artikel 437 Wetboek van Strafvordering

Hoge Raad der Nederlanden Zaaknummer: S 16/03834

Schriftuur houdende één middel van cassatie.

In de zaak van:

[verdachte], verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof Amsterdam op 24 juni 2016 onder parketnummer 23-000315-15 gewezen arrest.

MIDDEL 1

1. Het recht - in het bijzonder het bepaalde in artikel 359 Wetboek van Strafvordering- is geschonden. Althans, het gerechtshof Amsterdam geeft in haar arrest blijk van een onvoldoende bespreking van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van schuldheling uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat op het verwervingsmoment van het (gestolen) goed iemand te dien aanzien aanmerkelijk of grof onvoorzichtig is geweest met betrekking van de herkomst van dat goed. Immers, als uit de bewijsmiddelen slechts blijkt, zoals in casu blijkt uit het vonnis van de politierechter, welke het hof zich eigen heeft gemaakt, dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed van diefstal afkomstig was, dit onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van schuldheling.

2. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam is hierdoor niet naar de eisen van de wet met voldoende redenen omkleed en onvoldoende gemotiveerd.