Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:508

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03432
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1757, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/03432

NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2016, nummer 22/005099-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.M. van der Zwan, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

Edelhoogachtbare heer, vrouwe,

Het Gerechthof Den Haag, meervoudige kamer voor strafzaken, heeft op 17 juni 2016 uitspraak gedaan in de zaak met rolnummer 22-005099-15 en parketnummer 09-176331-15. Betreffend arrest is gewezen op het hoger beroep dat [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964 en woonachtig [woonplaats], hierna verder “[verdachte]” had ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 november 2015.

[verdachte] is het niet met voormelde uitspraak van het hof Den Haag eens en heeft zijn advocaat mr. R.M. van der Zwan bepaaldelijk gevolmachtigd om namens cassatieberoep in te stellen en namens hem op te treden alsmede deze schriftuur houdende de gronden van cassatie in te dienen.

Feiten en omstandigheden

1. De raadsman van [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair betoogd dat [verdachte] een beroep op noodweer dan wel noodweer exces toekomt en derhalve van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen. Daarbij heeft de raadsman van [verdachte] betoogd dat [verdachte] een (brood)mes heeft gepakt om zich te verdedigen nadat [betrokkene] dreigend met een hamer op hem af kwam lopen.

2. Het hof overweegt daartoe in haar arrest van 17 juni 2016 dat het uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene] dreigend met een hamer op hem af kwam waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

3. Ter onderbouwing van de beslissing heeft het hof in de bijlage behorende bij het arrest (blz. 2) de verklaring van de vriendin van [betrokkene] aangehaald en baseert de beslissing dat aan [verdachte] geen beroep op noodweer, dan wel noodweer exces toekomt louter op basis van de mededeling van de vriendin van [betrokkene] dat [betrokkene] pas een hamer heeft gepakt nadat [verdachte] aan kwam lopen en zou hebben gezegd ”ik maak je dood, ik prikje lek”. Het hof voert geen nader steunbewijs aan.

4. In de betreffende verklaring geeft de vriendin echter aan dat zij rond 12:35 uur met [betrokkene] aan kwam rijden bij de winkel van [betrokkene]. Terwijl [verdachte] (= [verdachte]) (direct) aan kwam lopen hoorde de getuige hem zeggen “ik maak je dood, ik prikje lek”.

De getuige zag vervolgens dat [verdachte] dat zei in de richting van [betrokkene] en dat terwijl [verdachte] dat zei [betrokkene] terug de winkel inliep waarna [verdachte] vervolgens terug is gelopen naar zijn winkel. Daarop zou [betrokkene] uit zijn winkel zijn gelopen met een hamer in zijn hand. Op datzelfde moment zag de getuige dat de buurvrouw van [A] naar buiten komen gerend en dat zij de hamer van [betrokkene] afpakte en in onze winkel gooide. Op datzelfde moment zag de getuige tevens dat [verdachte] in de deuropening van zijn snackbar stond en dat hij een mes vasthield.

5. De verklaring van de betreffende getuige waarop het hof haar beslissing dat [verdachte] geen beroep op noodweer, dan wel noodweer exces toekomt baseert is vooreerst afgelegd door de vriendin van [betrokkene], zodat aan die verklaring weinig althans minder waarde dient te worden gehecht nu de betreffende getuige in een affectieve relatie tot [betrokkene] staat.

6. Voorts blijkt uit alle andere getuigenverklaringen in het betreffende dossier dat het niet zo is dat de getuige en [betrokkene] rond 12:35 uur aan kwamen rijden bij de winkel en dat [verdachte] direct naar buiten kwam gelopen. Alle getuigenverklaringen van alle overige getuigen reppen immers over een veel ruimere voorgeschiedenis van het betreffende incident. Het hof heeft niet uitgelegd waarom zij deze kennelijk toch zeer voor discussie vatbare getuigenverklaring wel als basis voor het afwijzen van het beroep van [verdachte] op noodweer, dan wel noodweer exces heeft gedaan. Temeer daar zelfs uit de betreffende verklaring van deze getuige blijkt dat [verdachte] niet buiten zijn snackbar is getreden en dus ook geen bewegingen in de richting van [betrokkene] - de openbare straat op - heeft gemaakt. De actie van [verdachte] kan en moet dan ook veel meer gezien worden als een bescherming van zijn eigendom en domein dan als een daad van agressie.

7. Dat [betrokkene] wel degelijk agressie vertoonde en dat [verdachte] moest vrezen voor zijn lijf en leden, blijkt al uit het feit dat de betreffende buurvrouw van [A] [betrokkene] moest kalmeren en de hamer van [betrokkene] heeft afgepakt en deze in zijn winkel heeft gegooid. Het handelen van de betreffende buurvrouw, zoals blijkt uit de verklaring van de getuige die het hof als doorslaggevend heeft ervaren, kan niet anders worden geïnterpreteerd dan dat [betrokkene] de persoon was die de agressie tentoon spreidde. Bovendien is [betrokkene] veel jonger en sterker dan [verdachte] zodat [verdachte] veel meer voor zijn leven diende te vrezen dan [betrokkene].

8. Zonder nadere onderbouwing is de beslissing van het hof op dit punt onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.

Schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO

9. Gezien het voorgaande is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO aangezien het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot de conclusie is gekomen dat aan [verdachte] geen beroep op noodweer dan wel noodweer exces toekomt.

10. Gezien het voorgaande verzoekt [verdachte] Uw Hoge Raad om het arrest van het gerechtshof te vernietigen en de onderhavige zaak zelf af te doen dan wel deze te verwijzen naar een ander hof teneinde vast te stellen of [verdachte] alsnog een beroep op noodweer dan wel noodweer exces toekomt en ontslagen dient te worden va alle rechtsvervolging.