Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:504

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02432
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:4346, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02432

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 januari 2016, nummer 22/004766-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

Van het arrest van het Gerechtshof Den Haag, meervoudige kamer voor strafzaken, d.d. 19 januari 2016, met rolnummer 22-004766-14.

Geeft eerbiedig te kennen:

[verdachte] , hierna te noemen: ' [verdachte] ', geboren op [geboortedatum] 1989, (BSN: [001] ), wonende te [woonplaats] , voor deze zaak woonplaats kiezende te (3061 MG) Rotterdam aan de Frits Ruysstraat 42 d ten kantore van mr. R.W. de Gruijl die door hem als advocaat bepaaldelijk is gevolmachtigd onderhavige cassatieschriftuur in te dienen.

[verdachte] behoudt zich het recht voor om nader op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep te kunnen reageren en op grond hiervan nadere cassatiemiddelen in te dienen.

Feiten

Procesverloop in feitelijke instanties

Bij dagvaarding is [verdachte] ten laste gelegd dat hij:

Op of omstreeks 25 juli 2014 te Krimpen aan den IJssel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere kledingstuk(ken), waaronder één of meerdere t-shirt(s) en/of trainingsbroek(en), in eik geval enig(e) goed(eren), geheel often dele toebehorende aan Serie A Store.nl, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

In eerste aanleg is het tenlastegelegde bewezenverklaard ten aanzien van [verdachte] en is hij terzake daarvan op 7 november 2015 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren.

[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag tegen voornoemd vonnis. Op 5 januari 2016 heeft aldaar een onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. De raadsman van [verdachte] heeft bij het gerechtshof Den Haag bepleit dat [verdachte] diende te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet duidelijk is dat de in de auto aangetroffen kleding daadwerkelijk afkomstig is uit de betreffende winkel en dat evenmin duidelijk is of er wel kleding is weggenomen, nu dit door niemand is gezien. Daarnaast is er volgens de raadsman onvoldoende bewijs dat verdachten als medepleger bij de diefstal van de kleding betrokken zijn.

Het gerechtshof heeft uit de bewijsmiddelen - zakelijk weergegeven - het volgende afgeleid.

Op vrijdag 25 juli 2014 omstreeks 19:00 uur was aangever werkzaam in de sportwinkel Serie A Store.nl. Aldaar werkzaam, zag hij drie mannen de winkel betreden die zich als normale klanten gedroegen. Zij pasten kleding en stelden aangever vragen over de maten van de kleding. Onder de gepaste kleding bevond zich onder andere een trainingspak van PSG. Na het passen van de kleding kijken de mannen rond in de winkel, aldus hetgeen het hof uit de verklaring van aangever heeft afgeleid.

Aangever is vervolgens achter de kassa gaan staan, waarbij één van de mannen met beide handen in zijn zakken op hem af loopt, terwijl de man aangever strak aankijkt. Aangever denkt dat de man een mes in zijn zak heeft en dat deze door de kleding van de man steekt.

Aangever voelt zich bedreigd. Ondertussen hoort aangever uit het deel van de winkel waar de andere twee mannen zich bevinden geluiden komen, die klinken als het geluid van kledinghangers die gepakt, dan wel teruggehangen worden.

De man blijft op aangever aflopen tot ongeveer een meter voor de kassa. Vervolgens loopt hij achteruit de winkel uit, waarop de andere twee mannen ook de winkel verlaten. Aangever ziet direct dat er een Ajax-shirt weg is en ziet later ook dat het trainingspak van PSG, dat één van de mannen gepast heeft, meegenomen is.

Getuige [getuige] ziet op 25 juli 2015, omstreeks 19:10 uur, drie mannen met een getinte huidskleur lachend aan komen rennen. Hij ziet de mannen vervolgens in een auto met kenteken [AA-00-BB] stappen en brengt de mannen in verband met de sportzaak, nu de mannen uit de richting van die winkel zijn gekomen.

Verbalisanten zien op 25 juli 2015, omstreeks 19:28 uur, de auto met kenteken [AA-00-BB] rijden te Barendrecht. In het voertuig zitten drie mannen, te weten de verdachten en een medeverdachte. Verdachten worden aangehouden en in de auto worden diverse kledingstukken aangetroffen, onder meer een t-shirt met een logo van Ajax en een zwarte trainingsbroek, maat S, met het logo van voetbalclub Paris Saint-Germain. Aan beide kledingstukken is het label nog bevestigd. Verder wordt tijdens de insluitingsfouillering een wit Nike vest in de maat S bij [medeverdachte] aangetroffen. Uit foto's blijkt dat hierop een embleem van voetbalclub Paris Saint-Germain is te zien.

Aangever herkent - na het zien van foto's - medeverdachte [medeverdachte] als de man die voor hem stond. Hij herkent de aangetroffen kleding als kleding die in de Serie A Store.nl wordt verkocht.

Het gerechtshof leidt uit het samenstel van deze bewijsmiddelen - bij gebreke van verdere uitleg door de verdachten - af dat verdachten op enig moment het plan hebben opgevat kleding te stelen in de winkel en dat dit plan in nauwe en bewuste samenwerking is uitgevoerd. Dat laatste leidt het hof af aan de wijze waarop zij in de winkel gezamenlijke belangstelling hebben getoond voor de kleding en zij de winkel - nadat medeverdachte [medeverdachte] de winkelier zou hebben geïntimideerd - gezamenlijk hebben verlaten om naar hun auto te rennen, waar later de gestolen kleding is aangetroffen.

Dat de onder verdachten in beslag genomen kleding daadwerkelijk uit de winkel afkomstig is leidt het hof af uit het gegeven dat de winkelier direct na de diefstal tegen de politie heeft verklaard dat dergelijke kledingstukken waren gestolen en dat aangever de kleding heeft herkend als kleding die in de winkel wordt verkocht. Bovendien merkt het hof op dat de kleding nog was voorzien van prijskaartjes.

Gezien vorenstaande overwegingen vernietigt het gerechtshof weliswaar het vonnis waarvan beroep, maar verklaart verdachten schuldig aan het tenlastegelegde en veroordeelt verdachten ter zake daarvan tot een taakstraf voor de duur van zestig uren en tevens tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

[verdachte] voert tegen het bestreden arrest van 19 januari 2016 van het gerechtshof Den Haag de volgende middelen van cassatie aan:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof ten aanzien van het bewezenverklaarde de door de verdediging naar voren gebrachte verweren heeft verworpen, terwijl die verwerping niet of niet voldoende is gemotiveerd, althans de motivering van die verwerping die verwerping niet dragen kan en voorts dat de gebezigde bewijsmiddelen niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, dan wel dat het hof niet tot de overtuiging dat verdachten het feit hadden begaan had moeten komen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen.

Onderdeel 1

Ten onrechte, en/of op onvoldoende gegeven motivering heeft het hof overwogen dat de onder de verdachten inbeslaggenomen kledingstukken daadwerkelijk uit de betreffende winkel afkomstig zijn.

Toelichting

Het gerechtshof heeft de afkomst van de inbeslaggenomen kledingstukken uit de winkel (Serie A store.nl) te Krimpen aan den IJssel afgeleid uit het gegeven dat de winkelier direct na de diefstal tegen de politie heeft verklaard dat dergelijke kledingstukken waren gestolen en dat hij bij het tonen van de kleding de kleding herkende als kleding die in de winkel wordt verkocht. Bovendien was de betreffende kleding voorzien van prijskaartjes, aldus het hof.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1700-2014307242-16, blijkt dat de winkelier terstond heeft verklaard jegens verbalisanten dat hij had waargenomen dat [verdachte] en/of de medeverdachten een wit trainingspak van het merk Nike en een blauw trainingspak van het merk Nike heeft/hebben gepast in de winkel. Voorts heeft de winkelier verklaard dat hij een wit-rood t-shirt van het merk Adidas, van vermoedelijk de maat S, met aan de voorzijde de tekst AEGON en een wit trainingspak van het merk Nike miste nadat de verdachten de winkel hadden verlaten. Aanvankelijk meende de winkelier tevens een lichtblauw trainingspak te missen, maar een dergelijk trainingspak werd later door de ter plaatse gekomen eigenaar gevonden. Bij de aangifte (proces-verbaal van aangifte, nummer PL1700-2014307242-1) verklaart de winkelier, dan in de hoedanigheid van aangever, dat twee van de drie mannen, of één van de drie mannen, twee trainingspakken hebben gepast. Eén lichtblauw trainingspak van Manchester City en één wit trainingspak van PSG. Nadat de mannen gedrieën de winkel hadden verlaten zag aangever direct dat er een Ajax-shirt ontbrak en later zag aangever dat tevens een trainingspak van PSG, dat volgens aangever gepast was, ontbrak.

Voorts heeft aangever verklaard dat hij de man die voor hem had gestaan, aan de hand van foto's die verbalisanten hem toonden, herkende als medeverdachte [medeverdachte] .

Aangever heeft in zijn verklaringen echter niet aangegeven te hebben waargenomen dat verdachten handelingen van wederrechtelijke toe-eigening hebben verricht, en zo ja welke kledingstukken zijn weggenomen. Hij heeft geen van de verdachten daadwerkelijk bepaalde kledingstukken zien wegnemen uit de winkel, hetgeen gezien de positie van de winkelier ten opzichte van de mededaders ónmogelijk was. Dat later, blijkens diverse kledingstukken in de auto zijn aangetroffen die in de betreffende winkel worden verkocht, leidt niet zelfstandig tot de conclusie dat deze kledingstukken van misdrijf, in casu diefstal bij de winkel waar aangever werkzaak is, afkomstig zijn. Immers, bij [verdachte] werd een kassabon aangetroffen van dezelfde winkel als waar de vermeende diefstal had plaatsgevonden. De kassabon vermeldde een bedrag van € 107,96, maar geen datum. Nu middels de aanwezige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de in de auto aangetroffen kledingstukken daadwerkelijk zijn weggenomen door verdachten, kan het tenlastegelegde feit niet worden bewezenverklaard.

In ieder geval is de door het hof gegeven motivering voor het vaststellen van de afkomst van de kleding uit de winkel, te summier en voldoet deze motivering niet aan de eisen der wet.

Het loutere feit dat de winkelier terstond na de vermeende diefstal meende (een) enkel(e) kledingstuk(ken) te missen, waarop later een aantal kledingstukken in de auto van verdachten zijn aangetroffen die de winkelier herkent als kleding die in de winkel wordt verkocht, dient volgens [verdachte] niet te leiden tot een bewezenverklaring. Opgemerkt daarbij zij dat - mede gezien de aangetroffen kassabon - andere verklaringen zeer plausibel zijn.

Onderdeel 2

Ten onrechte, en/of op onvoldoende gegeven motivering heeft het hof overwogen dat de diefstal in bewuste en nauwe samenwerking, oftewel in vereniging, door verdachten is uitgevoerd.

Motivering

Het hof heeft in dier arrest d.d. 19 januari 2016 overwogen dat uit het samenstel van bewijsmiddelen - bij gebreke van verdere uitleg door de verdachten - kan worden afgeleid dat verdachten op enig moment het plan hebben opgevat om kleding te gaan stelen in de betreffende winkel en dat plan ook in nauwe en bewuste samenwerking hebben uitgevoerd. Dat laatste leidt het hof af uit de wijze waarop zij in de winkel gezamenlijk belangstelling hebben getoond voor de kleding en dat zij de winkel, nadat medeverdachte [medeverdachte] de winkelier had geïntimideerd, gezamenlijk lachend hebben verlaten om naar hun auto te rennen, in welke auto zij even later ook met de gestolen kleding zijn aangetroffen.

Vooropgesteld zij ten overvloede opgemerkt dat krachtens jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden (ECLI:NL:HR:2008:BC6157) de ondergrens voor medeplegen gelegen is in een drietal punten:

a. het deel uitmaken van een groep en niet het enkel toevallig aanwezig zijn;

b. het zich niet distantiëren van een groep als er foute en strafbare gedragingen plaatsvinden die niet onvoorzienbaar, onverwachts en plotseling waren;

c. het niet ingrijpen door mededaders te beletten strafbare feiten te plegen, wanneer voorzienbaar wordt dat nieuwe strafbare feiten gepleegd gaan worden.

Voorts volgt uit een ander arrest van de Hoge Raad der Nederlanden (ECLI:NL:HR:2014:3474) dat de kwalificatie medeplegen slechts gerechtvaardigd is, als de materiele en intellectuele bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare vorm voor wanneer het bestanddeel 'in vereniging' is opgenomen.

Ten aanzien van de verdachten zijn geen bewijsmiddelen voorhanden die exact duidelijkheid verschaffen omtrent de exacte rol die verdachten ten aanzien van het tenlastegelegde hebben vervuld. [verdachte] zou zich uit het zicht van aangever hebben begeven, alwaar geenszins duidelijk is wat zich daar heeft afgespeeld. Zodoende kan niet worden vastgesteld of het voor [verdachte] voorzienbaar was dat er - wellicht - strafbare feiten werden gepleegd. Het is mogelijk dat deze strafbare feiten voor [verdachte] niet voorzienbaar, onverwachts en plotseling waren. Voor een andersluidend oordeel zijn geen bewijsmiddelen voorhanden, laat staan dat deze door het hof met redenen omkleed zijn gebezigd.

Het door het hof overwogene omtrent een opgevat plan van verdachten is niet, dan wel niet voldoende gemotiveerd. Daarvoor is geen wettelijk bewijs voorhanden. Het uit het samenstel van bewijsmiddelen afleiden van een opgezet plan, bij gebreke van verdere uitleg door verdachten, is niet voldoende gemotiveerd en ontbreekt aan feitelijke grondslag.

REDENEN WAAROM

1. [verdachte] zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedige verzoek het arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 19 januari 2016, meervoudige kamer voor strafzaken, met rolnummer 22-004766-14, waartegen bovenstaande middelen van cassatie zijn gericht, te vernietigen, alles met zodanige verdere uitspraak als naar oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven.