Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:502

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/01044
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5844, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/01044

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2016, nummer 23/004443-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

SCHRIFTUUR, houdende een middel van cassatie van mr C.P. Wesselink-van Dijk

in de zaak van:

[verdachte], verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam met het rolnummer 23/004443-14, uitgesproken op 18 februari 2016.

Middel

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359 lid 3 en 415 Sv geschonden, doordat in de bewijsmiddelen één, drie en vier passages tot het bewijs zijn gebezigd die strijdig zijn met elkaar, althans die in onderlinge samenhang bezien niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, althans doordat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is gemotiveerd.

Toelichting

Het hof heeft in bewijsmiddel 1 (onder meer) vastgesteld dat verzoeker en zijn broer [betrokkene 1] beiden met een honkbalknuppel hebben ingeslagen op aangever [betrokkene 2], en dat [betrokkene 1] de persoon was die [betrokkene 2] raakte.

In bewijsmiddel 3 heeft het hof de volgende passage uit de aangifte van aangeefster [betrokkene 3] tot het bewijs gebezigd:

“ ...op dat moment werd de deur open gegooid en kwamen een stuk of zeven man/vrouw binnen. (...) [betrokkene 4] pakte mij beet, ze pakte mij bij mijn armen vast en ze trok ook aan mijn haren. Ze bleef mij maar slaan en ze probeerde mij op de grond te krijgen. Alle drie de vrouwen waren op mij aan het slaan, trappen en aan mijn haren aan het trekken. De vrouwen waren nog steeds aan het slaan, [verdachte] kwam er ook bij, ik zag dat hij een honkbalknuppel in zijn handen had en ik zag dat hij een slaande beweging naar mijn hand maakte, ik voelde en zag dat hij mij met de honkbalknuppel op mijn hand sloeg, ik voelde direct een hevige pijn in mijn linkerhand en linker pols. Hij sloeg ook op mijn elleboog, hier is een open wond door ontstaan. [verdachte] had mij eerder met de honkbalknuppel ter hoogte van mijn schouderblad geslagen, ik heb hierdoor ook letsel aan mijn schouderblad, tevens heeft hij mij met de knuppel op mijn arm geslagen, hier heb ik ook letsel aan. ” (onderstreping CW)

In bewijsmiddel 4 heeft het hof vastgesteld dat verzoeker en zijn broer [betrokkene 1] enkele seconden nadat zij de woonwagen van aangevers binnengingen, weer naar buiten kwamen.

Verzoekers raadsvrouwe heeft bij pleidooi onder meer naar voren gebracht dat, gelet op de vaststelling van de politie dat verzoeker en zijn broer slechts enkele seconden in de woonwagen zijn geweest, het feitenrelaas zoals beschreven door aangevers onmogelijk kan hebben plaatsgevonden, nu dit onmogelijk in een paar seconden kan hebben plaatsgevonden.(1)

De vaststelling van het hof dat verzoeker eerst [betrokkene 2] zou hebben geslagen met een honkbalknuppel, in samenhang bezien met de vaststelling van het hof dat aangeefster [betrokkene 3] eerst is beetgepakt en aan de haren getrokken door [betrokkene 4], dat [betrokkene 4] maar bleef slaan en probeerde haar op de grond te krijgen, dat alle drie de vrouwen aan het slaan, trappen en aan de haren aan het trekken waren en dat (toen pas) verzoeker erbij kwam en haar meerdere malen - want op diverse plaatsen op het lichaam - met een honkbalknuppel heeft geslagen is strijdig met de vaststelling van het hof dat verzoeker slechts enkele seconden in de woonwagen is geweest. Althans, mede in het licht van het gevoerde verweer, zijn deze vaststellingen in onderlinge samenhang bezien, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet begrijpelijk. De bewijsconstructie is derhalve innerlijk tegenstrijdig, althans de bewezenverklaring is onvoldoende gemotiveerd, ’s Hofs arrest kan derhalve niet in stand blijven.

Verzoeker heeft belang bij dit middel nu dit de bewezenverklaring van het feit, dat hij ontkent te hebben gepleegd, raakt.

1 Pleitnota hoger beroep, blz. 3, 4