Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:498

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/05379
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:10199, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 15/05379

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 29 oktober 2015, nummer 21/007980-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

CASSATIESCHRIFTUUR

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats], hierna te noemen verzoeker, geeft eerbiedig te kennen,

Op 29 oktober 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden arrest gewezen onder nummer 21/007980-13 in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, gewezen op 7 oktober 2013 onder nummer 18/671011-13.

Binnen de daarvoor gestelde termijn is namens verzoeker beroep in cassatie gesteld, thans in behandeling onder griffienummer S15/05379.

Thans wordt de cassatieschriftuur ingediend namens verzoeker.

MIDDEL 1:

Schending van het recht en / of verzuim van vormen, voor zover de niet in achtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, met name schending van artikel 26 WWM, nu het Hof ten onrechte verzoeker veroordeeld heeft voor het voorhanden hebben van wapens en munitie.

In dit middel wordt geklaagd over de onjuiste betekenis die wordt gegeven aan het begrip voorhanden hebben als bedoeld in artikel 26 WWM. Dan wel het ontbreken van de motivering dat sprake is van bovenbedoeld voorhanden hebben.

Toelichting

In deze zaak heeft het Hof bewezen verklaard dat verzoeker wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Verzoeker is tenlastelegging dat hij wapens en munitie voorhanden heeft gehad in een woning. Het Hof heeft verzoeker daarvoor veroordeeld.

Onder meer de volgende bewijsmiddelen heeft het Hof gebezigd:

1. De verklaring van [betrokkene 1], afgelegd op 3 januari 2013;

2. De verklaring van [betrokkene 1], afgelegd op 4 januari 2013;

3. De verklaring van [betrokkene 2], afgelegd op 3 januari 2013.

Teneinde aan te kunnen nemen of er sprake is geweest van het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 26 WWM, zal gekeken moeten worden naar drie omstandigheden. Ten eerste zal gekeken moeten worden of de aangetroffen spullen in de nabijheid waren van verzoeker. Daarnaast zal gekeken moeten worden of er enige beschikkingsmacht was over de aangetroffen spullen en tenslotte zal aangetoond moeten worden dat verzoeker zich bewust was van de wapens. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verzoeker beschikkingsmacht had over de spullen die zich -zoals tenlastegelegd- in de woning bevonden. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat verzoeker zich bewust was van de spullen en tevens volgt uit de bewijsmiddelen dat de spullen zich niet in de nabijheid van verzoeker bevonden, derhalve zal grote betekenis moeten toekomen aan de eventuele beschikkingsmacht die verzoeker over de spullen zou hebben.

Nu uit de bewijsmiddelen slechts volgt dat verzoeker tezamen met zijn broer de spullen zou hebben verstopt in de woning, kan niet worden vastgesteld dat hij daarmee deze spullen voorhanden had. Dat hij in het bezit was van de sleutels van de woning doet daaraan niet af. Evenmin de situatie dat hij buiten de woning de spullen wel eens in zijn bezit zou kunnen hebben gehad. Voor zover de bewijsmiddelen daarover voldoende overtuigend zijn, dan nog zegt dat niets over de beschikkingsmacht van deze spullen op de momenten dat deze zich in de -tenlastegelegde- woning

Redenen waarom verzoeker uw Raad verzoekt om het arrest van het Hof te vernietigen.