Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:495

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/01220
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1029, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 15/01220

AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2015, nummer 20/003411-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.

Cassatieschriftuur inzake:

[verdachte],

wonende te [woonplaats], verdachte,

Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:

Inleiding

Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 5 maart 2015, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.

In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Middelen van cassatie

Als gronden van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:

MIDDEL I

Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:

Ten onrechte heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op de 2 mei 2013 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met de door hem bestuurde auto op [betrokkene 1] is afgereden nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte is aangereden in de richting van [betrokkene 1] op het moment dat verdachte heeft waargenomen dat [betrokkene 1] achter een andere auto heeft gestaan, zodat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Toelichting

1.1

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

"hij op of omstreeks 22 mei 2013 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto, op die [betrokkene 1] is af- en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vooraanstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2013 te Helmond [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware handeling, immers is verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [betrokkene 1] af- en /of ingereden;"

1.2

In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 februari 2015 is onder meer gerelateerd dat mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te 's-Hertogenbosch, het woord tot de verdediging heeft gevoerd. In het proces-verbaal vermeldt daartoe onder meer:

"Naar mijn mening dient in deze zaak niet gekeken te worden naar de uiterlijke verschijningsvorm. Er is sprake geweest van een stuurfout aan de zijde van mijn cliënt, maar van buitenaf heeft aangeefster [betrokkene 1] iets anders gezien. ()

()

Niet duidelijk is in hoeverre [betrokkene 1] al achter haar auto stond. ()

()

Voor een poging tot zware mishandeling moet sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Uit de verklaring van mijn cliënt valt dit voorwaardelijk opzet echter niet af te leiden. ()"

1.3

In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:

"hij op 22 mei 2013 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [betrokkene 1] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;"

1.4

In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:

"Verdachte is met de door hem bestuurde auto versneld opgetrokken, waarna hij - door met een korte directe beweging in één keer naar links te sturen - zijn weghelft heeft verlaten en met ongeveer 30 km/uur op aangeefster [betrokkene 1] is afgereden. [betrokkene 1] stond op dat moment naast de auto van haar moeder die haar kwam ophalen en heeft als gevolg van deze plotselinge manoeuvre van verdachte moeten wegspringen teneinde te voorkomen dat zij werd geraakt door de op haar afrijdende auto van verdachte. Zowel [betrokkene 1] als getuige [betrokkene 2] hebben dienaangaande verklaard dat indien aangeefster niet zou zijn weggesprongen verdachte [betrokkene 1] met de door verdachte bestuurde auto zou hebben geraakt.

Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee op zijn minst genomen in voorwaardelijke zin opzettelijk heeft getracht [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand als gevolg van een met een motorrijtuig uitgevoerde handeling zoals hiervoor omschreven de aanmerkelijke kans loopt zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Verdachte moet zich daarvan, zoals ieder weldenkend mens, bewustzijn geweest. Het is enkel aan het reactievermogen van [betrokkene 1] te danken geweest dat haar dit letsel niet is toegebracht. De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van een door verdachte zonder opzet begane stuurfout overweegt het hof dat het dossier gelet op de bewijsmiddelen geen aanknopingspunten biedt voor deze voorstelling van zaken, zodat deze gestelde toedracht niet aannemelijk is geworden.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd."

1.5

Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof zeven bewijsmiddelen gebezigd. Zo heeft het hof onder meer als bewijsmiddel (7) gebruikt een door verdachte tegenover verbalisanten afgelegde verklaring, inhoudende onder meer (voor zover in dit kader van belang):

"()

Ik had mijn auto geparkeerd aan de [a-straat]. Ik zag de auto van de oma van [betrokkene 1] aan komen rijden. Ik wilde mijn auto omdraaien dus ik ben al vooruit de inrit naar de parkeergarage van het appartementencomplex ingereden. Ik zag op dat moment dat de auto van de oma van [betrokkene 1] stil stond voor het appartementencomplex van [betrokkene 1].

Ik zag dat [betrokkene 1] naar de auto van haar oma liep. Ik zag dat dit een groene auto was.

Toen ik mijn auto om had gedraaid, zag ik dat [betrokkene 1] achter de auto van haar oma stond. Ik ben aangereden in de richting van [betrokkene 1]."

1.6

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, mn.t. YB).

1.7

In de onderhavige zaak heeft het hof in de bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte in de richting van [betrokkene 1] is aangereden op dat moment dat verdachte heeft waargenomen dat [betrokkene 1] achter de auto van haar oma heeft gestaan. Deze vaststelling verdraagt zich niet met het bewezen verklaarde opzet; de gedraging van verdachte kan immers onder deze omstandigheden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Dit houdt ook in dat het andersluidende oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed (vgl. o.m. HR 23 december 2008, NJ 2009, 32, zie voorts HR 11 november 2014, NJ 2015, 96,mnt. BFK). Dit klemt temeer in een zaak als de onderhavige, waarin de verdediging in hoger beroep ook uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat de door verdachte afgelegde verklaring niet redengevend kan zijn voor het bewijs van het bewezen verklaarde (voorwaardelijke) opzet.

MIDDEL II

Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 EVRM en 365a Sv, en wel om het navolgende:

Op 6 maart 2015 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest niet tijdig, binnen de door de wet aangegeven termijn, met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie en de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat daardoor dat redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.

Toelichting

2.1

Op 6 maart 2015 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 12 maart 2015 heeft de raadsman van verdachte zich bij de Hoge Raad als raadsman van verdachte gesteld. De Hoge Raad heeft de ontvangst van deze stelbrief bevestigd in zijn brief van 13 maart 2015. In deze ontvangstbevestiging heeft de Hoge Raad de raadsman medegedeeld hem nader te zullen berichten zodra de Hoge Raad de stukken van het geding zou ontvangen. Aan het verkorte arrest heeft het hof een aanvulling, inhoudende de door het hof gebezigde bewijsmiddelen gehecht. De aanvulling is door de voorzitter ondertekend op 3 augustus 2016. Op grond van deze omstandigheid heeft het hof het verkorte arrest niet tijdig, binnen de door de wet gestelde termijn, met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, nu de Hoge Raad d stukken pas op 31 augustus 2016 heeft ontvangen, zodat daardoor de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. PMe).

2.2

Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadsman van verdachte is immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hem de stukken waren toegezonden. Voorts is de raadsman pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.

2.3

Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (HR 11 september 2012, NJ 2013, 241 - 245, m.nt. FWB). Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld (EHRM 26 mei 1993, NJ 1993, 466, m.nt. EAA en EHRM 23 februari 1999, NJ 1999, 641, m.nt. Kn.). Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. Bij dit aantal zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport "Werkdruk bewezen" van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk (NRC 4 februari 2013). Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012 (pag. 23/24). Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen (zie www.nos.nl/artikel/2022231-onverminderde-roofbouw-op-rechters-html).

Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat - naar uit objectieve gegevens - blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat en dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.

2.4

Voorkomen moet worden dat "onder de zegel" van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlengd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden (zie de noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015, 469). Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.

2.5

Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de "prior criminal proceedings", zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn (EHRM 27 augustus 2013,12810/13, Celik).

Dat

Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.