Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:464

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
16/01894
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:153, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse uitleveringszaak: toevoeging van een andere raadsman aan de opgeëiste persoon bij ontstentenis van de toegevoegde raadsman. Art. 24.3 Uitleveringswet; art. 14 Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De voorzitter van het hof is gehouden een last tot aanwijzing van een raadsman te geven in geval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft. Het hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of de bij de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek verschenen o.p. het verlangen had zich door de reeds toegevoegde raadsman te laten bijstaan of zich van een nieuwe raadsman te voorzien (vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2694). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 15/05234 UA.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 44
Wetboek van Strafvordering 45
Uitleveringswet
Uitleveringswet 24
Uitleveringswet 25
Uitleveringswet 45a
Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2017/171 met annotatie van Redactie
RvdW 2017/386
NBSTRAF 2017/146
SR-Updates.nl 2017-0154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 maart 2017

Strafkamer

nr. S 16/01894 UA

IF/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 3 november 2015, nummer HAR 137/15, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van - naar de Hoge Raad begrijpt - de feiten zoals omschreven in de Affidavit in Support of Request for Extradition van Matthew Langley, Assistant United States Attorney for the Southern District of Florida, van 26 augustus 2015.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie teneinde de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering opnieuw te beoordelen.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet een raadsman heeft toegevoegd aan de opgeëiste persoon.

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek tot uitlevering was de opgeëiste persoon ten tijde van die behandeling uit anderen hoofde gedetineerd. Uit dat proces-verbaal blijkt niet dat de aldaar verschenen opgeëiste persoon door een raadsman is bijgestaan noch dat de voorzitter van het Hof een last tot toevoeging van een raadsman heeft gegeven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied, terwijl evenmin blijkt dat de opgeëiste persoon geen prijs stelde op rechtsbijstand.

3.3.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang.

- Art. 24, eerste en derde lid, van de Nederlandse Uitleveringswet (hierna: UW):

"1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zoveel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.

3. In geval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman."

- Art. 25, derde lid, UW:

"Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan."

- Art. 45a, eerste lid, UW:

"De opgeëiste persoon heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. De artikelen (...) 43 tot en met 45 (...) van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing."

- Art. 44, eerste en tweede lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

"1. Bij verhindering of ontstentenis van de aangewezen raadsman treft deze een voorziening voor zijn waarneming; indien blijkt dat dit niet is geschied, wordt zo nodig voor de verdachte onverwijld een andere raadsman aangewezen.

2. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de aangewezen raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de voorzitter last tot aanwijzing van een andere raadsman."

- Art. 65, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: Sv Curaçao):

"Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast."

- Art. 14, eerste en derde lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (hierna: Uitleveringsbesluit):

"1. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

3. De opgeëiste persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan."

3.4.

Het Uitleveringsbesluit kent niet een bepaling als art. 24, derde lid, UW inhoudende dat, ingeval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft, de voorzitter van het gerecht ambtshalve een last tot aanwijzing van een raadsman geeft.

3.5.

Uit de parlementaire geschiedenis van - thans - de Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten volgt dat de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad.

3.6.

Tegen de achtergrond van deze wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat onder de vigeur van voormeld Uitleveringsbesluit de voorzitter van het Hof gehouden is een last tot aanwijzing van een raadsman te geven ingeval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft.

3.7.

Het in het belang van de opgeëiste persoon gegeven voorschrift vervat in art. 24, derde lid, UW is van zo wezenlijke betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in het Uitleveringsbesluit bepaald, de niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het uitleveringsverzoek in de weg te staan.

3.8.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat het Uitleveringsbesluit niet een gehoudenheid inhoudt als hiervoor onder 3.6 weergegeven, klaagt het middel daarover terecht.

3.9.

Indien het Hof ervan is uitgegaan dat reeds een last tot toevoeging van een raadsman was gegeven omdat de opgeëiste persoon uit anderen hoofde was gedetineerd, geldt het volgende. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen en in aanmerking genomen dat art. 44 Sv in art. 45a, eerste lid, UW van overeenkomstige toepassing is verklaard, is art. 44, eerste lid, Sv, dat grotendeels dezelfde inhoud heeft als art. 65, eerste lid, Sv Curaçao, ook in de onderhavige zaak van belang.

3.10.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2694, geoordeeld dat art. 45, eerste lid, (oud) Sv - thans art. 44, eerste lid, Sv - aldus moet worden uitgelegd dat bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman in de regel aan de verdachte een andere raadsman moet worden toegevoegd en dat daarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgezien.

3.11.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de onder 3.2 vermelde omstandigheden had het Hof moeten doen blijken te hebben onderzocht of de bij de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek verschenen opgeëiste persoon het verlangen had zich door de reeds toegevoegde raadsman te laten bijstaan of zich van een nieuwe raadsman te voorzien. Voor zover het middel daarover klaagt, is het eveneens terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat opnieuw zal worden beslist op het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2017.