Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:443

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
16/00526
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:5642, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 17, lid 3, Wet WOZ. Onbegrijpelijk oordeel Hof. Waardering op bedrijfswaarde aangezien de exploitatie van de onroerende zaak door de erfpachter geschiedt met het uitsluitende doel daarmee winst te behalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0627 met annotatie van Jan Monsma
BNB 2017/108 met annotatie van J.A. MONSMA
V-N Vandaag 2017/598
Belastingblad 2017/177 met annotatie van L. Geerse
V-N 2017/17.24 met annotatie van Redactie
FutD 2017-0656
NTFR 2017/736 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 maart 2017

Nr. 16/00526

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 december 2015, nr. 14/00901, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AWB 12/4421 bis) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2010 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is onderdeel van [B] , een groep vennootschappen die zich op commerciële basis bezighoudt met de exploitatie van sportfaciliteiten, waaronder zwembaden. In het onderhavige jaar was zij erfpachter van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] en exploitant van het daar gelegen zwembad. De onroerende zaak wordt hierna aangeduid als het zwembad.

2.1.2.

In 2003 hebben belanghebbende en het Stadsdeel [Q] (hierna: het Stadsdeel) een overeenkomst gesloten met het oog op de realisatie van een gebouw gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] en de exploitatie daarvan gedurende een periode van 30 jaar. Voor de stichtingskosten waren subsidies beschikbaar gesteld. Op grond van die overeenkomst dient het Stadsdeel aan ING-bank zekerheden te verlenen voor de door die bank aan belanghebbende te verstrekken hypothecaire financiering. Het Stadsdeel heeft in de overeenkomst een jaarlijkse exploitatiebijdrage toegezegd.

2.1.3.

In april 2010 heeft het Stadsdeel met belanghebbende een nieuwe overeenkomst gesloten die voorzag in een jaarlijks aan belanghebbende te betalen geïndexeerde exploitatiebijdrage. In deze overeenkomst heeft belanghebbende zich onder meer verbonden bij de exploitatie de maatschappelijke functie van het zwembad in acht te nemen, tarieven voor recreatief zwemmen, doelgroepzwemmen en verhuur aan niet-commerciële verenigingen vast te stellen na overleg met het Stadsdeel, minimale openstelling voor recreatief zwemmen en van het buitenbad te garanderen en het zwembad voor het Stadsdeel te reserveren ten behoeve van het ‘schoolzwemmen’.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of het zwembad gewaardeerd mag worden op de bedrijfswaarde. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat gelet op de wijze waarop (en de voorwaarden waaronder) belanghebbende het zwembad feitelijk exploiteert, geen sprake is van exploitatie van het zwembad met het uitsluitende doel daarmee winst te behalen en daarmee evenmin van een (uitsluitend) in de commerciële sfeer geëxploiteerde onroerende zaak.

2.2.2.

Het hiertegen gerichte middel slaagt. De Hoge Raad stelt voorop dat belanghebbende als erfpachter in dit verband gelijk moet worden gesteld met de eigenaar, vanuit wiens positie het al dan niet commerciële karakter van de exploitatie beoordeeld dient te worden. Het Hof heeft in cassatie onbestreden vastgesteld (1) dat belanghebbende onderdeel is van een groep vennootschappen die zich op commerciële basis bezighoudt met de exploitatie van sportfaciliteiten en (2) dat belanghebbende tot doel heeft met de in haar statuten omschreven activiteiten winst te genereren en aan haar aandeelhouders te doen toekomen. Dit laat geen ander oordeel toe dan dat het zwembad wordt geëxploiteerd met het doel daarmee winst te behalen. Het Hof heeft niet vastgesteld dat daarnaast bij belanghebbende in enigerlei mate sprake is van niet‑commerciële drijfveren, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het behalen van winst ook het uitsluitende doel was van de exploitatie.

2.2.3.

De omstandigheid dat belanghebbende is gebonden aan de onder 2.1.3 genoemde verplichtingen maakt dit niet anders. Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat het Stadsdeel zelf met die voorwaarden maatschappelijke belangen nastreeft, maar niet tevens dat er tussen belanghebbende en het Stadsdeel een andere dan een commerciële relatie bestaat.

2.3.

Uit het vorenstaande volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 overwogene brengt mee dat het zwembad moet worden gewaardeerd op de bedrijfswaarde. Tussen partijen is niet in geschil is dat die bedrijfswaarde € 5.115.706 bedraagt.

3 Proceskosten

Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de heffingsambtenaar, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de kosten van de bezwaarfase,

vermindert de vastgestelde waarde van de onroerende zaak tot € 5.115.706 en vermindert de aanslagen tot aanslagen naar deze waarde,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 493,

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1733 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.