Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:413

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/01963
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1510, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:586, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Deelneming aan terroristische organisatie. Verlenen van geldelijke steun voldoende?

Van deelneming aan een organisatie a.b.i. de art. 140 en 140a Sr kan slechts sprake zijn indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 en ECLI:NL:HR:2012:BW5161). De opvatting dat het eerste vereiste voor deelneming aan een organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr (het behoren tot het samenwerkingsverband) niet geldt voor de in lid 4 resp. lid 3 van de bepalingen omschreven gedraging van het verlenen van geldelijke steun, zodat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr deelneming aan die organisatie oplevert, is onjuist. I.c. geeft ’s Hofs oordeel dat uit de gedragingen van verdachte niet z.m. kan worden afgeleid dat zij behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Overige opm.: de in art. 140.4 en art. 140a.3 Sr omschreven gedragingen zullen veelal kunnen worden gerangschikt onder andere delictsomschrijvingen, zoals art. 289a.2 of art. 421 Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafrecht 140a
Wetboek van Strafrecht 289a
Wetboek van Strafrecht 421
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2017/22
RvdW 2017/383
NJB 2017/733
NJ 2018/73 met annotatie van T. Kooijmans
NBSTRAF 2017/137
SR-Updates.nl 2017-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2017

Strafkamer

nr. S 16/01963

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 maart 2016, nummer 22/003523-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof.

Middelen van cassatie zijn namens de verdachte niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep en dat het beroep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3. Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin gebezigde, aan art. 140, vierde lid, Sr ontleende term "deelneming", althans dat 's Hofs oordeel dienaangaande ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1.

Aan de verdachte is onder 1 en 2 tenlastegelegd dat:

"1: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 maart 2010 te Amsterdam, althans op een of meer plaatsen in Nederland, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Turkije en/of Pakistan tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet op de wijze zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een of meer organisatie(s), te weten de IJU (Islamic Jihad Union/ Islamic Jihad Group) en/of de DTM (Deutsche Taliban Mujahideen), die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het voorhanden hebben en/of overdragen van een of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of 5 van de Wet wapens en munitie) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in
artikel 168 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van eerder vermelde misdrijven.

2: zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 maart 2010 te Amsterdam, althans op een of meer plaatsen in Nederland, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Turkije en/of Pakistan, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten de IJU (Islamic Jihad Union/Islamic Jihad Group), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 jo artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 198/2008 van de Commissie van 3 maart 2008."

3.2.2.

Het Hof heeft de verdachte van het haar onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:

"6.1.1 Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- de verdachte had de volle wetenschap van het terroristisch oogmerk van de organisaties van Manavbasi, DTM en IJU.

- de verklaringen van de verdachte dat zij van niets afwist zijn ongeloofwaardig, nu zij blijkens de bij haar thuis aangetroffen spullen en bezochte internetadressen zeer uitvoerig in de materie van de gewapende strijd is gedoken;

- de verdachte heeft willens en wetens geld geworven en (middels vier money transfers via Western Union) gedoneerd en heeft daarmee in juridische zin deelgenomen aan de organisaties IJU en DTM.

6.1.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, nu:

- primair niet kan worden vastgesteld dat de door de verdachte overgemaakte bedragen door de tussenpersonen zijn doorgestuurd en ook niet dat deze bedragen vervolgens daadwerkelijk zijn ontvangen door de IJU en/of de DTM;

- subsidiair de verdachte geen (terroristisch) oogmerk heeft gehad zoals dat is vereist voor deelname aan een criminele c.q. terroristische organisatie.

De verdediging concludeert dat hetgeen over de verdachte bekend is in het dossier haar geen strafbare deelnemer maakt en verzoekt het hof derhalve om de verdachte vrij te spreken.

6.1.3

Beoordeling door het hof

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte (opzettelijk) heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit bestendige jurisprudentie volgt dat er voor deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie twee vereisten gelden. 1) De verdachte dient lid te zijn van of te behoren tot het gestructureerde samenwerkingsverband.

2) Voorts dient de verdachte een aandeel te hebben in gedragingen, dan wel gedragingen te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

Bij de invoering van de Wet Terrorismebestrijding is een vierde lid aan artikel 140 Sr toegevoegd, ingegeven door het streven de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan terroristische organisaties scherper te markeren. Het derde lid van artikel 140a Sr verklaart deze toevoeging van overeenkomstige toepassing. De toevoeging luidt als volgt:

Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

Dit artikellid beoogde een verduidelijking te zijn van het begrip deelneming, maar voegde daar overigens niets aan toe en deed daar niets aan af. Aan de hierboven genoemde twee vereisten dient derhalve te worden voldaan.

Voor wat betreft het voornoemde eerste vereiste merkt het hof op dat de verdachte, om onder het bereik van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht te vallen, lid moet zijn geweest van of hebben behoord tot het betreffende duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. De verdachte heeft weliswaar in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand veel interesse gehad in en onderzoek gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties, wier gedachtengoed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij lid was van of behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM. Zij heeft naar het oordeel van het hof als buitenstaander geld opgestuurd naar tussenpersonen die waren verbonden aan deze organisaties.

Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde deelneming aan een of meerdere terroristische organisaties en het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

6.2

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het hiervoor onder 6.1.3 overwogene volgt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte lid was van of deel heeft uitgemaakt van de IJU. Daar vloeit uit voort dat evenmin bewezen kan worden de deelneming van de verdachte aan de voortzetting van de verboden organisatie IJU, zoals onder 2 ten laste gelegd. Derhalve zal het hof de verdachte eveneens vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde."

3.3.

De te dezen toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

- art. 140 Sr:

"1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie."

- art. 140a Sr:

"1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing."

3.4.

De geschiedenis van de totstandkoming van art. 140, vierde lid, en art. 140a, derde lid, Sr houdt onder meer het volgende in:

"Tijdens de algemene politieke beschouwingen op 18 en 19 september 2002 is in verband met een motie van het kamerlid Verhagen c.s. (Kamerstuk, 28 600, nr. 15) een notitie toegezegd over het verbieden van de op de EU-lijst vermelde terroristische organisaties en het strafbaar stellen van het lidmaatschap van deze organisaties. Aan deze toezegging is uitvoering gegeven door een notitie «Strafrechtelijke bestrijding van terroristische organisaties» van 5 november 2002 (Kamerstuk 28 666, nr. 1). In deze notitie is aangegeven dat het gelet op het grote belang dat aan artikel 140a Sr moet worden gehecht met het oog op een adequate terrorismebestrijding en ter uitvoering van voornoemde motie, wenselijk is dat op het niveau van de wet de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan om het even welke terroristische organisaties scherper wordt gemarkeerd. Deze explicitering kan, zo is daar reeds gesteld, worden bereikt door het begrip «deelneming» in artikel 140a nader te verduidelijken door te bepalen dat daaronder mede wordt verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. Aan dit voornemen geeft deze nota van wijziging uitvoering. Uitgangspunt is daarbij een wijziging van artikel 140, waar in het voorgestelde artikel 140a Sr naar wordt verwezen. In de voorgestelde begripsbepaling is ook verduidelijkt dat het werven van gelden of personen ten behoeve van de desbetreffende organisatie eveneens als deelneming wordt aangemerkt. Aangetekend zij dat de voorgestelde begripsomschrijving geenszins een beperking van het begrip deelneming inhoudt, zoals ook uit de tekst («mede begrepen») voortvloeit, doch slechts een verduidelijking."

(Kamerstukken II, 2002-2003, 28 463, nr. 7, nota van wijziging)

"De aan het woord zijnde leden stelden vervolgens terecht vast dat blijkens de eerste nota van wijziging bij het onderhavige wetsvoorstel onder deelneming (aan een criminele/terroristische organisatie) mede wordt begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden en personen ten behoeve van die organisatie. Zij wilden weten of dit betekent dat het verlenen van steun en het werven daarzonder niet strafbaar zouden zijn. Zij vroegen in hoeverre onder het verlenen van steun en het werven niet in ieder geval het deelnemen zou kunnen worden verstaan. Aan deze leden kan worden geantwoord dat de omstandigheid dat in de eerste nota van wijziging een nadere verduidelijking van het begrip deelnemen in artikel 140 Sr is opgenomen, niet impliceert dat de daardoor bestreken gedragingen (verlenen van steun en werven) voordien niet onder het bestanddeel «deelneming» vielen. De toevoeging van deze begripsbepaling aan artikel 140 Sr heeft slechts de strekking nader te verduidelijken dat deze gedragingen onder het bestanddeel deelneming vallen."

(Kamerstukken II, 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 19, nota naar aanleiding van het nader verslag)

"Minister Donner: (...)

Voorzitter. De kernbepaling van het wetsvoorstel was op het moment dat ik aantrad artikel 140a, deelname aan een terroristische organisatie. De deelname wordt verduidelijkt in een apart lid. Daarin wordt uitdrukkelijk aangegeven dat deelname het verlenen van geldelijke of stoffelijke steun omvat, alsmede het werven van gelden en personen voor een organisatie. Bepalend blijft de jurisprudentie ter zake van de Hoge Raad."

(Handelingen II, 2003-2004, 28 463, nr. 33, p. 33-1767)

3.5.

In de rechtspraak van de Hoge Raad over deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 en 140a Sr is het uitgangspunt dat daarvan slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk (vgl. bijv. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZD0858, NJ 1998/225 en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5161, NJ 2012/657).

3.6.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het onder 3.5 weergegeven eerste vereiste voor deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr (het behoren tot het samenwerkingsverband) niet geldt voor de in het vierde lid respectievelijk derde lid van genoemde bepalingen omschreven gedraging van het verlenen van geldelijke steun, zodat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr deelneming aan die organisatie oplevert. Die opvatting is echter onjuist. Nu het bij de invoering van art. 140, vierde lid, en art. 140a, derde lid, Sr vooral ging om de verduidelijking van de rechtspraak ten aanzien van twee specifieke handelingen, volgt daar redelijkerwijs uit dat die verduidelijking betrekking heeft op het tweede vereiste in de rechtspraak over deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr (het vereiste van een aandeel in of het ondersteunen van bepaalde gedragingen) welk vereiste immers de handelingen betreft. Het middel faalt in zoverre. Opmerking verdient overigens dat de in art. 140, vierde lid, en art. 140a, derde lid, Sr omschreven gedragingen veelal zullen kunnen worden gerangschikt onder andere delictsomschrijvingen, zoals art. 289a, tweede lid, of art. 421 Sr.

3.7.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand weliswaar veel interesse heeft gehad in en onderzoek heeft gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties terwijl zij hun gedachtengoed en doelstelling wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat zij behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt faalt het eveneens.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het door de verdachte ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk;

verwerpt het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2017.