Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:405

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
15/05147
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1328, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:5289, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Gemengde overeenkomst (art. 6:215 BW): duurovereenkomst tot verzorgen van catering bij besloten bijeenkomsten in kasteel, gecombineerd met recht van gebruik van ruimten voor een publieksrestaurant. Heeft restauranthouder na beëindiging kasteelcatering recht op huurbescherming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvPP 2017, afl. 5, p. 197
WR 2017/97
NJ 2017/336 met annotatie van Redactie, A.L.M. Keirse
RvdW 2017/342
JWB 2017/101
NJB 2017/675
AR 2017/1295
RCR 2017/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 maart 2017

Eerste Kamer

15/05147

EE/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,
gevestigd te [plaats] ,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 848892 AC EXPL 13-364 DJ/4066 van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2013;

b. het arrest in de zaak 200.141.634 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 13 januari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) De Staat heeft Kasteel [A] te [plaats] (hierna: het Kasteel), eigendom van Staatsbosbeheer, in beheer en gebruik.

(ii) (Onder andere) het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gebruikt het Kasteel voor officiële ontvangsten, congressen, vergaderingen en presentaties (de beleidsfunctie). Daarnaast heeft het Kasteel een publieke functie. Het is in dat kader van dinsdag tot en met zondag geopend voor bezoekers (de publieksfunctie).

(iii) In 2002 is ten behoeve van de cateringdiensten voor de beleidsfunctie en de publieksfunctie (hierna: de cateringdiensten) een aanbesteding gehouden, waarna de opdracht is gegund aan een dochtervennootschap van P4 Holding B.V. (hierna: P4). P4 heeft vervolgens [eiseres] opgericht als dochtervennootschap ten behoeve van de cateringdiensten.

(iv) Op 2 april 2003 is tussen de Staat en [eiseres] een overeenkomst gesloten inzake de cateringdiensten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande op 24 februari 2003, met de mogelijkheid van verlenging voor tweemaal een jaar.

( v) In de overeenkomst (waarin de Staat is aangeduid als LNV en [eiseres] als Opdrachtnemer) is onder meer bepaald:

“Overwegende:

dat LNV aan een drietal partijen heeft gevraagd offerte uit te brengen volgens het bestek aanbesteding catering Kasteel [A] (…)

(…)

dat LNV (…) heeft besloten [eiseres] (…) de opdracht te gunnen; (…)

(…)

Artikel 1

(…)

Onder begrippen wordt verstaan;

Bedrijfsruimten: die ruimten waarin medewerkers van Opdrachtnemer werkzaamheden verrichten ter uitvoering van de overeengekomen Diensten; (…)

(…)

Artikel 2

1. LNV draagt aan de Opdrachtnemer op, gelijk de Opdrachtnemer van LNV aanvaardt, de exploitatie van het restaurant van Kasteel [A], verzorging van de banquetingactiviteiten van Kasteel [A] en de verzorging van de personeelsvoorzieningen voor de medewerkers en vrijwilligers van Kasteel [A], zoals nader uitgewerkt is in deze overeenkomst en de bijlagen (…).

(…)

Artikel 5

1. LNV is ten allen tijde gerechtigd de aard en de omvang van de door de Opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden te wijzigen. (…)

(…)

Artikel 7

1. Kosten (vast)

De door Opdrachtnemer verschuldigde vaste kosten worden uitgedrukt in een periodiek bedrag (…). Dit bedrag betreft een gebruiksvergoeding van € 2.500,- per maand. Deze vergoeding betreft de publiekscatering en beslaat het gebruik van het Kasteelrestaurant, terras en keuken inclusief gas, water, electra en telefoon (…)

2. Kosten (variabel)

De door Opdrachtnemer verschuldigde variabele kosten zijnde 50% van de overwinst. (…)

(…)

Artikel 15

In overleg tussen partijen worden door LNV voldoende Bedrijfsruimten en Inventaris aan Opdrachtnemer ter beschikking gesteld. LNV draagt zorg dat de Bedrijfsruimten en het Inventaris op een zodanige wijze op peil worden gehouden, dat de Cateringdienst zijn werkzaamheden ongestoord kan uitoefenen.”

(vi) In 2005 heeft de Staat schriftelijk aan [eiseres] bevestigd dat de overeenkomst werd verlengd met een periode van twee jaar, tot en met 29 februari 2008.

(vii) Nadien is in verband met een herinrichting en de ontwikkeling van een nieuwe visie op de horecafunctie binnen het Kasteel, alsmede in verband met vertraging in de nieuwe aanbestedingsprocedure, de overeenkomst nog diverse malen verlengd.

(viii) Eind 2011 heeft de Staat aan [eiseres] bericht dat de aanbesteding op korte termijn in gang zou worden gezet. P4 heeft in antwoord daarop bericht dat van een nieuwe aanbestedingsprocedure geen sprake kan zijn omdat sprake is van een huurovereenkomst. De Staat heeft betwist dat van een huurovereenkomst sprake is.

(ix) Eind december 2011 heeft de aanbestedingsprocedure plaatsgevonden. Onder meer P4 heeft zich hiervoor ingeschreven. In februari 2012 heeft de Staat aan P4 meegedeeld dat de opdracht wordt gegund aan een andere inschrijver. P4 heeft vervolgens in kort geding gevorderd de Staat te gebieden om de opdracht aan P4 te gunnen, welke vordering is afgewezen.

( x) Bij brief van 7 mei 2012 heeft de Staat de overeenkomst per 31 mei 2012 beëindigd. Bij brief van 30 mei 2012 heeft de Staat P4 en [eiseres] gesommeerd om het Kasteel te ontruimen, aan welke sommatie geen gehoor is gegeven. Bij vonnis van 10 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag P4 en [eiseres] op vordering van de Staat veroordeeld tot ontruiming van de door hen gebruikte ruimten in en bij het Kasteel. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld en [eiseres] heeft de door haar gebruikte ruimten op 13 juli 2012 ontruimd.

3.2.1

In deze procedure vordert [eiseres] verklaringen voor recht dat (i) met betrekking tot de exploitatie van het kasteelrestaurant tussen haar en de Staat sprake was van een huurovereenkomst als bedoeld in art. 7:290 BW, (ii) de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door tot ontruiming over te gaan en (iii) de Staat aansprakelijk is voor alle door haar als gevolg van deze onrechtmatige ontruiming geleden en nog te lijden schade. Daarnaast heeft [eiseres] gevorderd de Staat te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

3.2.2

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat geen sprake is geweest van een huurovereenkomst.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

gemengde overeenkomst

4.7

Het hof stelt voorop dat kwalificatie van voornoemde overeenkomst van 2 april 2003 dient plaats te vinden aan de hand van de inhoud en strekking van de overeenkomst en de achterliggende partijbedoelingen. Dit uitgangspunt leidt ertoe dat deze overeenkomst als een gemengde overeenkomst moet worden aangemerkt; de “Overeenkomst cateringdiensten” voldoet aan de omschrijving van twee door de wet geregelde bijzondere overeenkomsten, te weten de overeenkomst van opdracht (het verzorgen van cateringactiviteiten) en de overeenkomst van huur (de huur/exploitatie van het kasteelrestaurant, keuken en terras). (…).

geen splitsing

4.8

Uit het bovenstaande is gebleken dat het hof uitgaat van een tussen partijen gesloten gemengde overeenkomst die mede een huurovereenkomst bevat. Nu [eiseres] zich op huurbescherming beroept, dient de vraag te worden beantwoord of de overeenkomst kan worden gesplitst zodat [eiseres] langs deze weg huurbescherming toekomt. Bij die beoordeling komt het aan op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst. Die bedoeling is naar het oordeel van het hof duidelijk; het ging om één opdracht van de Staat aan [eiseres] die uiteenviel in enerzijds het ter beschikking stellen van het kasteelrestaurant en de exploitatie ervan en anderzijds het verlenen van cateringdiensten. (…) Uit deze bewoordingen van de opdracht, waarbij de exploitatie van het restaurant en de verzorging van de banquetingfaciliteiten in één adem worden genoemd, blijkt dat de Staat één opdracht voor ogen stond en niet twee afzonderlijke overeenkomsten en dat [eiseres] dit ook in die zin heeft moeten begrijpen.

verlenen van cateringdiensten is overheersend

4.9

De vraag rijst vervolgens of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert, nu de voor beide overeenkomsten gegeven bepalingen in het onderhavige geval niet wel verenigbaar zijn, dan wel de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst(en) zich tegen toepassing verzet (artikel 6:215 BW). Het hof is van oordeel dat het verlenen van cateringdiensten zodanig centraal staat en overheerst dat het huurelement (in dit geval de huurbeschermingsbepalingen) daaraan ondergeschikt is. Dit blijkt in de eerste plaats hieruit dat de overeenkomst tot stand is gekomen na een aanbestedingsprocedure waaruit duidelijk kenbaar was dat de Staat een cateringcontract wilde sluiten. Zo staan de cateringactiviteiten in het bestek en met name in het programma van eisen (…) centraal. (…). Ook in de overeenkomst zelf ligt (…) de nadruk op de catering: publiekscatering, de banqueting-activiteiten en de verzorging van de personeels- voorzieningen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken hebben ook op deze drie onderdelen van de opdracht (welke onderdelen met elkaar samenhangen en zich niet voor splitsing lenen) betrekking. De bepalingen die zien op de ter beschikking te stellen ruimten zijn in de overeenkomst van ondergeschikte betekenis; vrijwel alle bepalingen van de overeenkomst zijn gericht op het uitvoeren van cateringdiensten.

Het hof betrekt bij zijn oordeel nog dat de openingstijden van het restaurant gelijk zijn aan de openingstijden van het kasteel (…), hetgeen betekent dat van een zelfstandig functionerend restaurant, met eigen bepaalbare ook in de avonduren geldende openingstijden waarop artikel 7:290 lid 2 aanhef en onder a BW kennelijk ziet, geen sprake is.

Ten slotte merkt het hof op dat artikel 7A:1624 lid 1, tweede zin, oud BW, dat bepaalde dat ingeval van strijd tussen bepalingen bij een gemengde overeenkomst, de bepalingen van huur en verhuur van bedrijfsruimte prevaleren, ook ruimte liet voor voorbijgaan aan de huurbeschermingsbepalingen als de elementen van de nadere benoemde overeenkomst overheersten in de rechtsverhouding.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat de opzegging van de “Overeenkomst van cateringdiensten” de opzegging van het huurdeel van de overeenkomst impliceert nu deze overeenkomst als één samenhangend geheel moet worden beschouwd. De overeenkomst van opdracht is overheersend ten opzichte van de huurovereenkomst. De regels omtrent opzegging van een huurovereenkomst en een overeenkomst van opdracht kunnen niet naast elkaar bestaan zodat die van de overeenkomst van opdracht prevaleren en aan [eiseres] geen huurbescherming toekomt. (…)”

3.3.1

Onderdeel 1 betoogt, kort samengevat, dat het hof in rov. 4.8 e.v. blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door eerst te onderzoeken of de overeenkomst kan worden gesplitst en vervolgens te onderzoeken of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert. Volgens art. 6:215 BW geldt het cumulatiestelsel en is voor de toepassing daarvan niet van belang of de overeenkomst kan worden gesplitst. Het cumulatiestelsel brengt mee dat de in aanmerking komende wetsbepalingen in beginsel naast elkaar (kunnen en) moeten worden toegepast. Het onderdeel betoogt voorts dat het hof bij de toepassing van (de uitzondering van) art. 6:215 BW een verkeerde maatstaf heeft aangelegd door te beoordelen of de cateringopdracht zodanig centraal staat en overheerst dat de huur daaraan ondergeschikt is. De wetgever heeft met het schrappen van de – tot aan het nieuwe huurrecht geldende – strekkingsbepaling van art. 7A:1624 lid 1 (oud) BW niet beoogd de daarin neergelegde beschermingsgedachte te laten vervallen onder de vigeur van art. 6:215 BW.

Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.2

Art. 6:215 BW bepaalt dat wanneer een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten voldoet, de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing zijn, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. Art. 6:215 BW ziet op het geval dat een ‘gemengde overeenkomst’ niet in twee of meer van elkaar onafhankelijke overeenkomsten kan worden gesplitst (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 871, voetnoot 2).

Voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten, niet met elkaar te verenigen zijn, dient door uitleg van de gemengde overeenkomst te worden beoordeeld welke bepaling (bepalingen) in het concrete geval dient (dienen) te prevaleren. In voorkomend geval
kan dit ertoe leiden dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende vermeld (T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 871; opmerking verdient dat daarin met “het tweede lid” gedoeld wordt op de huidige slotzinsnede van het artikel):

“Voor zover de in het tweede lid omschreven omstandigheden zich voordoen, geldt de in het eerste lid geformuleerde regel niet; het is echter niet in abstracto aan te geven welke regels dan wèl moeten worden toegepast. Zelden zal het voorkomen dat op grond van het tweede lid een bepaling van dwingend recht niet moet worden toegepast. Anders dan in artikel 3 Inleidende Titel is voor dwingend recht evenwel geen principiële uitzondering gemaakt, daar immers enerzijds geen algemene regel kan worden gegeven voor het geval dat een dwingende bepaling met een andere wettelijke regel in strijd komt en men anderzijds evenmin de mogelijkheid kan uitsluiten dat ook een dwingende bepaling op een geval dat onder haar letter valt, niettemin krachtens haar strekking niet toepasselijk is.”

3.3.3

Ook bij de wijziging van het huurrecht is onder ogen gezien dat sprake kan zijn van een gemengde overeenkomst die mede elementen van huur bevat waarvoor dwingendrechtelijke regels gelden. Daaromtrent is (in overeenstemming met de zojuist aangehaalde T.M.) opgemerkt

(Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 8):

“Tenslotte kan worden gewezen op de belangrijke bepaling van artikel 6:215 betreffende de gemengde overeenkomst. (…). Deze bepaling komt neer op de zg. cumulatie- of combinatieleer. Uitgangspunt is dat een overeenkomst zeer wel onder de omschrijving van twee verschillende benoemde overeenkomsten kan vallen. De bepalingen van beide soorten van overeenkomsten zijn dan cumulatief van toepassing, behoudens een van bepaling tot bepaling te beoordelen onverenigbaarheid of zich tegen toepasselijkheid verzettende strekking. De regel is vooral van belang voor regels van dwingend recht, dat aldus zoveel mogelijk tot gelding komt. Zij is aldus een uitdrukking van wat in elk geval sinds 1992 voor samenloop van wetsbepalingen in het algemeen geldt. Maar dat moet natuurlijk niet zover gaan dat een dwingende regel ook daar toepasselijk is waar dit door de gemengde aard van de overeenkomst de ratio van die regel te buiten zou gaan.”

3.3.4

Uit de onder het oude huurrecht geldende regel van art. 7A:1624 lid 1 (oud) BW, inhoudend dat indien een overeenkomst de kenmerken bevat van huur en verhuur van bedrijfsruimte en tevens enige andere soort van overeenkomst, in geval van strijd tussen deze bepalingen die omtrent huur en verhuur van bedrijfsruimte prevaleren, volgde naar het oordeel van de wetgever niet iets anders, omdat voor de toepasselijkheid van die voorrangsregel vereist was dat de gemengde overeenkomst naar de strekking per saldo als een huurovereenkomst diende te worden aangemerkt. Om die reden keerde de bepaling in het nieuwe huurrecht niet terug. Zie de MvT bij het wetsvoorstel Vaststelling van afdeling 7.4.6 van het Burgerlijk Wetboek (huur van bedrijfsruimte), Kamerstukken II 1999-2000, 26 932, nr. 3, p. 4:

”Tenslotte verdient nog opmerking dat de rechtspraak die zich heeft gevormd onder de strekkingsbepaling van de huidige tweede zin van artikel 1624, eerste lid, door de nieuwe regeling niet haar betekenis zal verliezen. Artikel 215 van Boek 6 strekt mede ertoe te bewerken dat regels van dwingend recht betreffende benoemde overeenkomsten zoveel mogelijk tot gelding komen, ook indien de overeenkomst mede elementen van andere benoemde of onbenoemde overeenkomsten bevat. Voor de vraag waar met betrekking tot de dwingende regels betreffende huur van bedrijfsruimte de grens ligt, zal derhalve de voormelde rechtspraak, die in wezen dezelfde vraag betreft, een noodzakelijk richtsnoer zijn.”

3.3.5

Gelet op het voorgaande heeft het hof, na te hebben vastgesteld dat de overeenkomst mede voldoet aan de omschrijving van de overeenkomst van huur en verhuur (van bedrijfsruimte), terecht onderzocht of de rechtsverhouding tussen partijen kan worden gesplitst in twee afzonderlijke overeenkomsten. Het hof heeft, na ontkennende beantwoording van die vraag en bij het uitgangspunt dat de regels omtrent opzegging van een huurovereenkomst enerzijds, en die geldend voor de opzegging van een overeenkomst van opdracht anderzijds, onverenigbaar zijn, geoordeeld dat het verlenen van cateringdiensten in dit geval zodanig centraal staat en overheerst dat de regels voor opzegging van de overeenkomst van opdracht dienen te worden toegepast. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.3.6

Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1.

3.4

De klachten van onderdeel 2 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale cassatiemiddel gegrond wordt bevonden, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,--

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 maart 2017.