Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:352

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
16/03134
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:3582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 2, Wet WOZ. Recht van beklemming vervallen omdat beklemde meiers huur niet hebben betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0498 met annotatie van Peter van der Muur
V-N Vandaag 2017/481
V-N 2017/14.24 met annotatie van Redactie
BNB 2017/104 met annotatie van J.C. van Straaten
Belastingblad 2017/135 met annotatie van J.P. Kruimel
FutD 2017-0542 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/623 met annotatie van Mr. R. van den Berg
JGROND 2018/150 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2017/150 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 maart 2017

nr. 16/03134

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2016, nrs. 15/00376 en 15/00377, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord‑Nederland (nrs. LEE 13/2804 en 13/3354) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bellingwedde voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1] en [b-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in 2012 de onroerende zaak [b-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) gekocht voor een bedrag van € 5. De onroerende zaak betreft een kavel cultuurgrond van ongeveer 9268 m2 met daarop restanten van een opstal.

2.1.2.

Bij notariële akte van 27 september 1875 was op de onroerende zaak een recht van beklemming gevestigd. In die akte zijn onder meer de volgende voorwaarden opgenomen:

"A. Het recht van beklemming zal zijn vast altijddurend en onopzegbaar en in alle lijnen vereerven.

(...)

E. Indien de meijer drie achtereenvolgende jaren huur ten achteren is zal de beklemming weder aan den eigenaar zijn vervallen met alles wat zich op den grond bevindt zonder eenige uitzondering."

2.1.3.

Blijkens de akte van levering van 16 augustus 2012 was het belanghebbende ten tijde van de verkrijging bekend dat de door de beklemde meiers verschuldigde jaarlijkse vaste huur niet werd voldaan. Die huur wordt al vele jaren niet voldaan, en in ieder geval gedurende meer dan drie jaar voorafgaande aan 1 januari 2013.

2.1.4.

In een overzicht van het Kadaster zijn met betrekking tot de onroerende zaak op de toestandsdatum 9 april 2015 zes gerechtigden tot het beklemrecht vermeld, van wie ten minste twee zijn overleden en twee naar de Verenigde Staten van Amerika zijn geëmigreerd. Geen van de beklemde meiers is getraceerd.

2.1.5.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2012 na bezwaar bepaald op € 27.000.

2.2.1.

Voor het Hof was tussen partijen onder meer in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom of zakelijk recht van de onroerende zaak.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het feitelijke genot heeft van de grond, in ieder geval zo lang zich niemand bij hem aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond krachtens het beklemrecht. Mocht iemand zich jegens hem beroepen op dat recht, dan kan belanghebbende zich jegens diegene beroepen op de bepaling uit de vestigingsakte op grond waarvan het recht van beklemming is vervallen wegens non-betaling. Belanghebbende kan zo nodig bij die gelegenheid een exploot doen uitbrengen voor het verkrijgen van een verklaring voor recht, ofwel in verweer het verval van het recht inroepen, aldus het Hof. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat zijn grond door een derde of door derden in gebruik is voor het houden van schapen, maar hij is daartegen niet opgetreden. Hij heeft dat gebruik aldus gedoogd, hetgeen meebrengt dat niet om die reden kan worden geoordeeld dat hij niet het genot heeft van de onroerende zaak, aldus nog steeds het Hof. Het doet hierbij niet ter zake of de houder van de schapen, naar later zou kunnen blijken, een van de beklemde meiers is; ook voor dat geval heeft belanghebbende, die op grond van het vervallen van het beklemrecht had kunnen optreden tegen het gebruik, dat gebruik gedoogd. Dit alles brengt naar ’s Hofs oordeel mee dat belanghebbende terecht is aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom en dat de WOZ-beschikking terecht ten aanzien van hem is genomen.

2.3.1.

Middel III komt tegen voormeld oordeel op met onder meer het betoog dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderhavige recht van beklemming van rechtswege is vervallen. In het gewoonterecht dat het beklemrecht beheerst, is niet meer onomstreden dat de eigenaar na wanbetaling het recht van beklemming caduceert, dat is vervallen verklaart, aldus dit betoog.

2.3.2.

Het middel gaat terecht ervan uit dat de beklemde meier – met uitsluiting van de eigenaar – de genothebbende krachtens beperkt recht is aan wie de WOZ‑beschikking moet worden bekendgemaakt en de aanslag in de onroerendezaakbelasting voor eigenaren moet worden opgelegd. Daartoe is echter vereist dat het recht van beklemming op de van belang zijnde datum daadwerkelijk op de onroerende zaak rust.

2.3.3.

In dit geval is in de hiervoor onder 2.1.2 aangehaalde akte van vestiging van het beklemrecht bepaald dat het recht van beklemming zal zijn vervallen indien de beklemde meier gedurende drie jaren geen huur heeft betaald. Deze uitdrukkelijke bepaling in de akte waarbij het onderhavige recht van beklemming is gevestigd, stelt eventueel gewoonterecht terzijde. Het middel faalt derhalve in zoverre.

2.4.

Middel III voor het overige en de overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.