Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3268

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
17/03129
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1218
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHDHA:2017:1721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Verzekeringsrecht (WAM). Art. 11 lid 1 en art. 13 lid 7 WAM. Is de in het RDW-register vermelde WAM-assuradeur jegens een benadeelde verplicht dekking te verlenen voor een schadevoorval dat heeft plaatsgevonden op de dag waarop volgens het register de overeenkomst is gesloten, ook als dat voorval heeft plaatsgevonden voor het tijdstip dat de dekking volgens de overeenkomst een aanvang heeft genomen (welk tijdstip in het register niet kan worden vermeld)? Geldt hieromtrent iets anders als het Waarborgfonds Motorverkeer de verzekeraar aanspreekt dan als de benadeelde dat doet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

22 december 2017

Eerste Kamer

17/03129

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,
gevestigd te Rijswijk,

APPELLANT in hoger beroep,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. J. Streefkerk,

t e g e n

1. N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
gevestigd te Nijmegen,

2. REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Zoetermeer,

GEINTIMEERDEN in hoger beroep,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. K. Teuben.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het Waarborgfonds en Bovenmij en Reaal.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/09/470371 HA ZA 14-878 van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014, 22 april en 17 februari 2016;

b. de vonnissen in de zaak C/09/479146 HA ZA 14-1371 van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2015 en 17 februari 2016;

c. de arresten in de zaken 200.192.239/01 en 200.192.240/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2016 en 27 juni 2017.

De arresten van het hof zijn aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof op de voet van art. 392 RV de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“I. Is in één of beide zaken sprake van een geval waarin ‘de registratie ten onrechte is geschied’ in de zin van art. 13 lid 7 WAM?

II. Kan de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar de benadeelde tegenwerpen dat hij weliswaar voor een later gedeelte van de eerste registratiedag de verzekeraar is, maar niet vanaf de aanvang van die dag en niet ten tijde van het ongeval? Of moet (jegens de verzekerde, althans tegenover de benadeelde) de dekking geacht worden te zijn ingegaan om 00.00 uur van de ingangsdatum als vermeld in de kennisgeving door de verzekeraar aan de Dienst Wegverkeer en opgenomen in het RDW-register?

III. Staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar aan de benadeelde tegenwerpt dat de verzekering(sdekking) nog niet was ingegaan op het moment dat het schadeveroorzakende feit zich voordeed?

IV. Staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar aan de benadeelde tegenwerpt dat bij het aangaan van de verzekering geen sprake was van een ‘onzeker voorval’ in de zin van art. 7:925 lid 1 BW?

V. Verschilt de beantwoording van één of meer van de voorgaande vragen naar gelang:

- de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis een WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van een ander motorrijtuig dan waarmee de schade is veroorzaakt en na het ongeval op verzoek van de verzekeringnemer wijziging van het verzekerde motorrijtuig plaatsvindt zodat het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt, wordt verzekerd

dan wel

- de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis geen WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van enig motorrijtuig?

VI. Maakt het voor de beantwoording van één of meer van de voorgaande vragen verschil of de verzekeraar tegenover de benadeelde staat of tegenover het Waarborgfonds, dat de benadeelde schadeloos heeft gesteld en dientengevolge in diens rechten is getreden?”

Alle partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. Namens het Waarborgfonds is gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van Bovemij en Reaal. Namens Bovemij en Reaal is gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van het Waarborgfonds.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals onder 4.1 opgenomen in de conclusie.

De advocaat van Bovemij en Reaal heeft bij brief van 17 november 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1.1

De prejudiciële vragen zijn door het hof in twee zaken gesteld.

Bij de beantwoording van de vragen gaat de Hoge Raad uit van de feiten die hierna worden vermeld in 3.1.2-3.1.4.

3.1.2

In de zaak die bij het hof aanhangig is onder nummer 200.192.239/01 en waarin het Waarborgfonds en Bovemij partij zijn, kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

(i) Op 11 juli 2013 heeft omstreeks 12.55 uur te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen een minderjarige fietsster en een bromfiets. De fietsster heeft bij het ongeval ernstig letsel opgelopen.

(ii) De politie heeft kort na het ongeval het in art. 13 lid 2 WAM bedoelde register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geraadpleegd en geconstateerd dat de bromfiets ten tijde van het ongeval niet WAM-verzekerd was, zoals blijkt uit het door de politie Rotterdam-Rijnmond na het ongeval opgemaakte proces-verbaal.

(iii) Op 11 juli 2013 om 20.06 uur heeft de echtgenote van de bestuurder van de bromfiets een WAM-verzekering (hierna: de verzekering) voor de bromfiets aangevraagd bij Enra Verzekeringen B.V. als gevolmachtigd agent van Bovemij.

(iv) De onder (iii) genoemde aanvraag is verwerkt op vrijdag 12 juli 2013 om 9.31 uur.

(v) Bij brief van 12 juli 2013 heeft Enra aan de aanvraagster bericht dat haar aanvraag voor de verzekering in goede orde was ontvangen en dat haar motorrijtuig ‘vanaf dit moment’ in voorlopige dekking was genomen.

(vi) De verzekering bood dekking vanaf 11 juli 2013 om 20.06 uur.

(vii) Uit het RDW-register blijkt dat voor de bromfiets tussen 8 juni 2013 en 11 juli 2013 geen aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten. Na aanmelding van de verzekering door Bovemij is de verzekering in dat register geregistreerd met ingang van 11 juli 2013.

(viii) Bij brief van 23 juli 2013 heeft de raadsman van de fietsster Enra aansprakelijk gesteld voor de schadelijke gevolgen van het ongeval, welke brief Enra heeft doorgezonden aan Bovemij.

(ix) Bij e-mail van 2 september 2013 heeft Bovemij aan de raadsman van de fietsster en haar wettelijke vertegenwoordiger bericht dat de verzekering pas na het ongeval is aangevraagd en dat de bromfiets ten tijde van het ongeval dus niet was verzekerd. Zij heeft hen doorverwezen naar het Waarborgfonds.

(x) Bij brief van 5 september 2013 heeft het Waarborgfonds de raadsman van de fietsster laten weten de zaak niet in behandeling te nemen, omdat zelfs in het geval een WAM-verzekeraar op de schadedatum dekking verleent ná het ongeval, deze verzekeraar ook het ‘voorrisico’ meeverzekert gedurende die gehele dag vanaf 00.00 uur.

(xi) Bovemij heeft de schadeafwikkeling tegen cessie ter hand genomen.

3.1.3

In de zaak die bij het hof aanhangig is onder nummer 200.192.240/01 en waarin het Waarborgfonds en Reaal partij zijn, kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) Op 4 mei 2010 heeft [A] (hierna: [A]) een WAM-verzekering afgesloten bij Proteq, rechts-voorgangster van Reaal, voor een aan haar toebehorende Fiat 500.

(ii) Vanaf 14 mei 2010 was [A] ook in het bezit van een Opel Corsa.

(iii) Op 3 augustus 2010 om 13.56 uur is met de Opel Corsa een ongeval veroorzaakt. Door het ongeval zijn vijf motorrijtuigen beschadigd geraakt en heeft een aantal automobilisten letsel opgelopen.

(iv) De politie heeft diezelfde dag kort na het ongeval het RDW-register geraadpleegd en geconstateerd dat voor de Opel Corsa ten tijde van het ongeval geen verzekering was opgenomen.

(v) [A] heeft eveneens op diezelfde dag om 14.07 uur Proteq/Reaal telefonisch verzocht de Opel Corsa in plaats van de Fiat 500 in dekking te nemen, aan welk verzoek Proteq/Reaal heeft voldaan.

(vi) De verzekering bood dekking voor de Opel Corsa vanaf 3 augustus 2010 om 14.07 uur.

(vii) Uit op 23 september 2010 opgevraagde gegevens blijkt dat Proteq/Reaal in het RDW-register is opgenomen als WAM-verzekeraar van de Opel Corsa Reaal met ingang van 3 augustus 2010.

(viii) De benadeelden hebben zich tot Reaal gewend om hun (letsel)schade te verhalen. Reaal heeft uitkering geweigerd, waarna de benadeelden zich hebben gewend tot het Waarborgfonds, dat aan de benadeelden heeft uitgekeerd.

(ix) Het Waarborgfonds heeft Reaal verzocht de schade die zij heeft geleden, te vergoeden en de schadebehandeling over te nemen. Reaal heeft dit geweigerd.

3.1.4

In beide zaken staat voorts vast dat het RDW-register niet de mogelijkheid biedt een tijdstip te registreren met ingang waarvan een verzekering dekking biedt. Slechts een ingangsdatum, zonder vermelding van een tijdstip, kan worden geregistreerd.

3.2

Het gaat in deze zaak om de werking van de art. 11 lid 1 en 13 lid 7 WAM in een geval waarin door een benadeelde, die zijn in art. 6 lid 1 WAM bedoelde eigen recht uitoefent, schade is geleden waarvoor een WAM-verzekering ingevolge art. 3 lid 1 WAM dekking moet bieden. De centrale vraag daarbij is of de verzekeraar aan de benadeelde kan tegenwerpen dat de verzekeringsdekking nog niet was ingegaan op het tijdstip waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan.

3.3.1

De vragen II en III lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Art. 11 lid 1 WAM, eerste volzin, luidt:

“Geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen”.

Deze bepaling is gebaseerd op en komt overeen met art. 11 § 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (Trb. 1966, 178, hierna respectievelijk: de Benelux-bepalingen en het Benelux-verdrag).



De Gemeenschappelijke toelichting bij het Benelux-verdrag vermeldt omtrent art. 11 § 1 onder meer:

“De waarborgen die een wet op de verplichte verzekering aan verkeersslachtoffers biedt, zouden niet ten volle doel treffen indien de excepties, die de verzekeraar aan zijn verzekerde kan tegenwerpen, ook aan de slachtoffers zouden kunnen worden tegengeworpen.

Uit de in de Conventie opgenomen formulering vloeit voort, dat aan de benadeelde niet kan worden tegengeworpen dat de verzekerde de bepalingen van de verzekerings-overeenkomst niet in acht heeft genomen. Zo zal de verplichting van de verzekeraar tegenover de benadeelde zelfs dan bestaan, indien de verzekeringnemer de premie niet op de vervaldag heeft voldaan, indien het verzekerde motorrijtuig voor een ander doel is gebruikt dan in de overeenkomst was bepaald of indien het ongeval is veroorzaakt ten gevolge van dronkenschap van de bestuurder of door iemand die wettelijk niet het recht had een motorrijtuig te besturen.”

Nadat nog enkele voorbeelden zijn opgesomd, vervolgt de tekst van deze toelichting:

“De benadeelde zal recht op schadevergoeding hebben zodra het schadetoebrengende feit binnen het kader van de overeenkomst valt. De verzekeraar zal zijn aansprakelijkheid slechts kunnen afwijzen indien het feit geen verband houdt met het verzekerde risico, bv. indien een verzekerde een ongeval heeft veroorzaakt met een motorrijtuig dat niet door de verzekering was gedekt of indien de benadeelde van het recht op uitkering is uitgesloten op grond van artikel 4.”

3.3.2

De tekst van art. 11 § 1 van de Benelux-bepalingen en de geciteerde passages uit de Gemeenschappelijke toelichting bieden geen grond om aan te nemen dat de omstandigheid dat voor het betrokken motorrijtuig op het moment waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan, (nog) in het geheel geen verzekeringsovereenkomst met de betrokken verzekeraar van kracht was, tot de rechtsfeiten behoort die de verzekeraar een benadeelde niet kan tegenwerpen.

Een verzekering biedt in beginsel slechts de dekking die is overeengekomen, ook waar het betreft het aanvangsmoment van de dekking. Zou met art. 11 § 1 zijn beoogd de verzekeraar, in afwijking hiervan, te verplichten ook dekking te bieden over een tijdvak, voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan dekking is overeengekomen, dan zou dat in de bepalingen of de toelichting tot uitdrukking zijn gebracht.

Bovenstaande uitleg stemt overeen met de uitleg die het Belgische Hof van Cassatie vanouds aan art. 11 § 1 van de Benelux-bepalingen geeft, zoals in zijn uitspraak van 11 oktober 2000, P.00.0576.F, alsmede in de andere uitspraken van het Hof van Cassatie, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal in voetnoot 17.

3.3.3

Deze uitleg kan, mede gelet op de vermelde Belgische rechtspraak, Benelux-rechtelijk als een acte claire worden bestempeld, zodat terzake geen prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof behoeft te worden voorgelegd.

3.4.1

Vervolgens rijst de vraag of voor het nationale Nederlandse recht aan het vorenstaande wordt afgedaan door het bepaalde in art. 13 lid 7 WAM, dat niet is gebaseerd op het Benelux-verdrag en een Nederlandse nationaalrechtelijke regeling bevat. De registratieplicht van art. 13 lid 1 WAM berust wel op de Benelux-bepalingen, maar wijkt daarvan af. De Benelux-bepalingen schrijven, in art. 12 § 1, met betrekking tot de registratie van WAM-verzekeringen slechts voor dat de beëindiging, de nietigverklaring, de ontbinding, de schorsing van de overeenkomst of van de dekking, door welke oorzaak ook, door de verzekeraar worden medegedeeld aan het overheidsorgaan of aan de persoon door de regering aangewezen. De WAM breidde van meet af aan de meldingsplicht van de verzekeraar uit tot het sluiten van de verzekering, zoals thans, sedert de wetswijziging van 1983 (Stb. 1983, 614), is neergelegd in art. 13 lid 1, aanhef en onder a, WAM.

3.4.2

Art. 13 lid 7 WAM, dat bij voormelde wet van 1983 is ingevoerd, bepaalt, kort gezegd, dat de verzekeraar die in het register als verzekeraar van een bepaald motorrijtuig is vermeld, de benadeelde niet kan tegenwerpen dat hij niet de WAM-verzekeraar van dat voertuig is, tenzij hij aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied of dat zijn verplichtingen jegens de benadeelde zijn geëindigd.

Uit de memorie van toelichting bij de wet van 1983, geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.12, blijkt dat dit wettelijk bewijsvermoeden is ingevoerd met het oog op een billijke bewijslastverdeling in de rechtsverhouding tussen de verzekeraar en de benadeelde. Het voorschrift houdt mede in dat de verzekeraar dat bewijsvermoeden mag ontkrachten. Er bestaan ook anderszins geen aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd de in het register aangewezen verzekeraar de mogelijkheid te ontnemen aan te tonen dat de dekking nog niet van kracht was op het tijdstip waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat, zoals hiervoor in 3.1.4 is overwogen, het RDW-register slechts de ingangsdatum van de dekking vermeldt en dus niet het ingangstijdstip op die datum. Ook hier geldt dat het niet voor de hand ligt dat de wetgever, zonder enige toelichting, een dekkingsverplichting heeft willen invoeren die voorafgaat aan het ingangstijdstip van de overeengekomen dekking.

3.4.3

De belangen van de benadeelde zijn geen grond om art. 13 lid 7 WAM ruimer uit te leggen dan hiervoor is vermeld. Deze zijn voldoende gewaarborgd, ook indien wordt aangenomen dat de geregistreerde verzekeraar niet aansprakelijk is als hij aantoont dat de verzekeringsovereenkomst nog niet van kracht was op het tijdstip waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. De benadeelde kan in dat geval zijn schade immers verhalen op het Waarborgfonds (art. 25 WAM).
Art. 25 lid 4 WAM leidt bovendien ertoe dat hij niet belast wordt met onzekerheid omtrent de vraag of de verzekeraar dan wel het Waarborgfonds de aansprakelijke partij is.

3.4.4

Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen volgt dat art. 13 lid 7 WAM niet meebrengt dat de verzekeraar aansprakelijk is voor schade waarvan vaststaat dat deze is ontstaan voor het tijdstip van ingang van de verzekeringsdekking. Hetgeen is overwogen in HR 19 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA1054, NJ 2000/116, is daarmee niet in strijd, aangezien in die zaak de verzekeraar dekking met terugwerkende kracht had verleend.

3.5

Uit het vorenstaande volgt dat het antwoord op vraag II, eerste volzin, bevestigend luidt (en dat op de tweede volzin dus ontkennend) en het antwoord op vraag III ontkennend.

3.6

Uit het vorenoverwogene volgt dat vraag I geen afzonderlijke beantwoording behoeft. Daarbij wordt aangetekend dat een registratie als waarvan in de onderhavige zaken sprake is, gegeven de thans beperkte mogelijkheden van registratie als vermeld hiervoor in 3.1.4, in zoverre terecht is geschied, dat Bovemij en Reaal op de in het register vermelde dagen verzekeraars van de onderscheiden motorrijtuigen zijn geworden. Zij is onterecht geschied, voor zover uit de registratie zou worden afgeleid dat die verzekeraars die hoedanigheid gedurende die dagen vanaf 00:00 uur hebben bezeten.

3.7

Het antwoord op vraag IV volgt reeds uit hetgeen is beslist in HR 19 november 1999, vermeld hiervoor in 3.4.4. Indien het schadetoebrengende feit zich reeds heeft voorgedaan op het moment dat de verzekeringsovereenkomst tot stand komt, maar die overeenkomst wel dekking biedt voor de aan die totstandkoming voorafgaande periode waarin zich dat feit heeft voorgedaan, staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de verzekeraar de benadeelde tegenwerpt dat zich geen ‘onzeker voorval’ heeft voorgedaan.

3.8

Er is geen grond voor een ander antwoord op een of meer van de voorgaande vragen voor het geval dat zich een van de in vraag V genoemde situaties voordoet. Het antwoord op vraag V luidt derhalve ontkennend.

3.9

Het aan het Waarborgfonds toegekende regresrecht van art. 27 WAM is, waar het de verhaalsaansprakelijke partijen betreft, zonder beperkingen geformuleerd. Er is geen grond om te oordelen dat de positie van de verzekeraar verschilt al naar gelang deze tegenover de benadeelde of tegenover het verhaal zoekende Waarborgfonds staat. Ook het antwoord op vraag VI luidt dus ontkennend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen op de wijze als hiervoor in 3.5-3.9 vermeld;

begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van het Waarborgfonds en op € 1.800,-- aan de zijde van Bovemij en Reaal.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 december 2017.