Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3260

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
16/04938
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1088, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:2387, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Omvang zorgplicht advocaat. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6759
RvdW 2018/76
NJB 2018/146
RAV 2018/24
NTHR 2018, afl. 1, p. 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2017

Eerste Kamer

16/04938

RM/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

BOEKEL N.V. (voorheen genaamd Boekel de Nerée N.V.),
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.L.M.M. Tan,

t e g e n

1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] , Spanje,

2. MONUMENTENVENNOOTSCHAP VELDZICHT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Boekel en [verweerder 1] en Veldzicht.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/553635 / HA ZA 13-1711 van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2014 en 29 oktober 2014;

b. het arrest in de zaak 200.167.539/01 van het gerechtshof Amsterdam van 21 juni 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Boekel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder 1] en Veldzicht hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten; voor Boekel mede door mr. M. Ynzonides en voor [verweerder 1] en Veldzicht mede door mr. J.M. Moorman.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Boekel heeft bij brief van 12 oktober 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Rubatex B.V. was eigenaar van een perceel grond in Weesp (hierna het terrein), waarop in het verleden een latexfabriek is geëxploiteerd. Nadat Rubatex in staat van liquidatie was komen te verkeren, is haar vermogen vereffend door mr. Wenselaar.

(ii) Bij beschikking van 5 juni 1997 heeft het provinciebestuur van Noord-Holland besloten dat op het terrein sprake was van ernstige bodemverontreiniging en sanering daarvan urgent.

(iii) Op 14 december 1998 hebben [verweerder 1] en [betrokkene 1] , voormalig zakenpartner van [verweerder 1] (hierna: [betrokkene 1] ), tegen betaling van een bedrag van ƒ 100.000,- aan vorderingen op Rubatex overgenomen waaraan het eerste en tweede hypotheekrecht op het terrein waren verbonden.

(iv) [verweerder 1] en [betrokkene 1] hebben zich in oktober/november 1999 gewend tot [betrokkene 2] , toen werkzaam als advocaat bij Boekel, voor advies bij het uitwinnen van deze hypotheekrechten.

(v) In de periode van 21 januari tot 23 maart 2000 hebben in opdracht van de Provincie saneringswerkzaamheden plaatsgevonden op het terrein en op een naastgelegen perceel. Ter zake van deze saneringswerkzaamheden heeft ingenieursbureau Oranjewoud B.V. op 7 december 2000 een evaluatierapport opgesteld. Het rapport bevat de volgende conclusie:

“(…) Buiten de ontgravingsgrenzen op het Rubatex-terrein moet bij graafwerkzaamheden rekening worden gehouden met sterke verontreinigingen in de bodem en dienen op dat moment de nodige veiligheidsvoorzieningen te worden getroffen.

Eventueel hierbij vrijkomende verontreinigde grond dient op verantwoorde wijze te worden afgevoerd en verwerkt. (…)”

(vi) Begin 2000 hebben [verweerder 1] en [betrokkene 1] de opdracht aan [betrokkene 2] uitgebreid. [betrokkene 2] zou hen – in ieder geval – adviseren op de volgende drie punten: 1) het verkrijgen van de eigendom van het terrein, 2) het ontruimen van krakers en 3) het afkopen van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege de uitgevoerde sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging. [verweerder 1] en [betrokkene 1] hebben geen advies gevraagd met betrekking tot de eventuele herontwikkeling en vervolgbestemming van het terrein.

(vii) Bij brief van 16 april 2000 heeft [betrokkene 2] aan [verweerder 1] en [betrokkene 1] geschreven:

“Het object is een beschermd monument en onderwerp van twee besluiten als bedoeld in art. 55 Wet Bodembescherming, hetgeen kort gezegd betekent dat het perceel ernstig verontreinigd is.

(…)

Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de vordering van de Staat nog (veel) groter wordt met het voortduren van de saneringswerkzaamheden die op dit moment kennelijk plaatsvinden. Er dient rekening mee te worden gehouden dat die saneringskosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking kunnen worden verhaald op de eigenaar c.q. een eventuele nieuwe eigenaar. (…)

U gaf onlangs aan bereid te zijn het risico van een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking te nemen en te willen bezien of met de heer Wenselaar overeenstemming kan worden bereikt over verwerving van de eigendom van het object door u voor een gering bedrag.”

(viii) [betrokkene 2] is vervolgens – namens [verweerder 1] en [betrokkene 1] – met de advocaat van de Staat in overleg getreden over de afkoop van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege de uitgevoerde bodemsanering. Bij brief van 11 juli 2001 heeft [betrokkene 2] aan [verweerder 1] en [betrokkene 1] geschreven:

“Als van Rubatex wordt gekocht, zal dat naar ik verwacht wel zonder enige garantie van de zijde van Rubatex zijn. Het perceel en de opstallen zullen derhalve worden gekocht in de staat waarin een en ander zich op dit moment bevindt, dus inclusief alle eventuele restverontreiniging in de grond alsmede eventuele gebreken en verontreiniging in/aan de opstallen.”

(ix) Bij e-mail van 7 augustus 2001 heeft [betrokkene 2] aan [verweerder 1] geschreven:

“De afkoop van de saneringsclaim zal betrekking hebben op alle werkzaamheden die van de zijde van de Staat zijn uitgevoerd, maar zonder garantie van de zijde van de Staat over de huidige staat van het perceel. De landsadvocaat liet tijdens onze bespreking immers weten dat hij verwacht dat er nog wel verontreiniging zal zijn, maar dat niet duidelijk is om welke mate van verontreiniging het gaat.”

(x) Op 9 augustus 2001 heeft mr. Wenselaar aan [verweerder 1] onder meer geschreven:

“- U bent bereid tot aankoop over te gaan van de terreinen van Rubatex BV te Weesp;

- U bent op de hoogte van de thans nog resterende bodemvervuiling ter plaatse; (…)”

(xi) Op 10 augustus 2001 heeft [betrokkene 2] aan [verweerder 1] en [betrokkene 1] een conceptbrief aan de advocaat van de Staat voorgelegd voor commentaar. In de brief stond onder meer:

“(…) Cliënten gaan er van uit dat de bodemgesteldheid ter plaatse door de sanering thans zodanig is, dat de komende jaren geen nadere sanering dient te worden uitgevoerd, althans niet op last van de overheid (…).

Voor cliënten is het derhalve van groot belang dat zij er van verzekerd zijn dat zij door deze afspraak ook gevrijwaard zijn voor vorderingen van andere overheden die verband houden met de sanering van het onderhavige perceel. Bovendien willen zij er ook van verzekerd zijn dat na het totstandkomen van de onderhavige overeenkomst niet opnieuw van overheidswege een saneringsverplichting wordt opgelegd: (…). Zoals besproken zijn cliënten bereid om deze vrijwaringsverplichting voor toekomstige saneringskosten in tijd te beperken tot 5 jaren na het sluiten van deze overeenkomst. (…)”

(xii) In reactie op deze conceptbrief heeft [betrokkene 1] op 13 augustus 2001 het volgende aan [betrokkene 2] geschreven:

“Wat ik echter niet snap is de termijn van 5 jaar (…) Dat bevalt mij lekker niets! Of de grond is nu schoon of hij is het niet! Als het niet zo is moeten ze nu aangeven wat er nog moet gebeuren en als ze dat niet doen het boek lekker sluiten! We moeten geen open eind hebben! Immers, doorverkopen van het object is waarschijnlijk en dat lukt een stuk minder makkelijk als er toch (al is het over vijf jaar) een claim vd overheid aan komt.”

(xiii) Bij e-mail van 13 augustus 2001 heeft [betrokkene 2] hierop als volgt gereageerd:

“Ik zal de termijn weghalen, maar ik verwacht dat de Staat daar moeilijk over gaat doen. We zullen zien.

De Staat is niet bereid om garanties te geven m.b.t. de gesteldheid van de grond. Daarom liet [de advocaat van de Staat] tijdens het gesprek ook meerdere malen expliciet weten dat er waarschijnlijk nog wel verontreiniging zou bestaan. (…)”

(xiv) [betrokkene 1] heeft, in reactie daarop, bij e-mail van 13 augustus 2001 het volgende aan [betrokkene 2] geschreven:

“Echter de staat zou exact moeten weten (en weet dat ook - zie enorm dik rapport) wat er nog wel en niet in aanmerking komt voor “schonen". En ik stel dus voor dat wij een advies toevoegen of zo iets. Ik voel NIETS voor een tijdbom. (…)”

(xv) Bij brief van 22 augustus 2001 heeft [betrokkene 2] het uiteindelijke voorstel (conform de conceptbrief van 10 augustus 2001, zonder de termijn van vijf jaren) aan de advocaat van de Staat verzonden. Bij brief van 25 september 2001 heeft deze hierop als volgt gereageerd:

“Ten aanzien van de gevraagde verzekering dat niet opnieuw van overheidswege een saneringsverplichting (…) wordt opgelegd, wijs ik u er op dat dit een bevoegdheid van de provincie Noord-Holland betreft. Overigens heeft de provincie (…) ingestemd met het resultaat van de sanering en daarbij tevens bepaald dat sanering van de resterende verontreiniging niet urgent is. In een dergelijk geval is (…) verdere sanering in het kader van de Wbb niet aan de orde vóór 2015. (…).

Gelet op het bovenstaande stelt de Staat het volgende voor. Tegen betaling (…) door uw cliënten, ziet de Staat af van zijn huidige en mogelijkerwijs toekomstige vordering(en) op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens hen terzake van de geconstateerde verontreiniging op het onderhavige perceel. Verder verleent de Staat de door uw cliënten gevraagde vrijwaring op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor vorderingen van andere overheden die verband houden met de uitgevoerde dan wel de mogelijkerwijs nog uit te voeren sanering(en) van het onderhavige perceel. (…)”

(xvi) Op 30 november 2001 hebben [verweerder 1] en [betrokkene 1] het voorstel van de Staat aanvaard.

(xvii) Begin juni 2002 hebben [verweerder 1] en [betrokkene 1] aan Boekel verzocht om hun, ten behoeve van de financiering van de aankoop van het terrein, stukken toe te zenden waaruit de staat van de grond van het terrein blijkt. In reactie op dit verzoek heeft [betrokkene 3] , werkzaam bij Boekel, bij brief van 18 juni 2002 aan [verweerder 1] geschreven:

“Hierbij zend ik u, mede namens [betrokkene 2] , ten behoeve van de bank, de stukken, waaruit de huidige staat van de grond van het terrein Rubatex blijkt. [volgt opsomming van stukken, waaronder de in (xv) en (xvi) genoemde correspondentie; toevoeging Hoge Raad]

Concluderend bestaat er thans dus nog wel bodemverontreiniging op het perceel Rubatex, doch is er geen risico dat hieromtrent nog enige kosten voor rekening van u en [betrokkene 1] zullen komen.”

(xviii) Op 10 september 2002 hebben [betrokkene 1] en [verweerder 1] door middel van hun persoonlijke houdstervennootschappen Veldzicht opgericht, teneinde het terrein fiscaal gunstig te kunnen verwerven. Op 25 oktober 2002 is het terrein overgedragen aan Veldzicht.

(xix) Op of omstreeks 8 februari 2005 heeft [verweerder 1] aan Boekel gevraagd of de kosten van een nadere sanering, ten behoeve van de ontwikkeling van het terrein voor woningbouw, voor rekening van de Staat kunnen worden gebracht. [betrokkene 2] heeft hierop bij brief van 21 maart 2005 als volgt gereageerd:

“Een garantie dat het perceel 100% schoon zou zijn cq. dat de bodemgesteldheid zou voldoen voor alle bestemmingen is door de Staat niet gegeven. (…) Door de Staat is geen garantie gegeven voor het geval nadere sanering noodzakelijk zou zijn in verband met een wijziging van de bestemming cq. een van de toenmalige bestemming afwijkend gebruik.

Nu het thans kennelijk gaat om een sanering in verband met een artikel-19 procedure, verwacht ik gezien het voorgaande dat de daarmee gemoeide kosten naar het oordeel van de rechter niet op de Staat zullen kunnen worden verhaald onder de afspraken van augustus-december 2001.”

(xx) Eind 2006, begin 2007, heeft Veldzicht aan ingenieursbureau Oranjewoud opdracht gegeven een nader rapport op te stellen. Bij e-mail van 25 april 2007 heeft [verweerder 1] vervolgens het volgende aan [betrokkene 2] bericht:

“Heb zojuist het rapport besproken dat ik Oranjewoud heb laten maken om inzicht te krijgen in de staat van de grond voor wat betreft de verontreiniging.

Mijn angst was terecht. Op het terrein is nog steeds sprake van zware verontreiniging (…) Ik ben voornemens om met de ontwikkeling van het terrein te beginnen in mei a.s.

Zoals je weet heeft de vennootschap bij het afkopen van de claim die er lag na een ingrijpende sanering een vrijwaring van de overheid gekregen inzake de verplichting om de bestaande verontreiniging te saneren. Ik stel voor dat we nu aktie ondernemen richting overheid. (…)”

(xxi) Bij brief van 14 mei 2008 heeft Boekel namens [verweerder 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor alle schade in verband met de nadere sanering. De Staat heeft deze aansprakelijkstelling afgewezen.

(xxii) Op 11 januari 2010 is een derde rapport van ingenieursbureau Oranjewoud beschikbaar gekomen. In dat rapport is het volgende opgenomen:

“Op het voormalige Rubatex-terrein heeft geen bodemsanering plaatsgevonden behoudens de bovengrond van een smalle grondstrook langs de watergang aan de oostzijde van het terrein. Op het naastgelegen terrein aan de zuidoostzijde van de locatie heeft in 2000 een bodemsanering plaatsgevonden (boomgaard) alsmede een deel van de waterbodem van de watergang tussen de boomgaard en het Rubatex-terrein.

Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat tot het recent uitgevoerde onderzoek nagenoeg geen bodemsanering heeft plaatsgevonden op het terrein van Rubatex. (…)”

3.2

[verweerder 1] en Veldzicht vorderen in deze procedure schadevergoeding wegens wanprestatie van Boekel. Aan deze vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat [betrokkene 2] hen nooit uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd dat de in opdracht van de Staat uitgevoerde sanering van het terrein slechts beperkt is geweest en dat, ook daarna, nog steeds sprake was van een substantiële bodemverontreiniging.

3.3.1

De rechtbank heeft de vordering van [verweerder 1] en Veldzicht afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij de vordering van [verweerder 1] is afgewezen en deze vordering alsnog toegewezen. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3.2

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof als volgt overwogen.

Veldzicht was geen cliënt van Boekel. Haar vordering is daarom niet toewijsbaar (rov. 3.4).

Bij de beoordeling van de vordering van [verweerder 1] wordt enerzijds in ogenschouw genomen dat [verweerder 1] [betrokkene 2] geen andere opdracht heeft gegeven dan de opdracht die hiervoor in 3.1 onder (vi) is verwoord, dat [betrokkene 2] [verweerder 1] in zijn in 3.1 onder (viii) geciteerde brief erop heeft geattendeerd dat het terrein door hem zou worden gekocht “inclusief alle eventuele restverontreiniging” en dat [verweerder 1] [betrokkene 2] niet heeft gevraagd om hem over de (consequenties van die) eventueel nog aanwezige verontreiniging te adviseren. Anderzijds dient bij de beoordeling te worden betrokken dat [betrokkene 2] in zijn hoedanigheid van (gespecialiseerd vastgoed-)advocaat door [verweerder 1] (en [betrokkene 1] ) bij de verwerving van het terrein is betrokken, dat [betrokkene 2] wist dat zijn cliënten ervan verzekerd wilden zijn dat hun na het sluiten van de overeenkomst niet van overheidswege een saneringsverplichting zou worden opgelegd en dat zijn cliënten in verband met de verontreiniging niets voelden voor een “open eind” of een “tijdbom” (zie hiervoor in 3.1 onder (xii) en (xiv)). (rov. 3.5)

Hierna heeft het hof overwogen:

“3.5.1 In het licht van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [betrokkene 2] in zijn advisering aan [verweerder 1] is tekortgeschoten. Ook zonder expliciete daartoe strekkende opdracht mocht van [betrokkene 2] , als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat, worden verwacht dat hij ervoor zorg zou dragen dat hij zich op grond van de beschikbare stukken een beeld zou vormen van de afloop van de sanering die de Provincie had uitgevoerd, teneinde de omvang van de voor zijn cliënt als koper resterende restrisico’s in te kunnen schatten en daarover zo nodig nader te adviseren. Het Oranjewoud-rapport, dat op de sanering betrekking heeft, dateert van 7 december 2000; de onderhandelingen over de koop van het terrein vonden met name in 2001 plaats. Boekel heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] ten tijde van de koop van het terrein niet over het Oranjewoud-rapport beschikte maar dat baat haar niet, nu zij niet tevens heeft aangevoerd dat hij ook niet over dat rapport kon of mocht beschikken. Juist als advocaat die cliënten bij de verkoop van het (net door de Provincie gesaneerde) terrein begeleidde had [betrokkene 2] het Oranjewoud-rapport, waarvan hij mocht aannemen dat het bestond, bij de Provincie moeten opvragen en vervolgens op zijn minst van de hoofdlijnen daarvan kennis moeten nemen. Indien [betrokkene 2] dat had gedaan zou hij daaruit allereerst hebben afgeleid dat de sanering die in dat rapport wordt beschreven met name het naast het Rubatex-terrein gelegen grasland en de tussenliggende sloot betreft. Bovendien zou hij hebben gelezen dat de hoeveelheid grond ter aanvulling van de verwijderde vervuilde grond voor het Rubatex-terrein (700 m3 zand + 25 m3 teelaarde) qua volume beduidend geringer was dan de hoeveelheid grond die diende ter aanvulling van het naastgelegen grasland (2.740 m3), zodat de sanering van het Rubatex-terrein zelf in het totaal van de saneringsoperatie slechts beperkt van omvang was. Ten slotte zou hij hebben kunnen opmerken dat buiten de (gelet op het bovenstaande: beperkte) ontgravingsgrenzen van het Rubatex-terrein bij graafwerkzaamheden nog steeds rekening moet worden gehouden met sterke verontreiniging in de bodem. Al deze gegevens staan vermeld in de samenvatting van twee bladzijden waarmee het rapport aanvangt.

3.5.2.

Uit deze gegevens had [betrokkene 2] kunnen afleiden dat er geen “eventuele” restverontreiniging was, maar dat er moest worden uitgegaan van ernstige verontreiniging van aanmerkelijke omvang. Van een dergelijke verontreiniging behoorde [betrokkene 2] [verweerder 1] zonder meer op de hoogte te stellen, temeer nu [verweerder 1] bij herhaling had laten weten niet bereid te zijn op dat vlak enig financieel risico te willen lopen. Deze verplichting had [betrokkene 2] ook als ten tijde van de koop nog niet vaststond wat [verweerder 1] en [betrokkene 1] met het terrein zouden gaan doen. Wat er ook zij van hun verdere ontwikkelingswensen of -mogelijkheden (uit de (…) geciteerde mail van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] van 13 augustus 2001 volgt overigens dat doorverkoop (toen) waarschijnlijk werd geacht), het is een feit van algemene bekendheid dat ernstige verontreiniging van grond een belangrijk waardedrukkend effect op die grond heeft. Het risico dat de grond beduidend minder waard was dan de prijs die [verweerder 1] bereid was betalen is bij uitstek een risico dat [betrokkene 2] als advocaat behoorde te (laten) onderzoeken en waarover hij zijn cliënt diende te waarschuwen. Dat heeft hij nagelaten.
heeft [verweerder 1] en [betrokkene 1] bij brief van 11 juli 2001 erop gewezen dat de grond werd gekocht inclusief “alle eventuele restverontreiniging”, en hen bij brief van 7 augustus 2001 medegedeeld dat de staat geen garantie zou geven over de huidige staat van het perceel. Deze bagatelliserende mededelingen volstaan gezien de omvang en ernst van de nog aanwezige vervuiling niet als voldoende duidelijke waarschuwingen. Daar komt bij dat deze mededelingen van [betrokkene 2] niet los kunnen worden gezien van het gegeven dat de Provincie de sanering van het terrein had afgerond en overige sanering niet urgent achtte. Tegen die achtergrond en daarbij tevens in aanmerking nemend dat de Staat uiteindelijk bereid bleek om [verweerder 1] te vrijwaren voor alle claims (ook die van lagere overheden) wegens ongerechtvaardigde verrijking, moest [betrokkene 2] er rekening mee houden dat [verweerder 1] die aanwezige “restverontreiniging” en de daarmee samenhangende financiële risico’s beschouwde als van relatief geringe omvang ten opzichte van de in 2000 reeds verrichte sanering. Temeer had het op zijn weg gelegen om [verweerder 1] in aanmerkelijk krachtiger bewoordingen te waarschuwen.

(…)

3.6

Het voorgaande leidt ertoe dat [betrokkene 2] toerekenbaar tegenover [verweerder 1] is tekortgeschoten. (…)”

3.4

Boekel heeft geen belang bij haar cassatieberoep voor zover gericht tegen Veldzicht. De vordering van Veldzicht is door de rechtbank afgewezen en het hof heeft het vonnis van de rechtbank op dat punt bekrachtigd. Boekel is derhalve in haar cassatieberoep tegen Veldzicht niet-ontvankelijk.

3.5.1

Het middel keert zich met diverse klachten tegen de oordelen van het hof in rov. 3.5 en verder. Onderdeel 2d klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van Boekel dat [verweerder 1] zelf al in 2000 of 2001 beschikte over het Oranjewoud-rapport. Het voert onder meer aan dat [verweerder 1] dus zelf al in de samenvatting daarvan heeft kunnen lezen wat het hof daaruit aanhaalt in rov. 3.5.1 slot.

3.5.2

Deze klacht is gegrond. Boekel heeft op de in het onderdeel aangehaalde plaatsen gemotiveerd aangevoerd dat [verweerder 1] en [betrokkene 1] in 2000 of 2001 al over het Oranjewoud-rapport beschikten. Het hof heeft niet vastgesteld dat deze stelling onjuist is, zodat de juistheid ervan in cassatie uitgangspunt moet zijn. Bij dit uitgangspunt valt niet zonder nadere toelichting in te zien dat, zoals het hof heeft geoordeeld, [betrokkene 2] nog onderzoek had moeten instellen naar de omvang van de verontreiniging die na de sanering resteerde (vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267, rov. 3.4.3).

3.6.1

Onderdeel 3a klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 3.5.2 dat [betrokkene 2] onvoldoende indringend heeft gewezen op het risico van de restverontreiniging, onbegrijpelijk is in het licht van de vaststaande feiten. Volgens het onderdeel is mede onbegrijpelijk dat het hof in dit verband in rov. 3.5.2 rept van “bagatelliserende mededelingen” van [betrokkene 2] .

3.6.2

Ook deze klachten slagen. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de hiervoor in 3.1 onder (viii) en (ix) aangehaalde mededelingen van [betrokkene 2] zouden zijn aan te merken als ‘bagatelliserend’, zoals het hof overweegt in rov. 3.5.2. In het licht van de vaststaande feiten die hiervoor zijn aangehaald in 3.1 onder (viii), (ix) en (xii)-(xiv), kan evenmin zonder meer worden geoordeeld dat [betrokkene 2] onvoldoende heeft gewezen op het risico van nog aanwezige restverontreiniging. Uit het arrest van het hof blijkt niet waarom [betrokkene 2] meer indringend op dat risico moest wijzen.

3.7.1

Onderdeel 3b keert zich tegen de vaststelling van het hof dat [betrokkene 2] wist dat zijn cliënten in verband met de verontreiniging niets voelden voor een “open eind” of “een tijdbom” (rov. 3.5) en dat zij niet bereid waren “op dat vlak enig financieel risico te willen lopen” (rov. 3.5.2). Het onderdeel voert aan dat de feitelijke bronnen waarnaar het hof in dit verband verwijst (namelijk de beide e-mails van [betrokkene 1] die hiervoor in 3.1 onder (xii) en (xiv) zijn aangehaald), niet anders vallen uit te leggen dan betrekking hebbend op een van overheidswege opgelegde sanering van eventuele restverontreiniging.

3.7.2

Ook dit onderdeel is gegrond. Het hof verwijst voor de bestreden vaststelling uitsluitend naar de beide e-mails van [betrokkene 1] die hiervoor in 3.1 onder (xii) en (xiv) zijn aangehaald. Deze hebben echter, zoals het onderdeel terecht aanvoert, klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op het risico dat de overheid een verdere sanering van de bodem noodzakelijk zou achten.

3.8

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart Boekel niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover gericht tegen Veldzicht;

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 juni 2016 voor zover gewezen in de zaak tegen [verweerder 1] ;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Boekel begroot op € 943,93 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-presidenE.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 december 2017.t