Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
16/05639
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:530, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:4602, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 37, leden 1 en 2, 52 en 66 Successiewet 1956 en art. 16 AWR. Aanslag en conserverende aanslag na beroep op bedrijfsopvolgingscapaciteit. Uitleg van een ter zitting, buiten de termijn van art. 16, lid 3, AWR, gesloten vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0149 met annotatie van Eddo Hageman
V-N 2018/2.6 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/3024
FED 2018/72 met annotatie van M.C. Cornelisse
Viditax (FutD), 22-12-2017
NTFR 2018/131 met annotatie van mr. A.J.C. Perdaems
FutD 2018-0002 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2017

nr. 16/05639

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2016, nr. 15/00701, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/3804) betreffende een aan [X2] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde conserverende navorderingsaanslag in het recht van successie. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 24 mei 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:530).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is een van de erfgenamen van een tante, die in 2002 overleed. Als onderdeel van de nalatenschap verkreeg belanghebbende onder andere aandelen in [B] B.V. (hierna: [B]). Die aandelen behoorden tot een aanmerkelijk belang. Belanghebbende heeft daarom ter zake van de verkrijging van deze aandelen een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956). De Inspecteur heeft aan belanghebbende met toepassing van het toen geldende artikel 37, lid 1, respectievelijk lid 2, SW 1956 een aanslag en een conserverende aanslag in het recht van successie opgelegd.

2.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank behandeld ter zitting van 24 april 2008. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt in dat partijen ter zitting overeenkwamen (i) dat van de passiefposten van [B] de post “belastingen” ten bedrage van € 2.920.755 directe samenhang vertoont met een vordering van [B] die door de Inspecteur als beleggingsvermogen werd aangemerkt, en (ii) dat de andere passiefposten van [B] die samenhang niet hebben. In verband hiermee heeft de Rechtbank de aanslag bij uitspraak van 9 juni 2008 verminderd.

2.1.3.

Bij uitspraak van dezelfde datum heeft de Rechtbank geoordeeld dat de, in bezwaar eveneens gehandhaafde, conserverende aanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.1.4.

De met deze uitspraken gegeven oordelen van de Rechtbank zijn als gevolg van arresten van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, nummers 09/05134 en 09/05133, onherroepelijk geworden.

2.1.5.

Met dagtekening 5 april 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende de thans bestreden conserverende navorderingsaanslag opgelegd, omdat uit de ter zitting van de Rechtbank gemaakte afspraak, hiervoor omschreven in 2.1.2 (hierna: de afspraak), voortvloeit dat het door belanghebbende krachtens erfrecht verkregen ondernemingsvermogen meer bedroeg dan waarvan de Inspecteur was uitgegaan bij het opleggen van de in 2.1.1 vermelde conserverende aanslag.

2.2.1.

Bij het Hof was in geschil of uit de afspraak voortvloeit dat de Inspecteur ter correctie van de conserverende aanslag voorbij kan gaan aan de in artikel 16 AWR opgenomen voorwaarden voor het opleggen van een navorderingsaanslag, waaronder de in het derde lid gestelde termijn.

2.2.2.

Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen, samengevat, dat er geen redenen zijn om af te wijken van de duidelijke bewoordingen van de afspraak, die niets bepaalt over de mogelijkheden tot navordering. Deze afspraak is tot stand gekomen tussen gelijkwaardige en professionele partijen. De beroepen tegen de aanslag en de conserverende aanslag zijn gelijktijdig behandeld en de Inspecteur diende zich te realiseren dat de aanslag en de conserverende aanslag onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden in die zin dat verlaging van de aanslag aanleiding is de conserverende aanslag te verhogen. Voorts kan de Inspecteur, die bij het opleggen van de conserverende aanslag al was uitgegaan van een lager onder de bedrijfsopvolgingsfaciliteit vallend vermogen dan vermeld in de door belanghebbende gedane aangifte, door de kwalificatie van de belastingschuld niet zijn overvallen, aldus het Hof.

2.2.3.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het op de weg van de Inspecteur had gelegen om aan de afspraak over de aanslag de voorwaarde te verbinden dat een conserverende navorderingsaanslag zou worden opgelegd. Belanghebbende behoefde er bij het maken van de afspraak niet van uit te gaan dat haar een conserverende navorderingsaanslag zou worden opgelegd. Voorts houdt de afspraak, ook al is zij buiten de navorderingstermijn gemaakt, niet in dat belanghebbende afstand heeft gedaan van het recht zich op overschrijding van de navorderingstermijn te beroepen, aldus het Hof.

2.2.4.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de conserverende navorderingsaanslag niet aan de uit artikel 16 AWR voortvloeiende eisen voldoet en dus niet rechtmatig is opgelegd.

2.3.1.

Het middel treft doel voor zover het opkomt tegen de uitleg die het Hof aan de afspraak heeft gegeven.

2.3.2.

Het Hof heeft onderkend dat de ter zake van de erfrechtelijke verkrijging aan belanghebbende opgelegde aanslag en conserverende aanslag onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. De Inspecteur heeft in hoger beroep het standpunt betrokken dat een redelijke uitleg van hetgeen partijen buiten de navorderingstermijn zijn overeengekomen meebrengt dat beide ter zake kundige partijen, dus ook de gemachtigde, hebben moeten begrijpen dat een vermindering van de gewone aanslag tot verhoging van de conserverende aanslag leidt. Dat standpunt kan niet anders worden begrepen dan als een beroep op wetenschap bij (de gemachtigde van) belanghebbende dat voormeld verband tussen aanslag en conserverende aanslag meebrengt dat de met de Inspecteur gemaakte afspraak noodzakelijkerwijs inhoudt dat de aanvankelijk over de te conserveren waarde geheven belasting dient te worden verhoogd tot het bedrag dat volgens de toepasselijke wettelijke voorschriften is verschuldigd.

Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag of het die stelling van de Inspecteur aannemelijk achtte. Bij gebreke aan een oordeel van het Hof op dat punt, moet de Hoge Raad er bij de beoordeling van het hierna te noemen oordeel van het Hof veronderstellenderwijs van uitgaan dat de vorenbedoelde wetenschap bij de gemachtigde aanwezig was.

2.3.3.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de afspraak tot stand is gekomen tussen gelijkwaardige en professionele partijen en dat de wijze waarop de afspraak tot stand is gekomen meebrengt, enerzijds, dat het op de weg van de Inspecteur had gelegen de oplegging van een conserverende navorderingsaanslag als voorwaarde te stellen en, anderzijds, dat belanghebbende bij het maken van de afspraak niet ervan uit behoefde te gaan dat haar een conserverende navorderingsaanslag zou worden opgelegd. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het Hof ervan is uitgegaan dat bij het optreden voor de belastingrechter aan een inspecteur qua professionaliteit hogere eisen kunnen en moeten worden gesteld dan aan een belastingadviseur die ter zitting optreedt als gemachtigde van een belastingplichtige. Indien het Hof zijn oordeel heeft afgeleid van de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, is het – mede gelet op het in 2.3.2 overwogene - zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in zoverre niet begrijpelijk.

2.4.

Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen bespreking. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling in hoger beroep.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.