Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3143

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
17/00840
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1091
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Insolventierecht. Hoger beroep tegen afwijzing verzoek curator op de voet van art. 69 Fw. Kostenveroordeling curator en uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarvan. Overeenkomstige toepassing art. 362 Rv in verbinding met art. 289 Rv respectievelijk art. 288 Rv, evenals in geval berecht in HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2721, NJ 2008/221.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/36
AR 2017/6565
NJB 2018/70
NJ 2018/17
RBP 2018/19
RI 2018/25
JOR 2018/104 met annotatie van mr. B.I. Kraaipoel
INS-Updates.nl 2017-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2017

Eerste Kamer

17/00840

LZ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

de vennootschap naar Duits Recht GRÜNDSTÜCKVERWALTUNG BRAMMER GMBH & CO KG,
gevestigd te Geesthacht, Duitsland,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

mr. H. AARNINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Emotech B.V.,
wonende te Winterswijk,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. M.S. van der Keur.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Brammer en de curator.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/08/14/729 F van de rechtbank Overijssel van 8 februari 2017.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft Brammer beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De curator heeft zich met betrekking tot klacht 1 en 2 aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd en met betrekking tot klacht 3 tot verwerping geconcludeerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van de beschikking voor zover het de daarin opgenomen proceskostenveroordeling betreft en tot verwerping voor het overige.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Brammer verzoekt in deze procedure op de voet van art. 69 Fw de curator te bevelen om met haar in onderhandeling te treden met het oog op het treffen van een regeling in het belang van de boedel betreffende:

- het delen van informatie die van belang is om wel/niet (een of meer van) de beleidsbepalers aansprakelijk te stellen op grond van art. 2:216 BW in verbinding met 2:248 BW in verbinding met 2:9 BW in verbinding met art. 42 e.v. Fw en/of art. 6:162 BW; en/of

- een (eventuele) gezamenlijke actie in dat verband; en

- de verdeling van de terzake gemaakte en nog te maken kosten en de opbrengst van een dergelijke gezamenlijke actie.

3.2

De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond geoordeeld. Daarbij heeft zij Brammer, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten van de curator.

3.3

De klachten 1 en 2 komen op tegen de veroordeling van Brammer in de proceskosten. Onder verwijzing naar HR 26 november 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4487, NJ 1983/442 (rov. 4.4) wordt geklaagd dat deze beslissing rechtens onjuist is omdat de vereiste wettelijke grondslag ontbreekt voor een kostenveroordeling in een beschikking die wordt gegeven op een verzoek op grond van art. 69 Fw (klacht 1). Voorts wordt aangevoerd dat de kostenveroordeling in strijd met art. 233 lid 1 Rv uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (klacht 2).

3.4.1

Klacht 1 is ongegrond. In de rechtspraak die is gewezen na de in de klacht genoemde beschikking uit 1982 ligt besloten dat de Hoge Raad is teruggekomen van zijn rechtspraak op dit punt. In HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2721, NJ 2008/221 (rov. 3.4), is met betrekking tot een verzoekschriftprocedure op grond van art. 358a Fw, als volgt overwogen.

“Sinds 1 januari 2002 bepaalt het, bij de wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 581 (Aanpassingswet) toegevoegde, tweede lid van art. 362 Fw dat de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet. Voordien was in de rechtspraak van de Hoge Raad aangenomen dat ook in een verzoekschriftprocedure waarop de voormalige twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 429a–t (oud)) niet van toepassing was, gold dat, zoals art. 429k lid 3 (oud) bepaalde, de rechter een veroordeling in de proceskosten kon uitspreken, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeide (HR 13 maart 1992, nr. 8006, NJ 1993, 96) en dat (nu dit laatste niet het geval was ten aanzien van de Faillissementswet), ook in een procedure tot faillietverklaring de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de wederpartij kon worden veroordeeld (vgl. HR 24 oktober 1997, nr. 8971, NJ 1998, 68). Aangenomen moet overigens worden dat hetzelfde gold met betrekking tot andere procedures ingevolge de Faillissementswet.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 362 lid 2 Fw blijkt niet dat de wetgever door opneming van deze bepaling heeft willen breken met de zojuist weergegeven rechtspraak. De uitsluitingen in art. 362 lid 2 Fw van de toepasselijkheid van de huidige derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschied vanwege de specifieke rechtsgang die in de Faillissementswet is neergelegd (zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2000–2001, 27 824, nr. 3, blz. 2–3). Echter, in de Faillissementswet is ook na 1 januari 2002 niet voorzien in een specifieke regeling voor de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling. Aangenomen moet daarom worden dat het bepaalde in art. 362 lid 2 Fw niet eraan in de weg staat dat overeenkomstig het bepaalde in art. 289 Rv en met overeenkomstige toepassing van art. 362 Rv ook in hoger beroep, een uitspraak op een verzoek ingevolge de Faillissementswet een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt overgelaten of hij in het gegeven geval tot een zodanige veroordeling aanleiding vindt (vgl. HR 24 oktober 1997, nr. 8971, NJ 1998, 68).”

3.4.2

Uit deze uitspraak vloeit voort dat ook in de procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw, overeenkomstig het bepaalde in art. 362 Rv in verbinding met art. 289 Rv, een veroordeling in de proceskosten kan worden uitgesproken, ook ambtshalve.

Voor zover het, anders dan in dit geval, een proceskostenveroordeling betreft ten laste van de failliet of de boedel verdient opmerking dat de rechter met betrekking daartoe terughoudendheid dient te betrachten.

3.4.3

Met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling geldt de hiervoor in 3.4.1 aangehaalde overweging evenzeer. In de procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw kan een proceskostenveroordeling dan ook, overeenkomstig het bepaalde in art. 362 Rv in verbinding met art. 288 Rv, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, ook ambtshalve. Ook klacht 2 is derhalve ongegrond.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Brammer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 392,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 15 december 2017.